Veel gestelde vragen This is a new feature at this site. An interactive way to talk about the genealogies

The owner of this website pays about 400 dollar per month to keep this webiste in the air. In order to view the data follow this link donate any amount you want. Now also possible on a bankaccount in the Netherlands, made possible by the familybank . The site gets 80.000 hits daily. Please click on the advertisements to generate money for me

Home Search Login Your Bookmarks  
Share Print Bookmark


Report: all occuring places, including place levels

         Description: all occuring places, including place levels


Matches 1 to 800 of 13208   » Comma-delimited CSV file

1 2 3 4 5 ... 17» Next»

# Place Longitude Latitude Notes ID
1 's Gravenmoer, Dongen, Noord-Brabant  4.939813613891602  51.658713670964595  's Gravenmoer is een dorp in de gemeente Dongen, in het midden-noorden van de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Het dorp heeft 2220 inwoners (2004).
Geschiedenis
* 's Gravenmoer is in 1308 ontstaan aan een veenkanaal en hoorde oorspronkelijk bij het Graafschap Holland dat een gedeelte van het gebied ten zuiden van de rivier de Maas in bezit had.
* Van het begin af aan was 's Gravenmoer een schippersplaats, waar gehandeld werd in turf, stro en rijshout. Uiteindelijk kwam aan de turfwinning en later ook aan de scheepvaart een einde. In 1950 werd de haven gedempt.
* In 1421 werd het dorp tijdens de Sint-Elisabethsvloed zwaar getroffen.
* In de zestiende eeuw kwam het dorp via de contacten die de schippers hadden, in aanraking met de Reformatie en werd het gewonnen voor de "nije leer". In 1610 werd een predikant aangesteld. De eeuwen daarna bleef 's Gravenmoer een protestantse enclave in een rooms-katholieke streek.
* Gedurende de Tachtigjarige Oorlog probeerde het dorp aansluiting te vinden bij Brabant, maar het werd in 1734 bij Holland gevoegd. In 1814 na de Franse tijd werd het dorp definitief bij de nieuw gevormde provincie Noord-Brabant gevoegd. Tot 1997 vormde 's Gravenmoer een zelfstandige gemeente.
Naam
De naam van het dorp is 's Gravenmoer, dus zonder koppelteken. Voluit zou de naam des Graven moer zijn, de tweede naamval. De verkorte versie 's Gravenmoer zou eigenlijk met een koppelteken moeten zijn, om aan te geven dat des bij de Graven hoort. Het koppelteken zit echter niet in de naam. 
659 
2 's Gravenwaard, Herwen en Aerdt, Gelderland  6.107034  51.863231  Een gehucht vlak bij Lobith in de vroegere gemeente Herwen en Aerdt nu Rijnwaarden  36603 
3 's Grevelduin, Capelle, Noord-Brabant  4.984574  51.690609  's Grevelduin-Capelle, meestal aangeduid als Capelle, is een dorp in de provincie Noord-Brabant. Het dorp is ontstaan in de 13e eeuw en behoorde oorspronkelijk bij het Graafschap Holland. Tot 1923 was Capelle een zelfstandige gemeente. In 1923 werden de dorpen Sprang, Vrijhoeve-Capelle en Capelle samengevoegd tot de gemeente Sprang-Capelle. In 1997 werd de gemeente Sprang-Capelle opgeheven en sindsdien maakt het dorp Capelle deel uit van de gemeente Waalwijk.
Historie van Capelle
Rond 1200 was het gebied rond Capelle, de Langstraat, een grote wildernis. Het gebied hoorde destijds bij het Graafschap Holland. Op een gegeven moment begon de Graaf van Holland met het "in leen geven" van stukken van dit moeras. Degenen, die de grond in leen kregen, moesten er voor zorgen dat de grond ontgonnen werd. Verder moesten ze een jaarlijkse rente of cijns betalen en manschappen leveren aan de graaf. Op het grondgebied van Capelle ontstonden in die tijd drie ambachtsheerlijkheden. Deze drie heerlijkheden, die het dorp Capelle zouden vormen, waren Nederveen-Capelle, 's Grevelduin-Capelle en Zuidewijn-Capelle. Deze ambachtsheerlijkheden hadden een gezamenlijke kapel (kerk). Vandaar de naam Capelle. Het dorp Capelle komt waarschijnlijk voor het eerst voor in een afschrift van een akte van 29-31 augustus 1257, die te vinden is in de abdij van Sint-Truiden. In deze akte droegen Walterus Spirinch, heer van Aalburg, en zijn vrouw Ysalde al hun bezittingen over aan de abdij van Sint-Truiden, waaronder de tienden in de parochie "Waspich" en "Capella". Waarschijnlijk vormden Waspik en Capelle in 1257 dus één parochie. Er was dus sprake van een kerk, waaruit afgeleid kan worden dat het aantal inwoners al een zekere omvang had bereikt.
Capelle lag destijds in de Grote Waard of Zuid-Hollandse Waard, ook wel genoemd: "Dortse Waard", die in de nacht van 18 op 19 november 1421 door de Sint Elisabethsvloed werd getroffen. Capelle werd door het water verslonden. Ook de middeleeuwse kapel van Capelle werd verwoest. Capelle werd echter herbouwd. De winterdijk werd versterkt en ten zuiden van deze dijk werd Capelle weer opgebouwd.
De belangrijkste inkomstenbron van de inwoners van Capelle was oorspronkelijk het turfsteken / handelen in turf. Turf was destijds de belangrijkste brandstof. Via de vaarten en de haven van Capelle werd de turf afgevoerd naar de grote steden. Door de turfvaart vestigden zich in Capelle ook vele schippers. Ook de landbouw begon zich gaandeweg in Capelle te ontwikkelen.
Aan de turfhandel kwam in de 17e eeuw een einde door het uitgeput raken van de turfgronden. De landbouw begon belangrijker te worden. Door de vele overstromingen in de Langstraat was het buitendijkse gebied zeer vruchtbaar geworden door toedoen van de achtergebleven rivierklei. Het gras wat hierop groeide was zeer geschikt voor het maken van hooi. De hooihandel verdrong de turfhandel. De schippers konden overgaan op het transport van hooi.
In 1814 werd de Hollandse gemeente Capelle aan de provincie Noord-Brabant toegevoegd. Niet zo lang hierna werd het wapen van Capelle vastgesteld. Het wapen valt als volgt te omschrijven: "Van zilver, beladen met een berg (duin), waarop een kapelletje (een kapelsvlinder), alles in hunne natuurlijke kleur". Het is dus een dubbel sprekend wapen (duin wijst op 's-Grevelduin en kapelletje op Capelle). Op woensdag 13 januari 1819 werd het grondgebied van Capelle afgepaald. Capelle kende in die tijd negen buurgemeenten. Dit waren: Dussen, Meeuwen, Drongelen, Besoyen, Sprang, Vrijhoeve-Capelle, Loon op Zand, Dongen en Waspik.
In de tweede helft van de 19e eeuw geschiedde het personen- en goederenvervoer in de Langstraat hoofdzakelijk per diligence en met paard en wagen. Er waren ook enkele stoombootdiensten met het westen van Nederland vanuit de havens in de Langstraat, waaronder de Capelse haven. Deze waren vooral belangrijk voor de veehouders en veehandelaren, want zij moesten regelmatig met hun vee naar de veemarkt in Rotterdam. Vanuit de Capelse haven werd er ook veel hooi naar Rotterdam vervoerd. Jaarlijks gingen ongeveer 800 schepen de Capelse haven in en uit. Zij vervoerden in totaal 40000 ton. Ongeveer 10 schepen van meer dan 10 ton hadden hun thuishaven in Capelle.
De landbouw, handel en industrie in de Langstraat (vooral de schoenindustrie en lederindustrie) hadden problemen met het transport van hun goederen. Een spoorlijn zou de oplossing voor het vervoersprobleem zijn. Er werd flink gelobbyd bij de regering en in 1875 ging de Tweede Kamer akkoord met de aanleg van een spoorlijn. Deze zou lopen tussen Lage Zwaluwe en 's-Hertogenbosch. In de periode 1886-1890 werd de Langstraatspoorlijn aangelegd. Deze spoorlijn kreeg al gauw de bijnaam "halve zolenlijntje", omdat vooral de schoen- en lederindustrie er gebruik van maakte. Ook Capelle kreeg een station. Voor de Capellenaren was de ligging van het station echter zeer ongelukkig: het lag helemaal aan de oostzijde van het dorp. In 1893 werd dat probleem opgelost: op de hoek van de Heistraat en Nieuwevaart kwam een nieuw station. Capelle beschikte vanaf dat moment over twee stations.
Aan het einde van de 19e eeuw werd begonnen met het graven van de Bergse Maas. Deze werd gegraven om de rivieren Maas en Waal te scheiden, waardoor er minder kans was op overstromingen. De Bergse Maas kwam ten noorden te liggen van het Oude Maasje en werd in 1904 officieel in gebruik genomen.
Capelle ging de 20e eeuw binnen en bleef qua karakter een echt boerendorp. Verder was de middenstand goed vertegenwoordigd en waren er drie schoenfabrieken en een meelfabriek. Opvallend was dat Capelle vrij veel renteniers kende, die "teerden op de spaarzaamheid van hun voorouders". Begin 20e eeuw ontstond er glastuinbouw in Capelle. Deze sector kon zich vanwege de ideale waterbeheersing goed ontwikkelen.
De oorlog ging niet aan Capelle voorbij. In de oorlogsperiode was onder andere in Capelle, maar in feite in heel de Langstraat, de verzetsgroep André actief in het verzet tegen de Duitsers. Capelle werd eind oktober 1944 bevrijd, maar de oorlog was toen nog niet voorbij: tot eind januari 1945 lag de hele Langstraat midden in het frontgebied. De geallieerden hadden de Langstraat bevrijd, maar aan de overzijde van de Bergsche Maas, het Land van Heusden en Altena, waren de Duitsers nog heer en meester. Er volgden zware beschietingen. De trieste balans van de strijd rond het Capelse Veer: honderden doden en gewonden.
Na de oorlog moest er in Capelle veel herbouwd worden. In 1950 stopte op de Langstraatspoorlijn het personenvervoer. Niet veel later stopte ook het goederenvervoer. Capelle ontkwam niet aan de watersnood van 1953: er ontstond voor honderdduizenden guldens schade. Gelukkig waren er geen slachtoffers te betreuren, omdat de dijken grotendeels intact bleven.
Aan het eind van de jaren '60 kwam Capelle aan een snelweg de liggen: de Maasroute A59. In 1986 werd begonnen met het verwijderen van de rails en bielzen van de oude spoorlijn. Momenteel ligt er een fietspad: het Halve Zolenpad.
Ondanks twee gemeentelijke herindelingen blijft Capelle zijn eigen karakter behouden. Een stukje van het "oude" Capelle is zelfs teruggekomen: in 1998 werd de binnenhaven van Capelle weer gedeeltelijk open gelegd. 
35875 
4 's Heeraartsberg en Bergambacht, Zuid-Holland  4.783086776733398  51.92999056299371  De oude gemeente Bergambacht is ontstaan uit de twee afzonderlijke dorpen Bergambacht en 's Heeraartsberg, vroeger was Heeraartsberg belangijker dan Bergambacht. Nu is het dorp opgegaan in Bergambacht. De pijl wijst naar de plek waar het Kasteel stond
Ontstaan

Omstreeks 1250 bouwde heer Van den Berg slot 's-Heeraartsberg genoemd naar zijn zoon Aernout of Arend.
Geschiedenis

In 1321 stierf het geslacht Van den Berg uit en beleende graaf van Holland het slot aan zijn goede vriend Jan van Arkel.
Later kwam het landgoed in het bezit van de echtgenoot van Jacoba van Beieren, de heer Van Vliet te Oudewater.
Omstreeks 1513 is het slot, samen met dorp en kerk, door de 'Gelderschen" verwoest. Rond 1610 werd het weer herbouwd door Willem van Zuijlen van Nijeveld.
Het slot is in 1909 afgebroken.
Op de plaats waar eerder het kasteel stond, verrees een boerderij, met de naam 't Slot. Boven de ingang van de boerderij was een wapensteen ingemetseld uit 1610 van het afkomstig kasteel.
Boerderij 't Slot is in oktober 2007 afgebroken om plaats te maken voor een appartementencomplex. Tijdens archeologisch onderzoek na afbraak van de boerderij waren er resten van funderingen te zien uit de 13de en 17de eeuw. Tevens werden er o.a. twee grote natuurstenen kanonskogels, glas, een bronzen mantelspeld, delen van een 16de eeuws bierglas, een zilveren muntje en een zeldzame musketkogel, plus de mal waarmee deze werden gemaakt, gevonden

Huidige situatie
Het originele hek, dat toegang gaf tot de oprijlaan, werd in 1964 verplaatst naar Cothen, waar de baron Van Hardenbroek nog een buitenhuis bezit. Het hek dat nu voor de oprijlaan naar boerderij 't Slot staat, is een replica.
Op de plek waar de boerderij 't Slot stond, verrijst binnenkort een appartementsgebouw. Inspiratie voor dit project vormde het statige Slot 's Heeraartsberg dat hier van 1610 tot 1909 heeft gestaan. 
132669 
5 's Herenloo, Ermelo, Gelderland  5.596949  52.314827  Enige gevonden vermelding
Harderwijk
Het Linnaeustorentje is een achtkantige laat-gotische traptoren (16de eeuw, gerestaureerd in 1907) van een verdwenen stadsgebouw van de Commanderij 's-Heerenloo
Verder is het een zorg instelling in Ermelo. 
35418 
6 's-Graveland, Noord-Holland  5.120787620544434  52.245355436493305  's-Graveland is een dorp in de gemeente Wijdemeren in de provincie Noord-Holland. Tot 2002 was het de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. Het dorp ligt circa 5 km ten westen van Hilversum, en ligt net ten oosten van Kortenhoef.
's-Graveland was vanaf de zeventiende eeuw in trek bij rijke Amsterdammers, die zich er vestigden op negen landgoederen en buitenplaatsen.
Een bekende buitenplaats is Schaep en Burgh, thans het hoofdkwartier van de Vereniging Natuurmonumenten. Verder zijn de buitenplaatsen Bantam, Gooilust en het opvallende kasteeltje Trompenburgh, redelijk bekend.
De 's-Gravelandse Vaart, waaraan de meeste huizen staan, was vroeger een belangrijke verbindingsroute tussen Amsterdam en Hilversum. Vanwege het zuivere water vestigden zich hier veel wasserijen.
's-Graveland heeft verder nog een historische Hervormde Kerk, gebouwd in 1657 door de Amsterdamse stadsarchitect Daniël Stalpaert en een paar café's.
Bekende inwoners van 's-Graveland
* Boer, Jelle de
's-Graveland is een dorp in de gemeente Wijdemeren in de provincie Noord-Holland. Tot 2002 was het de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. Het dorp ligt circa 5 km ten westen van Hilversum, en ligt net ten oosten van Kortenhoef. Een deel van het dorp is sinds 1986 een beschermd dorpsgezicht.
's-Graveland en Kortenhoef staan bekend om het zuivere water, waardoor zich veel wasserijen hier vestigden.
Geschiedenis
's-Graveland ontwikkelt zich snel in de 16de en vooral 17de eeuw. In 1644 werd de eerste schipper benoemd om een regelmatige veer- en trekschuitendienst op Amsterdam te onderhouden. In 1648 komt er een school en wordt een schoolmeester aangesteld. In 1649 wordt de eerste jaarlijkse paardenmarkt gehouden. In 1657 wordt de Hervormde Kerk gebouwd door de Amsterdamse stadsarchitect Daniël Stalpaert. In deze kruiskerk is een Hemony-klok uit 1655. In 1824 wordt er een Bätz-orgel geplaatst.
Buitenplaatsen
's-Graveland is vanaf de zeventiende eeuw in trek bij rijke Amsterdammers, die daar landgoederen en buitenplaatsen bouwen, erven of kopen, zoals:
Bantam, van de Natuurmonumenten;
Boekesteyn, van de Natuurmonumenten; hier woonde de familie Dedel en later de familie Hooft Graafland;
Gooilust, van de Natuurmonumenten; heeft een mooi sterrenbos
Hilverbeek aan de Leeuwenlaan;
Land en Bosch
Schaep en Burgh, thans het hoofdkwartier van de Vereniging Natuurmonumenten;
Schoonoord, van de Vereniging Natuurmonumenten;
Spanderswoud
Sperwershof
Spiegelrust
Swaenenburgh, later tijdelijk Swaenenburgh genoemd.
Trompenburgh, gebouwd door Cornelis Tromp, in bruikleen aan het Rijksmuseum te Amsterdam.
De 's-Gravelandsevaart, waaraan de meeste huizen staan, was vroeger een belangrijke verbindingsroute tussen Amsterdam en Hilversum. Vervoer per schip werd vaak verkozen boven vervoer per rijtuig omdat de weg bijna nergens verhard was.
In het Rampjaar 1672 wordt veel schade door de Fransen aangericht. Huizen worden verwoest, bewoners vermoord. In 1673 vertrekken de Fransen en wordt veel herbouwd. Nieuwe tuinen worden aangelegd, vreemd genoeg in Franse stijl.
's-Graveland is een dorp in de gemeente Wijdemeren in de provincie Noord-Holland. Tot 2002 was het de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. Het dorp ligt circa 5 km ten westen van Hilversum, en ligt net ten oosten van Kortenhoef. Een deel van het dorp is sinds 1986 een beschermd dorpsgezicht.
's-Graveland en Kortenhoef staan bekend om het zuivere water, waardoor zich veel wasserijen hier vestigden.
Geschiedenis
's-Graveland ontwikkelt zich snel in de 16de en vooral 17de eeuw. In 1644 werd de eerste schipper benoemd om een regelmatige veer- en trekschuitendienst op Amsterdam te onderhouden. In 1648 komt er een school en wordt een schoolmeester aangesteld. In 1649 wordt de eerste jaarlijkse paardenmarkt gehouden. In 1657 wordt de Hervormde Kerk gebouwd door de Amsterdamse stadsarchitect Daniël Stalpaert. In deze kruiskerk is een Hemony-klok uit 1655. In 1824 wordt er een Bätz-orgel geplaatst.
Buitenplaatsen
's-Graveland is vanaf de zeventiende eeuw in trek bij rijke Amsterdammers, die daar landgoederen en buitenplaatsen bouwen, erven of kopen, zoals:
Bantam, van de Natuurmonumenten;
Boekesteyn, van de Natuurmonumenten; hier woonde de familie Dedel en later de familie Hooft Graafland;
Gooilust, van de Natuurmonumenten; heeft een mooi sterrenbos
Hilverbeek aan de Leeuwenlaan;
Land en Bosch
Schaep en Burgh, thans het hoofdkwartier van de Vereniging Natuurmonumenten;
Schoonoord, van de Vereniging Natuurmonumenten;
Spanderswoud
Sperwershof
Spiegelrust
Swaenenburgh, later tijdelijk Swaenenburgh genoemd.
Trompenburgh, gebouwd door Cornelis Tromp, in bruikleen aan het Rijksmuseum te Amsterdam.
De 's-Gravelandsevaart, waaraan de meeste huizen staan, was vroeger een belangrijke verbindingsroute tussen Amsterdam en Hilversum. Vervoer per schip werd vaak verkozen boven vervoer per rijtuig omdat de weg bijna nergens verhard was.
In het Rampjaar 1672 wordt veel schade door de Fransen aangericht. Huizen worden verwoest, bewoners vermoord. In 1673 vertrekken de Fransen en wordt veel herbouwd. Nieuwe tuinen worden aangelegd, vreemd genoeg in Franse stijl. 
346 
7 's-Graveland, Schiedam, Zuid-Holland  4.403543472290039  51.93204591771622  's-Graveland is een voormalig buurtschap en polder, nu is het een wijk en bedrijventerrein. 's-Graveland ligt ten westen van Schiedamse Schie en viel onder de gemeente Kethel en Spaland. Het zuidelijke deel ligt binnen de bebouwde kom van Schiedam. De spoorlijn loopt door 's-Graveland.
Zie ook
's-Graveland een dorp in de gemeente Wijdemeren in de provincie Noord-Holland 
149304 
8 's-Gravenambacht, Pernis, Zuid-Holland  4.346573  51.884896  De gemeente Pernis annexeerde in 1834 de gemeente 's-Gravenambacht  38453 
9 's-Gravendeel, Zuid-Holland  4.616550  51.779528  's-Gravendeel is een plaats en voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De gemeente telde op 1 januari 2007 9.023 inwoners (bron: CBS) en had een oppervlakte van 20,81 km².
Per 1 januari 2007 is de gemeente samengevoegd met de gemeente Binnenmaas, tot de nieuwe gemeente Binnenmaas.
's-Gravendeel ligt in het oosten van de Hoeksche Waard aan de Dordtsche Kil en is via de Kiltunnel verbonden met Dordrecht. Het dorp is gesticht in 1593 in de oosthoek van de toen pas bedijkte polder Nieuw-Bonaventura. De scheldnaam voor inwoners van 's-Gravendeel is seuter. Dat is een in reuzel gebakken kleine aardappel. 
34835 
10 's-Gravenhage, Zuid-Holland  4.306812286376953  52.078029014540235  Den Haag of 's-Gravenhage (Haags: De Haag) is met 474.245 inwoners (1 juni 2007, bron: CBS) de derde gemeente van Nederland. De gemeente Den Haag maakt deel uit van het kaderwetgebied Haaglanden (980.000 inwoners). Den Haag is een niche-wereldstad omdat het een zeer belangrijke gespecialiseerde bijdrage levert aan de wereld op het gebied van recht en vredespolitiek. In Den Haag zetelen meer dan 150 internationale organisaties en de stad heeft een rijke geschiedenis in de internationale politiek. De stad wordt internationaal als "City of Peace and Justice" aangekondigd.
Hoofdstad of regeringszetel ?
Den Haag is de hoofdstad van de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het is ook de vestigingsplaats van de Nederlandse regering, het parlement en de Hoge Raad. Daarmee is het de de facto hoofdstad van Nederland. In buitenlandse gidsen en boeken wordt het soms ook als zodanig bestempeld. Formeel echter is Amsterdam de nationale hoofdstad, terwijl Den Haag veelal de residentiestad genoemd wordt.
Naam
Vanouds werd voor de plaats de naam Die Haghe of Den Hag(h)e gebruikt. Vanaf 1602/1603 gebruikte het stadsbestuur officieel de naam 's-Gravenhage, die als deftiger werd beschouwd en een samentrekking is van 'des Graven ha(a)ge' (oftewel: de Haag <=bos> van de Graaf ).
Sinds 1990 gebruikt de gemeente consequent de (verkorte) naam Den Haag (in plaats van 's-Gravenhage), ook al vanwege de internationalisering van de hofstad, haar huidige status van mondiaal justitieel centrum (IGH; VN-ISH), en tevens om aan te sluiten bij buitenlandse benamingen als The Hague (Engels), La Haye (Frans), Den Haag (Duits), Haag (Deens), La Haya (Spaans), L'Aia (Italiaans) en Haga (Roemeens).
In 1990 werd een voorstel om de gemeentenaam officieel in Den Haag te veranderen echter afgewezen. Beide namen zijn echter vanouds officieel toegestaan. Dit in tegenstelling Den Bosch, dat officieel alleen 's-Hertogenbosch heet.
In paspoorten/identiteitskaarten en officiële stukken die uitgegeven worden door de gemeente staat altijd: 's-Gravenhage. De spoorwegen en de ANWB-wegwijzers gebruiken de kortere naam Den Haag.
De naam 'Den Haag' heeft ook een figuurlijke betekenis, althans in zijn verkleinvorm, als hij gebruikt wordt als deel van een omschrijvende bijnaam voor andere plaatsen. Zo wordt Breda wel het Haagje van het Zuiden genoemd.
Stad of dorp?
Hoewel Den Haag in vrijwel alle opzichten een stad was, heeft het nooit formeel stadsrechten gehad. Hoewel Den Haag formeel een dorp bleef kreeg het al in de Middeleeuwen bestuurlijke instellingen die alleen in steden voorkwamen. Den Haag kreeg in 1806 van koning Lodewijk Napoleon en in 1810 van keizer Napoleon Bonaparte de eretitel stad. Dit gaf toen geen bijzondere rechten meer, want het stadsrecht was al in 1798 tijdens de Bataafse Republiek afgeschaft .
Lang voor die tijd had Den Haag al bijzondere privileges ontvangen, die Den Haag bestuurlijk het karakter van een stad gaven. Het waren echter de overige steden, die voorkwamen dat Den Haag, als zelfstandige stad, zitting kon nemen in het bestuur van het gewest Holland. Ook op andere terreinen had Den Haag de kenmerken van een stad:
* Den Haag had (sinds 1370) een eigen rechtbank en mocht eigen keuren (verordeningen) vaststellen;
* Den Haag had burgers, en alleen steden hadden burgers;
* Den Haag had een typisch stedelijk bestuur, met burgemeesters (sinds 1559), een secretaris (pensionaris) en een vroedschap (sinds 1451);
* Den Haag had een eigen schutterij;
* Den Haag had stedelijke rechten op economisch gebied: een jaarmarkt (sinds 1334), gilden, een lakennijverheid, bierbrouwerijen en andere typisch stedelijke nijverheid.
Het wettelijke verschil tussen stad en platteland is na de grondwet van 1848 en de Gemeentewet van 1851 definitief komen te vervallen.
Geschiedenis
Den Haag bestaat sinds 1230, toen graaf Floris IV van Holland op de plek, waar reeds een hofstede stond van Vrouwe Meilindis van Wassenaer, een bescheiden kasteel bouwde. In 1248 liet graaf Willem II, tevens Rooms Koning geworden, een meer passend kasteel bouwen aan het duinmeer, de huidige Hofvijver. Zijn zoon Floris V zorgde er na Willems vroegtijdige dood voor dat de Ridderzaal voltooid werd. Ze was voorzien van verguld dak en torenspitsen.
De Ridderzaal en het Binnenhof werden versterkt, maar het dorp eromheen kreeg nooit stadsrechten, al bleef Den Haag residentie van de graven van Holland en hun opvolgers. Den Haag kon groeien als compromis tussen de Hollandse steden, maar diezelfde steden zorgden ervoor dat Den Haag geen vestingstad werd. De oppervlakte van Den Haag was aanzienlijk en omvatte behalve het dorp Die Haghe, ook Haagambacht bestaande uit het vissersdorp Scheveningen, het bedevaartsoord Eikenduinen, Halfloosduinen en de heerlijkheid Nieuwveen), dat thans Nootdorps grondgebied is.
15e eeuw
Aan het eind van de langdurige Hoekse en Kabeljauwse twisten werd Den Haag, niet beschermd door wallen en singels, in juli 1479 ingenomen en geplunderd door Wolffert van Borssele en Reynier van Broeckhuysen.
16e eeuw
In 1528 werd Den Haag geplunderd door de Gelderse veldheer Maarten van Rossum, die een groot deel van de nederzetting buiten het grafelijk kasteel platbrandde.
Ook tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog werd Den Haag genadeloos geplunderd en raakte het nagenoeg ontvolkt. De stad was het Spaanse hoofdkwartier tijdens het beleg van Leiden.
Al zeker sinds circa 1400 telde Den Haag enkele duizenden inwoners, waardoor het in feite eerder een stad dan een dorp was. Een stad placht in die tijd echter een zeer verregaande mate van zelfbestuur te hebben en de graven van Holland (en later hun opvolgers, de hertogen van Bourgondië en de Habsburgers) verkozen het om het in hun eigen residentie zelf voor het zeggen te hebben. Vanaf 1581 zette de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden deze praktijk voort, omdat Den Haag de plaats was waar het hoogste regeringsorgaan, de Staten-Generaal, resideerde.
Ook was het stadhouderlijk hof daar gevestigd. Aanvankelijk had het er in de jaren 1580 nog om gespannen of het verwoeste Den Haag weer zou worden opgebouwd; de machtige stad Delft wilde in haar directe omgeving de opkomst van een gevaarlijke rivaal liever verhinderen, mede omdat de stad Delft wenste dat de Staten-Generaal zich blijvend in Delft zou vestigen. Uiteindelijk werd toch tot wederopbouw besloten, en de Staten-Generaal bleven in Den Haag gevestigd.
17e en 18e eeuw
In 1622 telde Den Haag 16.000 inwoners. In de 17e eeuw werd Den Haag omgeven door grachten, die door stadhouder prins Maurits als aanzet tot volledige vestingwerken waren aangelegd, maar van de geplande echte verdedigingswerken kwam verder niets. Aan het eind van de 18e eeuw was het bevolkingsaantal opgeklommen tot ongeveer 40.000, waarmee dit "dorp" de op twee na grootste nederzetting van Nederland was geworden (na Amsterdam en Rotterdam). Door de aanwezigheid van het stadhouderlijk Hof, de Staten-Generaal en buitenlandse diplomaten en (buitenlandse) adel had Den Haag een veel aristocratischer karakter dan de meeste andere Nederlandse steden. Er was een groot contrast tussen de aristocratische wijk rondom het Binnenhof en Voorhout en de meer volkse delen van het "dorp".
19e eeuw
Pas in 1806, onder Frans bewind, kreeg Den Haag zijn stadsrechten, maar in die tijd was een vestingmuur eerder een keurslijf dan een voordeel: Den Haag bleef zonder omwalling en kon zich op ruime schaal uitbreiden. In 1834 wordt Den Haag uitgebreid met het Rijswijkse gehucht 't Sluijsje (Rijswijk) , gelegen aan de zuidgrens van Den Haag, nabij het Rijswijkseplein. Toen station Hollands Spoor werd aangelegd, gebeurde dat aanvankelijk nog op Rijswijks grondgebied. Eerst enkel jaren laten zou in 1844 een stuk Rijswijks grondgebied worden geannexeerd vanaf het Rijswijkseplein. Het inwonertal was toen ruim 70.000. Omstreeks 1870 zou het aantal van 100.000 worden gehaald, en rond 1900, in de fin de siècle-tijd van Louis Couperus, telde de stad ongeveer 200.000 inwoners. Ten zuiden van de oude binnenstad ontstonden toen dichtbevolkte arbeiderswijken (Laakkwartier, Schilderswijk, enz.), terwijl tegen de duinkant nieuwe wijken voor de meer gefortuneerde burgers gebouwd werden (Statenkwartier, Duinoord, Archipelbuurt, enz.). In die tijd speelde Den Haag ook in kunstzinnig opzicht een belangrijke rol vanwege de schilders van de Haagse School. In 1872 vond tijdens het Haagse congres van de Eerste Internationale de splitsing plaats tussen de anarchisten (Michail Bakoenin) en de marxisten (Karl Marx).
20e eeuw
In 1899 vond in Den Haag de Eerste Haagse Vredesconferentie plaats, die leidde tot de oprichting van het Permanent Hof van Arbitrage, dat in Den Haag gevestigd werd. De Amerikaanse staalmagnaat Andrew Carnegie schonk een bedrag van $ 1.500.000 voor de bouw van het Vredespaleis (gebouwd tussen 1907 en 1913), waarin dit hof zou zetelen. Later werd ook het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis gevestigd. In 1920 en 1964 vonden in Den Haag Universele Esperantocongressen plaats.
Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog, op 3 maart 1945, kwamen tijdens het Bombardement op Bezuidenhout 510 mensen om het leven. Het bombardement werd uitgevoerd door de geallieerden en had als doel de vernietiging van de mobiele V-2-lanceerinrichtingen van de Duitsers.
In de 20e eeuw heeft Den Haag gebieden geannexeerd wegens ruimtegebrek. De voormalige gemeente Loosduinen werd in 1923 als eerste samengevoegd met Den Haag.
Op 1 januari 1960 telde Den Haag 605.876 inwoners. In de veertig jaar daarna is dit drastisch teruggelopen tot iets meer dan 441.000 inwoners in 1999. (bron: CBS)
Met ingang van 1 januari 2002 zijn de nieuwbouwwijken Leidschenveen en Ypenburg als gevolg van grenscorrecties toegewezen aan Den Haag, ten koste van Leidschendam, Nootdorp, Pijnacker, Rijswijk en Voorburg. Hierdoor is het bevolkingsaantal inmiddels weer in stijgende lijn en momenteel telt de stad ruim 475.000 inwoners.
De groene stad
Den Haag wordt "De groene stad aan zee" genoemd. Dat komt doordat Den Haag binnen haar stadsgrenzen::
* Een aantal landgoederen heeft o.a.: Arendsdorp, Blommendaal, Landgoed Clingendael, Duindigt, Duinweide, Meer & Bos, Ockenburgh (in 1931 geannexeerd), Oostduin, Oosterbeek (in 1953 gekocht), Reijgersbergen (in 1956 gekocht), Sorghvliet en Te Werve.
* Veel parken heeft o.a.: het Rosarium, St. Hubertuspark, Marlot, de Paleistuin, Wapendal, Westbroekpark en Zuiderpark.
* Bossen heeft o.a. Scheveningse Bosjes, Nieuwe Scheveningse bos, Haagse bos, Bosjes van Pex.
* Veel straatbomen heeft, bijna 85.000.
* Veel monumentale bomen heeft. Het waren er in 1358, voordat de kastanjeziekte toesloeg. Het is nog niet duidelijk hoeveel kastanjes er nog gekapt moeten worden.
Stadsdelen en wijken
Den Haag telt acht stadsdelen. Elk van deze stadsdelen heeft een eigen stadsdeelkantoor, waar de meeste gemeentelijke diensten zijn gehuisvest. Dankzij die stadsdeelkantoren is de gemeente voor veel zaken makkelijker bereikbaar. De huidige indeling in stadsdelen is in 1988 vastgesteld door de gemeenteraad. De indeling in wijken en buurten die toen werd geïntroduceerd wijkt af van de bekende wijk- en buurtindeling die sinds 1953 werd gebruikt.
* Centrum
o Archipelbuurt
o Centrum
o Groente- en Fruitmarkt
o Schilderswijk
o Stationsbuurt
o Transvaal
o Willemspark
o Zeeheldenkwartier
* Escamp
o Bouwlust / Vrederust
o Leyenburg
o Moerwijk
o Morgenstond
o Rustenburg/Oostbroek
o Wateringse Veld
o Zuiderpark
* Haagse Hout
o Benoordenhout
o Bezuidenhout
o Haagse Bos
o Mariahoeve
o Marlot
* Laak
o Laakkwartier en Spoorwijk
o Binckhorst
* Leidschenveen-Ypenburg
o Forepark
o Hoornwijk
o Leidschenveen
o Ypenburg
* Loosduinen
o Bohemen en Meer en Bos
o Kijkduin en Ockenburg
o Kraayenstein en De Uithof
o Loosduinen
o Waldeck
* Scheveningen
o Belgisch Park
o Duindorp
o Duinoord
o Geuzen- en Statenkwartier
o Oostduinen
o Scheveningen
o Van Stolkpark en Scheveningse Bosjes
o Westbroekpark en Duttendel
o Zorgvliet
* Segbroek
o Bomen- en Bloemenbuurt
o Regentessekwartier
o Valkenboskwartier
o Vogelwijk
o Vruchtenbuurt
Inwoners
* Centrum (stadsdeel Den Haag) ± 100.000 inwoners
* Escamp ± 113.000 inwoners
* Haagse Hout ± 42.040 inwoners
* Leidschenveen-Ypenburg ± 40.000 inwoners
* Laak ± 38.200 inwoners
* Loosduinen ± 47.500 inwoners
* Scheveningen ± 56.000 inwoners
* Segbroek ± 59.000 inwoners +
Totaal: 495.740 inwoners 
857 
11 's-Gravenland, Capelle aan den IJssel, Zuid-Holland  4.562553  51.915472  's-Gravenland is een woonwijk in het westen van Capelle aan den IJssel en grenst aan de wijken Middelwatering, Capelle-West, Fascinatio en aan de Rotterdamse wijk Kralingse Veer. De wijk ligt aan de Abram van Rijckelvorselweg, de Algeraweg en de rivier de Hollandsche IJssel. Het vlakbij gelegen metrostation Capelsebrug is een knooppunt voor metro's en bussen en ligt op loopafstand van de wijk (er rijden tevens bussen naar het metrostation).
Uiterlijk van de wijk
De wijk is vriendelijk voor kinderen; er zijn diverse speelplaatsen. Ook is er veel groen te vinden in de wijk en een overzichtelijk winkelcentrum. 's-Gravenland staat in het teken van muziek. Dat is niet alleen te zien aan de straatnamen (Brahmsstraat, Bachstraat, Franckstraat, van Beethovenlaan enz.), maar ook aan de bruggen over de sloten en de rotondes. Zo is er een brug in de vorm van een piano, van een gitaar en van een blokfluit. De rotondes zijn gekenmerkt met een muziekinstrument, zoals een harp, gitaar of trompet. 
35495 
12 's-Gravenpolder, Borsele, Zeeland  3.90333333333333  51.4597222222222  's-Gravenpolder is een dorp in de gemeente Borsele, in de Nederlandse provincie Zeeland. Het dorp heeft 4570 inwoners (2005) en is daarmee de tweede kern van de gemeente.
Het dorp is vrij explosief gegroeid, doordat het tot voor kort als groeikern voor de gemeente was aangewezen. Tijdens die periode werden er relatief veel woningen in de vrije sector gebouwd.
Midden in het dorp staat een gotische kerk uit de 14e eeuw. Aan de rand van het dorp staat molen "De Korenhalm" uit 1876, die nog steeds in gebruik is.
Een groot deel van de bevolking van 's-Gravenpolder is lid van de Gereformeerde Gemeente.
Tot de gemeente behoorde ook de in 1816 opgeheven gemeente Zwake. 
39953 
13 's-Gravensloot, Utrecht  4.8790669441223145  52.09381180738805  s-Gravensloot is een is een landweg aan de meest noordelijke rand van de stad Woerden waaraan voornamelijk vrijstaande huizen zijn gelegen. Op werkdagen tijdens de ochtend- en avondspits is de weg alleen geopend voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer.
De gemeente Kamerik
De gemeente Kamerik ontstond in 1811 uit de heerlijkheid Kamerik en de Houtdijken. De gemeente is in 1817 gesplitst in Kamerik-Houtdijken, Kamerik-Mijzijde en 's-Gravensloot. Die splitsing heeft geduurd tot 1857. In de tijd van de splitsing werd wel het onderwijs door de gemeenten gezamenlijk verzorgd en betaalden de gemeenten ook gezamenlijk het salaris van de koster. In 1857 werden de vier voormalige gemeentes Kamerik-Houtdijken, Kamerik-Mijzijde, 's-Gravesloot en Teckop tot de nieuwe gemeente Kamerik samengevoegd.
Het wapen van de gemeente Kamerik was eerder het wapen van de heerlijkheid Kamerik en de Houtdijken.
De gemeente is in 1989 opgegaan in Woerden.
De smalle straat wordt veel gebruikt door recreanten om te fietsen en te wandelen. Er zijn drie gemeentelijke monumenten aan de straat gelegen: huisnummers 19-20, 38-39 en 101.
De in Nederland beschermde en zeldzame steenbreekvaren (Asplenium trichomanes) groeit hier.
Aan de oostzijde komt de 's-Gravensloot uit op de provinciale weg naar Kamerik. Aan de westelijke zijde loopt de weg dood bij de jachthaven van Woerden bij de Grecht. Hier is tegenwoordig een voetgangerspontje die de weg naar Zegveld ontsluit voor voetgangers en fietsers, maar het pontje is nogal eens defect door vandalisme.
De gemeente Woerden heeft rond 1995 plannen gehad om ten noorden van de 's-Gravensloot nieuwbouw te realiseren, er is echter besloten dit deel van het Groene Hart vooralsnog te ontzien, en het agrarische karakter van de omgeving te behouden. 
60945 
14 's-Gravenvoeren, Limburg, België  5.760945  50.758816  s-Gravenvoeren (Limburgs: 's-Gravevoere, Frans: Fouron-le-Comte) is de bekendste en ook historisch belangrijkste deelgemeente van de gemeente Voeren, een faciliteitengemeente in het Arrondissement Tongeren in Belgisch-Limburg (Vlaams Gewest, België). Het is een lintdorp langs het riviertje de Voer. 's-Gravenvoerens postcode is 3798.
Geschiedenis
Het dorp maakte deel uit van het graafschap Dalhem, dat oorspronkelijk zelfs Voeren heette en vanuit 's-Gravenvoeren bestuurd werd, tot de graaf een burcht bouwde in Dalhem, dat daarna ook wel "'s-Gravendal" genoemd werd (naar analogie met "'s-Gravenvoeren"). 
32825 
15 's-Gravenwezel, Antwerpen, België  4.554991722106934  51.26061506445351  's-Gravenwezel is een deelgemeente van de gemeente Schilde in de Belgische provincie Antwerpen (arrondissement Antwerpen). 's-Gravenwezel was een zelfstandige gemeente tot einde 1976. 's-Gravenwezel heeft een oppervlakte van 14,95 km² en telde in 2006 6358 inwoners.
De ontstaansgeschiedenis van de gemeente en andere informatie is te vinden onder het lemma Schilde. 
67845 
16 's-Gravenzande, Zuid-Holland  4.16472222222222  52.0019444444444  's-Gravenzande (Westlands dialect: t Breeë Durp) is een stad met 19.190 inwoners in het Westland, in de gemeente Westland (provincie Zuid-Holland). Het is tevens de grootste plaats in de gemeente.
Het netnummer van 's-Gravenzande is 0174 en de postcodes zijn 2691, 2692, 2693 en 2694.
's-Gravenzande heeft als enige plaats in het Westland een historie als stad: het kreeg in 1246 stadsrechten van Graaf Willem II van Holland, die er net als zijn vader Graaf Floris IV geregeld verbleef. Aan het grafelijk hof heeft 's-Gravenzande de helft van zijn naam te danken. Het element ~zande verwijst naar de verzande Maasmonding, waarbij de plaats ontstaan is.
's-Gravenzande was tevens een bedevaartplaats: gravin Machteld van Brabant, de moeder van Willem II, had aan de kerk die zij er had laten bouwen een madonnabeeld geschonken waaraan wonderen werden toegeschreven.
Tot 1 januari 2004 was 's-Gravenzande een zelfstandige gemeente met daarin ook het dorp Heenweg. Daarna is zij met buurgemeenten opgegaan in de nieuwe gemeente Westland. Tot 1914 behoorde ook Hoek van Holland tot de gemeente 's-Gravenzande. 
32917 
17 's-Heer Arendskerke, Zeeland  3.824793  51.491132  's-Heer Arendskerke is een dorp in de gemeente Goes, in de Nederlandse provincie Zeeland. Het dorp heeft 1320 inwoners (2004).
Geschiedenis
's-Heer Arendskerke werd ook wel; 's Heer-Arendskerke, Aernoutskerke, Ser Arnoudskerke of Sraskerke genoemd. Zoals vele dorpsnamen eindigen op kerke is waarschijnlijk ook hier het woord kerke verbonden met de persoonsnaam van de stichter, een voorname telg uit het geslacht Van Schenge.
De Heren Van Schenge bouwden op een plaats net ten zuiden van het dorp een kasteel dat later verviel en waarvan de stenen werden gebruikt als dijkversteviging. Deze Heren hadden het recht van aanwas van al het land tussen Beveland en Walcheren en speelden dus een belangrijke rol bij de westwaartse bedijkingen.
De eerste vermelding was in 1275 als dochterparochie van het nabijgelegen en oudere Wissekerke. Op haar beurt was 's Heer Arendskerke (kerk gewijd aan St. Pieter) weer de moederkerk van Baarsdorp.
Was het in de vorige eeuwen nog een belangrijk dorp. Anno 2005 is het dorp met ruim 1300 inwoners in vergelijking met vele andere nog maar bescheiden in omvang en voor een flink deel van haar voorzieningen (onder andere winkels, onderwijs en theater) afhankelijk van onder andere Goes en het nabijgelegen Heinkenszand.
Overheid
Voor 1970 was 's-Heer Arendskerke een zelfstandige gemeente, daarna is het noordelijk deel (inclusief dorp) gevoegd bij de gemeente Goes en de rest werd opgenomen in de nieuwe gemeente Borsele. 
37167 
18 's-Heer Hendrikskinderen, Goes, Zeeland  3.861915  51.502967  's-Heer Hendrikskinderen is een dorp in de gemeente Goes, in de Nederlandse provincie Zeeland. Het dorp heeft 1340 inwoners (2004).
Het dorpje ligt op een uitloper van een kreekrug, waarop ook Goes ontstaan is. De kerk waar het dorpje naar vernoemd is, werd in 1805 vervangen door een zaalkerkje. De laatste jaren wordt er rond dit dorpje volop gebouwd.
Bekende (ex-)inwoners
Marten Wiersma, politicus.
Geboren in 's-Heer Hendrikskinderen
Willem Lodewijk Harthoorn, verzetsman.
Anjolie Wisse, atlete. 
703 
19 's-Heer-Abtskerke, Borsele, Zeeland  3.880852  51.470627  's-Heer Abtskerke (Zeeuws: Sgrabbekerke) is een klein dorp in de gemeente Borsele, in de Nederlandse provincie Zeeland. Het dorp is gelegen op het zuidelijk deel van schiereiland Zuid-Beveland, de zogenaamde “Zak van Zuid-Beveland”, alwaar de omgeving voornamelijk bestaat uit kleine dorpjes, polders, dijken, welen en kreekresten. Het dorp heeft 520 inwoners (2005). Het deelt de brandweer met 's-Gravenpolder.
Het dorp ligt in het natuurgebied de Poel. Het is vernoemd naar de abten van de Middelburgse abdij, die in de 13e eeuw het gebied in bezit had gekregen van Dirk VII, graaf van Holland, en hier een kapel had gesticht, de voorloper van de huidige kerk. Zoals in veel dorpen staat de kerk in het centrum van het dorp. De kerk is gotisch en stamt uit de 15e eeuw.
Tot de gemeente behoorde ook de in 1816 opgeheven gemeenten Baarsdorp en Sinoutskerke. 
645 
20 's-Heerenberg, Gelderland  6.24583333333333  51.8763888888889  's-Heerenberg is een stad in de gemeente Montferland, provincie Gelderland en telt ongeveer 8000 inwoners (2003). 's-Heerenberg verkreeg op 8 september 1379 stadsrechten van Willem I van den Bergh.
Bezienswaardigheden
Het stadje is interessant voor toeristen en geïnteresseerden in geschiedenis om te bezoeken. In 's-Heerenberg bevindt zich het kasteel Huis Bergh, waar de heren van den Bergh zetelden. In het kasteel zijn tal van schilderijen van oude Italiaanse meesters te bezichtigen. Ook het oude stadscentrum met onder andere de stadsomwalling en De Plantage, een soort bostuin van Huis Bergh, trekken veel toeristen. In de directe omgeving ligt het natuurgebied Montferland, een heuvelachtig bosgebied dat door fietsers, wandelaars en paardrijders druk bezocht wordt.
's-Heerenberg staat bekend om carnaval, boven de rivieren is dit (samen met het Twentse Oldenzaal) 'het Mekka van de carnaval'. De diverse optochten zijn meer dan de moeite waard te bekijken. Tijdens carnaval is 's-Heerenberg bekend onder de naam Waskupenstad. Leuke details zijn dat zowel Burgers' Zoo als het Afrika museum (tegenwoordig in Berg en Dal) hun oorsprong in 's-Heerenberg hebben. Het Afrika museum is begonnen in het voormalig klooster Don Rua waar tot 1999 het bekende creativiteitscentrum Gouden Handen gevestigd was. De toenmalige paters, die naar Afrika reisden, besloten een museum op te richten.
Door het boek "Pim Pandoer en de Heks van 's-Heerenberg" genoot de stad in de vorige eeuw van enige bekendheid. Het verhaal is gebaseerd op een oude weduwe met de naam Mechteld ten Ham die van verschillende zaken door de toenmalige 's-Heerenbergse bevolking beschuldigd werd. Dit vrouwtje werd op 26 juli 1605 op de brandstapel gezet bij De Laak in Azewijn. Algemeen wordt aangenomen dat Mechteld ten Ham de laatste heks van Nederland is. In 's-Heerenberg wordt rond augustus elk jaar een feest gevierd ter ere van de oude weduwe (het Mechteld Ten Ham-feest).
Het Neije Raethuys werd in 1531 gebouwd ter vervanging van het Ailde Raethuys aan de Kellenstraat. Vanoudsher is het raadhuis het bestuurscentrum van zowel de stad als van het land van den Berge. Vergaderingen van de magistraat en van de geërfden van het graafschap Bergh hebben hier plaatsgevonden. Daarnaast werd er recht gesproken. In de kelder bevond zich een gevangenis en heden ten dage is voor het raadhuis een schandpaal opgesteld. De raadhuisklok uit 1526 werd in vroeger tijden gebruikt om de burgers bijeen te roepen voor vergaderingen en bij een uitbraak van een ramp, zoals een brand. Het raadhuis werd in de jaren 1914-1918 gerestaureerd.
Verder is er ook nog de Boetselaersborg, een klein kasteeltje aan het Kattenburg. Dit kasteeltje behoort tot de bezittingen van Huis Bergh, en is niet van binnen te bezichtigen. 
33360 
21 's-Heerenhoek, Borsele, Zeeland  3.824793  51.491132  s-Heerenhoek is een dorp in de gemeente Borsele, in de Nederlandse provincie Zeeland. Het dorp heeft 1970 inwoners (2005).
Het dorp is ontstaan na de inpoldering van de Borsselepolder in 1616; het heette toen Calishoek. Het dorp ontstond op een kruispunt van dijken van verschillende polders. In 1672 werd hier een protestantse kerk gebouwd; inmiddels staat midden in het dorp een rooms-Katholieke kerk uit 1870. 's-Heerenhoek is een bekend uitgaanscentrum op Zuid-Beveland. Het dorp trekt ieder jaar veel bezoekers tijdens carnaval, wanneer het wordt omgedoopt in "Paerehat". Een beroemde inwoner van 's-Heerenhoek is oud-wielrenner Jan Raas. 
39952 
22 's-Herenelderen, Limburg, België  5.49694444444444  50.8069444444444  's-Herenelderen is een dorp in de Belgische provincie Limburg en een deelgemeente van de stad Tongeren. Het dorp heeft een oppervlakte van 3,42 km² en telde in 2001 545 inwoners.
's-Herenelderen is gelegen in Haspengouw op 5 kilometer ten noordoosten van Tongeren. De Demer, die in het naburige Ketsingen ontspringt, stroomt door het dorp. De oostgrens wordt gevormd door de autosnelweg E313 terwijl ook spoorlijn 34 van Hasselt naar Luik-Guillemins door het dorp loopt. Het station is echter reeds lang gesloten.
Geschiedenis
's-Herenelderen werd voor het eerst vermeld in 1233. Het vormde samen met Genoelselderen een gebied onder de naam Aldor. Het gebied behoorde toe aan het graafschap Loon. In 1261 werd het gebied gesplitst in twee heerlijkheden en Willem van Hamel gaf zijn naam aan de heerlijkheid 's-Herenelderen. Rond 1300 werden ook Schalkhoven en Sint-Huibrechts-Hern eigendom van de familie. Het gebied bleef in het bezit van de familie van Hamal tot 1501 toen het overging in handen van de familie de Renesse.
Ook kerkelijk werd 's-Herenelderen in 1261 een zelfstandige parochie. Voordien had de parochie afgehangen van de parochie Berg.
's-Herenelderen werd een zelfstandige gemeente en leefde voornamelijk van de landbouw. In de tweede helft van de 20e eeuw werd het dorp een woongemeente door lintbebouwing langs de weg van Tongeren naar Kleine-Spouwen. In 1971 verloor het dorp zijn zelfstandigheid en ontstond de fusiegemeente Elderen, bestaande uit 's-Herenelderen, Genoelselderen en Membruggen. In 1977 werd Elderen reeds ontbonden: 's-Herenelderen (het gedeelte ten westen van de E313) werd bij Tongeren gevoegd, terwijl Genoelselderen en Membruggen (het gedeelte ten oosten van de E313) bij Riemst gevoegd werden. 
36082 
23 's-Hertogenbosch, Noord-Brabant  5.304210  51.689222  's-Hertogenbosch of Den Bosch is een stad in de gemeente 's-Hertogenbosch, tevens de hoofdstad van de provincie Noord-Brabant, een van de drie zuidelijke provincies van Nederland. De Franse naam voor deze stad is Bois-le-Duc en de Duitse versie luidt Herzogenbusch. Haar Latijnse naam is Silva Ducis of Buscum Ducis. De stad maakt deel uit van het stedelijk netwerk BrabantStad.
's-Hertogenbosch is een van de oudste middeleeuwse steden van Nederland en is volgens de overlevering in 1185 gesticht door hertog Hendrik I van Brabant aan de samenloop van de Aa en de Dommel, die tegenwoordig samenkomen bij de Citadel in de stad. De zustersteden van 's-Hertogenbosch zijn Trier in Duitsland en Leuven in België. Daarnaast heeft de stad sinds 1997 een vriendschapsband met de Roemeense stad Focşani.
's-Hertogenbosch is lid van de Nederlandse Vereniging van Vestingsteden.
's-Hertogenbosch werd als stad officieel gesticht vanuit Orthen, een oud domein van de graven van Leuven. Op de locatie was vermoedelijk al eerder spontaan een handelsnederzetting ontstaan, hetgeen opmerkelijk is omdat de meeste plaatsen destijds bij een klooster of als agrarische nederzetting ontstonden. Al enkele decennia na de vorming van deze nederzetting, verleende hertog Hendrik I van Brabant stadsrechten, vermoedelijk tussen 1185 en 1196. De vroegste vermelding is in een document uit 1196. In die tijd was het niet zo gebruikelijk dergelijke rechten expliciet vast te leggen en veel andere (nieuwe) steden in de Nederlanden namen het Bossche geschreven stadsrecht als voorbeeld. 
32154 
24 't Goy, Houten, Utrecht  5.223097801208496  52.00208424729346  't Goy is een dorp in de gemeente Houten, in de Nederlandse provincie Utrecht; het is gelegen nabij Schalkwijk. Vanaf 1966 is het uitgegroeid van gehucht tot een klein dorp met nieuwbouw (vrijstaande bungalows). De aanvankelijk dichte beplanting met boomgaarden is voor een flink deel verdwenen. In 't Goy ligt landgoed Wickenburgh. Het landgoed heeft een wit landhuis met een duiventoren, oprijlaan en een groot bos achter het huis.
Het dorpje is in tweeën gedeeld, op enige afstand ligt het Nieuwe Goy waar een kerkje en oorspronkelijk twee cafés en een bakkerswinkel gevestigd waren, alsmede een R.K. school en een landbouwschool (thans dorpshuis). De bevolking was voorheen voornamelijk werkzaam in de landbouw/fruitteelt (appels, kersen enz.). Thans zijn het veel stedelingen die hier buiten zijn komen wonen. Het "Oude Goy" (plaatselijk ook wel "het Goyse Dorp" genoemd) had een openbare lagere school aan de Wickenburghseweg die een van de kleinste van het land was (tenslotte nog maar 8 leerlingen in 1969). Ook was in die jaren in het oude Goy een vakschool voor de fruitteelt gevestigd.
Aan de Tuurdijk zijn restanten van een Romeinse Villa ontdekt. Het is een van de drie Romeinse bouwwerken waarvan in de gemeente Houten sporen zijn gevonden. 
72118 
25 't Haantje, Sleen, Drenthe  6.82305555555556  52.8147222222222  't Haantje is een dorp in de gemeente Coevorden in de provincie Drenthe, met ongeveer 230 inwoners.
Het dorp is na de aanleg van het Oranjekanaal ontstaan. De herkomst van de naam is onzeker. Men vermoedt dat het de naam van een café is geweest, maar het waarom van de naam is onduidelijk. Het verhaal gaan dat de herbergier een struik bij huis had staan die in de vorm van een haan was geknipt.
Het bezit een zwembad dat de gemeente heeft willen sluiten, maar door protest van de bewoners werd besloten dat het zwembad toch kan blijven. Ook is er een voetbalclub, VV Theo genaamd (theo = 't Haantje en omstreken). 
34458 
26 't Harde, Elburg, Gelderland  5.879831314086914  52.41608959892025  't Harde is een dorp op de Veluwe in de gemeente Elburg in de Nederlandse provincie Gelderland. Het is een bosrijke plaats gelegen aan de A28, bekend van de militaire kazerne op de Woldberg.
Geschiedenis
't Harde is vernoemd naar de hardere ondergrond die hier was in vergelijking met omliggende gebieden. Als in 1875 wordt besloten een militair complex op de Woldberg aan te leggen, spreekt men nog van de legerplaats Oldebroek. In 1930 bestond 't Harde uit 39 huizen waarin 175 mensen woonden. In 1935 verrezen de eerste villa's waaronder Mariposa en de Vale Ouwe. Pas in 1953 zette de stormachtige ontwikkeling in die van 't Harde de grootste kern van de voormalige gemeente Doornspijk maakte. Eind 1963 stonden er al 670 woningen en er werden plannen ontwikkeld voor de bouw van minstens nog zo'n 600 in de wijken Strijbis en het bungalowpark.
Als symbool van een nieuw tijdperk mogen we wijzen op de bouw van het zwembad "De Hokseberg". Het ontwerp was van de Heidemij en gold als het mooiste van Nederland. Zo'n zwembad is tegenwoordig onmisbaar, al was het alleen maar om water bij de hand te hebben bij bosbranden. Zoiets gebeurde werkelijk op 18 juni 1970. Een hevige brand op het Artillerie Schietkamp bedreigde 't Harde, slechts op het nippertje werd het dorp gered. Drie villa's en drie huizen brandden af. Op het afgebrande stuk grond werden later woningen gebouwd.
Twee gemeentes
't Harde lag van oudsher in twee gemeentes; de gemeente Oldebroek en gemeente Elburg. Het deel ten noord-oosten van de Eperweg hoorde bij Oldebroek en de rest hoorde bij de gemeente Doornspijk. Op 26 maart 1974 werd door een gemeentelijke herindeling het Oldebroeker deel van 't Harde bij de nieuwe gemeente Elburg gevoegd. De tweedeling kun je nog zien in bijvoorbeeld de twee vestigingen van de Rabobank, één vallend onder Oldebroek en een onder Elburg. Ook wordt de wijk ten Noord-oosten van de Eperweg in volksmond nog steeds de Oldebroeker nieuwbouw genoemd.
't Harde heeft op 1 januari 2006 ongeveer 6000 inwoners en is daarmee na Elburg de grootste plaats in de gemeente. Het dorp ligt bij de A28 (Amersfoort-Zwolle) en heeft een station aan de spoorlijn tussen deze steden. De stoptrein stopt er 2 keer in het uur per richting.
De hoofdweg binnen het dorp van 't Harde is de Eperweg. De Eperweg is de doorgaande weg door 't Harde en verbindt Epe met de Zuiderzeestraatweg nabij Oostendorp. Deze 'weg naar Epe' oftewel Eperweg werd in 1853 verhard aangelegd en daardoor geschikt gemaakt voor het toenemende verkeer. In 1855 werd de weg voorzien van een grindlaag en kreeg het de naam Epergrintweg mee. Jaren later werd de weg voorzien van asfalt en sindsdien wordt de weg Eperweg genoemd. De Eperweg is onderdeel van de N309.
Bedrijventerreinen
't Harde heeft twee bedrijventerreinen. De eerste is de Koekoek, gelegen aan de noordzijde van het dorp. Tussen de spoorlijn Zwolle-Amersfoort en de A28, in het oosten van 't Harde ligt verder nog bedrijventerrein 't Spoor. Deze is te herkennen aan de hoge kranen die langs de A28 staan. 
74710 
27 't Heem, Vlagtwedde, Groningen  7.049016952514648  52.88612158186294  't Heem is tegenwoordig een wijk van Ter Apel in het Groningse Westerwolde (Nederland). Oorspronkelijk was het een gehucht even ten noorden van het kloosterdorp.
De huidige wijk wordt begrensd door de voormalige spoorlijn in het zuiden en de Nulweg in het noorden. De naam 't Heem betekent hoge boerenplaats. 
75828 
28 't Klooster, Aalten, Gelderland  6.539520621299744  51.89694709420044  't Klooster is een buurtschap in de gemeente Aalten, twee kilometer noordelijk gelegen van Bredevoort in de Gelderse Achterhoek. In de vijftiende eeuw heeft in deze buurtschap daadwerkelijk een klooster gestaan, te weten het klooster Nazareth, ook wel het klooster Schaer genaamd. Dit verdwenen klooster hoorde bij de beweging van de Moderne Devotie. In de nabije omgeving van dit klooster ligt de Kloosterschans een deel van een omvangrijk stelsel landweren. Daarnaast is er op 5 november 2005 een beeld onthuld. Het bronzen beeld, van de hand van de Eibergse kunstenaar Jan te Kulve, toont een bewoner van klooster Schaer in de kleding van zijn Orde (reguliere kanunniken van Sint-Augustinus). Sinds 1980 is het een zelfstandige buurtschap in de gemeente Aalten.  146950 
29 't Klooster, Usquert, Groningen  6.619480  53.429688  Zie ook de kaart. Een gehucht met twee huizen.  34262 
30 't Laar, Vaassen, Epe, Gelderland  5.950126647949219  52.30196040910632  't Laar (Nedersaksisch: ′t Laor) is een Nederlands buurtschap die enkele kilometers ten noordwesten van het Veluwse dorp Vaassen ligt, in de provincie Gelderland. Het gebied kenmerkt zich door een uitgestrekt weidegebied en wat akkers aan de rand van een bosrijke omgeving.
Evenementen en activiteiten
De buurtschap heeft een actieve buurtvereniging die een eigen blad uitgeeft en een eigen buurtgebouw (de Loarkit) exploiteert. 
66717 
31 't Lage van de weg, Uithuizen, Groningen  6.655098  53.411839  't Lage van de weg is een dorpje in de gemeente Eemsmond in de provincie Groningen. Het ligt direct ten westen van Uithuizen.
Het dorp ontstond in het midden van de negentiende eeuw. De naam verwijst naar de verhoging die naast de weg is ontstaan na een dijkdoorbraak in de veertiende eeuw. Op die verhoging staan een aantal boerderijen, die als buurt ook bekend zijn als Bovenhuizen. De huizen langs de weg liggen een stuk lager en heten daarom het Lage van de weg. 
170 
32 't Schot, Vlagtwedde, Groningen  7.083499431610107  52.863365411807095  't Schot is een gehucht vlak bij Ter Apel in de gemeente Vlagtwedde. Het ligt ten zuiden van Ter Apel, ten noorden en zuiden van het Ruiten-Aa-kanaal, waar dit samenkomt met het Ter-Apelkanaal.
Anders dan de aanpalende dorpen Burgemeester Beinsdorp en Agodorp, die beiden uit de twintigste eeuw stammen, wordt 't Schot, net als 't Heem aan de noordzijde van Ter Apel, al op oude kaarten vermeld. De oorsprong van het gehucht hangt samen met de stichting van het Klooster Ter Apel in de vijftiende eeuw. De naam verwijst naar een schot, dat is een stal of schuur. De monniken van het klooster lieten hier hun vee grazen.
Het oorspronkelijke gehucht wordt omgeven door een bos met dezelfde naam. 
132335 
33 't Veen, Muntendam, Groningen  6.861777305603027  53.123289748203966  Verder geen gegevens bekend, zie ook de oude kaart voor de locatie. Vroeger zullen hier waarschijnlijk veenhutten gestaan hebben.  32735 
34 't Veen, Siddeburen, Slochteren, Groningen  6.852315  53.231468  't Veen ligt 1 - 2 km ten z van de kerk in Siddeburen en bestaat uit enkele huizen en een opvallende houtwal in N-Z richting van ca 1700m en een breedte van ca 50m.  36335 
35 't Waar, Scheemda, Groningen  6.95194444444444  53.2252777777778  't Waar is een streekdorp in de gemeente Scheemda in de provincie Groningen (Nederland), gelegen in het kleigedeelte van het Oldambt. Het dorp ligt aan een oude oeverwal in de ingepolderde Dollard.
De naam van het dorp verwijst naar een sluis in het Ol Daipke. Woar of waar is een oud synoniem voor zijl het Groningse woord voor sluis. De Dollard werd in deze streek vanaf het einde van de zestiende eeuw op de zee teruggewonnen.
Voor de inpoldering liep hier de Menter A, het Oude Diepje zal daar en restant van zijn geweest. Tegenwoordig ligt het dorp tussen het Buiten Nieuwediep en het Termunterzijldiep. 't Waar vormt samen met Nieuw-Scheemda een dubbeldorp. 
32672 
36 't Woudt, Midden-Delfland, Zuid-Holland  4.293508529663086  51.99568880664141  't Woudt is een kerkdorp in de gemeente Midden-Delfland, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het dorp ligt tussen Den Hoorn en De Lier in. Het was tot 1819 een eigen gemeente en werd toen bij Schipluiden gevoegd.
Het dorp, dat vaak omschreven wordt als schilderachtig dorpje tussen de weilanden, wordt reeds in 1277 genoemd. Het is een klein dorp dat bestaat uit een laatgotisch kerkje, een paar boerderijen, enkele huizen, een herberg/café, een pastorie en een kosterswoning. In 2006 woonden er 36 mensen.
Het gehele dorp is beschermd dorpsgezicht. De omgeving van 't Woudt leent zich zeer goed voor fiets-, wandel- en skatetochten.
't Woudt is bereikbaar door op de A4 de afslag De Lier te nemen en de borden De Lier te volgen. Men komt dan terecht op de Woudseweg (N223). Als men na 1½ kilometer op die weg rechts afslaat komt men op een voor auto's doodlopende weg die de polder inloopt. Na 1 kilometer over deze weg rijdt men 't Woudt in.
Geschiedenis
In 1277 gaf Floris V de parochianen van ‘t Woudt het recht om de eigen pastoor voor te dragen. Dit was een belangrijk voorrecht dat maar zelden werd verleend. ‘t Woudt telde in 1561 twee boerderijen, negen kleine huisjes, een herberg, een pastorie en een kosterswoning. Het unieke is, dat dit aantal in de loop der tijden nauwelijks is veranderd. Op oude kaarten is te zien dat het patroon van de bebouwing tot op de dag van vandaag gelijk is gebleven. ‘t Woudt had ook een school, die zo'n goede naam had, dat niet alleen de Woudtse jongeren, maar ook kinderen van elders er naar toe kwamen. Het achterhuis van de huidige kosterswoning deed tot 1874 dienst als school. 
464 
37 't Zandt, Groningen  6.774244  53.366133  't Zandt is een klein dorp in de gemeente Loppersum in de provincie Groningen, Nederland. Het dorp heeft bijna 900 inwoners. Tot 1990 was 't Zandt een zelfstandige gemeente.
Het dorp is ontstaan als dijkdorp na de inpoldering van de voormalige Fivelboezem in de veertiende eeuw door monniken van het klooster Bloemhof. De naam verwijst naar een zandrug in de oude boezem. Dorpsbewoners wonen niet ín 't Zandt, maar óp 't Zandt.
Een opmerkelijk pand in het dorp (op het voormalige grondgebied van het dorp Leermens), is de zogenaamde sarrieshut. Deze hoorde bij de voormalige molen, de Leermenstermolen. Deze molen is in 1957 afgebroken, één roede ging naar een molen te Warffum. Bij iedere korenmolen in de provincie Groningen stond vroeger een sarrieshut. Dat was de woning van de chercher, de ambtenaar die belast was met de controle op de belasting op het gemaal. Het woord Chercher werd verbasterd tot sarries.
Even buiten het dorp ligt de boerderij Alberdaheerd. Hier stond vroeger een borg die bewoond werd door het geslacht Alberda. De borg is verdwenen, maar het borgterrein, met gracht, oprijlaan en bomen, is nog aanwezig. Tegenwoordig bevindt zich hier een sierviskwekerij.
't Zandt is gebouwd op een zandplaat die al bestond in de tijd dat de dijk op de lijn Godlinze, Schatsborg, Zeerijp als zeewering het achterland tegen het water beschermde. in die tijd liepen wadlopers al van de dijk naar de zandplaat en terug. Ze droegen stokken om de prielen makkelijker over te steken. Later hadden de wadloppers mooie wandelstokken. Vandaar de naam van de inwoners van 't Zandt " 't Zandster Handstokken".
Voormalige gemeente
De gemeente 't Zandt bestond tot 1990 naast het hoofddorp uit de dorpen, gehuchten en buurtschappen: Eenum, De Groeve, Kolhol, Leermens, Lutjerijp, Oosterwijtwerd, 't Zandstervoorwerk, Zeerijp en Zijldijk. 
32123 
38 1e Exloërmond, Odoorn, Drenthe  6.93388888888889  52.9280555555556  Eerste Exloërmond (of: 1e Exloërmond) is een klein dorp in de gemeente Borger-Odoorn, provincie Drenthe.
Het ligt vlakbij Nieuw-Buinen en Tweede Exloërmond. Eerste Exloërmond telde (volgens informatie van de gemeente Borger-Odoorn) op 1 januari 2006 390 inwoners (201 mannen en 189 vrouwen).
Het dorp, dat vlakbij de provinciegrens met
Groningen ligt, heeft een korte geschiedenis. Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd
genoemd. De 'mond' werd gegraven ten behoeve van het vervoeren van onder andere turf naar de stad Groningen.
Door de vervening die daardoor ontstond, werd het gebied bewoonbaar en groeide de bevolking zeer snel. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
Als alternatief voor vervoer per schip en personenvervoer werd er een spoorlijn aangelegd in het gebied, die vanaf 2 mei 1924 ook een halte in Eerste Exloërmond kende. Al op 15 mei 1935 werd de halte gesloten. Het enorme, statige stationsgebouw bleef tot in de jaren '70 staan.
In 2003 is er een kunstwerk geplaatst die herinnert aan de plek. De spoorrails liggen er nog wel.
Eerste Exloërmond kent, net als vele andere kleine nederzettingen in de regio, een continue bevolkingsafname. Dit terwijl de grotere plaatsen alleen maar groeien. 
66709 
39 2e Exloërmond, Odoorn, Drenthe  6.92833333333333  52.9063888888889  Tweede Exloërmond of 2e Exloërmond (Drents: Tweide Ekselermond) is een dorp in de Nederlandse provincie Drenthe, gemeente Borger-Odoorn. Tweede Exloërmond telde (volgens informatie van de gemeente Borger-Odoorn) op 1 januari 2006 2427 inwoners (1234 mannen en 1193 vrouwen). De officiële naam van het dorp is 2e Exloërmond, maar het is gebruikelijker de naam te spellen als Tweede Exloërmond.
Tweede Exloërmond is een veenkolonie, hoofdzakelijk bestaande uit lintbebouwing, die zich uitstrekt over een lengte van meer dan zes kilometer tot aan de provinciegrens met Groningen. Aan het zuideinde van het dorp bevindt zich naast het lint een nieuwbouwwijk.
In het dorp bevinden zich drie kerken: de Nederlands Hervormde kerk van de Protestantse Gemeente, een fraaie Baptistenkerk uit 1922 en een modern kerkgebouw van de Nieuw-Apostolische gemeente.
Tweede Exloërmond heeft de volgende voorzieningen: een bibliotheek, een openbare en protestants-christelijke basisschool, sportvelden, een supermarkt, een postagentschap en enkele horecagelegenheden.
In 2003 vierde het dorp zijn 150-jarig bestaan. In de ontginningstijd, midden negentiende eeuw, was het leven zwaar. Zowel het graven van kanalen en wijken als het steken van de turf werd met de hand gedaan. Voor de boeren die zich na de ontginning vestigden, was het moeilijk het land vruchtbaar te krijgen. Het had veel mest nodig, maar die was destijds schaars: kunstmest bestond nog niet. Daarnaast was de bereikbaarheid een probleem: pas in 1907 werd een verharde weg aangelegd naar Exloo.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het afgraven van turf gestaakt. Enerzijds was de meeste turf toen wel afgegraven, anderzijds was turf als brandstof overbodig geworden door de komst van andere brandstoffen. Het werd toen een probleem de vele veenarbeiders nieuw werk te verschaffen. Daar ook de werkgelegenheid in de landbouw langzaam terugliep, was dat geen gemakkelijke opgave. Gebrek aan werkgelegenheid is ook vandaag nog een probleem in de Veenkoloniën.
Eind 2006 kreeg het dorp nationale bekendheid door de verkrachting en moord op de 12-jarige inwoonster van dit dorp Suzanne Wisman.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Tweede Exloërmond of 2e Exloërmond (Drents: Tweide Ekselermond) is een dorp in de Nederlandse provincie Drenthe, gemeente Borger-Odoorn. Tweede Exloërmond telde (volgens informatie van de gemeente Borger-Odoorn) op 1 januari 2006 2427 inwoners (1234 mannen en 1193 vrouwen). De officiële naam van het dorp is 2e Exloërmond, maar het is gebruikelijker de naam te spellen als Tweede Exloërmond.
Tweede Exloërmond is een veenkolonie, hoofdzakelijk bestaande uit lintbebouwing, die zich uitstrekt over een lengte van meer dan zes kilometer tot aan de provinciegrens met Groningen. Aan het zuideinde van het dorp bevindt zich naast het lint een nieuwbouwwijk.
In het dorp bevinden zich drie kerken: de Nederlands Hervormde kerk van de Protestantse Gemeente, een fraaie Baptistenkerk uit 1922 en een modern kerkgebouw van de Nieuw-Apostolische gemeente.
Tweede Exloërmond heeft de volgende voorzieningen: een bibliotheek, een openbare en protestants-christelijke basisschool, sportvelden, een supermarkt, een postagentschap en enkele horecagelegenheden.
In 2003 vierde het dorp zijn 150-jarig bestaan. In de ontginningstijd, midden negentiende eeuw, was het leven zwaar. Zowel het graven van kanalen en wijken als het steken van de turf werd met de hand gedaan. Voor de boeren die zich na de ontginning vestigden, was het moeilijk het land vruchtbaar te krijgen. Het had veel mest nodig, maar die was destijds schaars: kunstmest bestond nog niet. Daarnaast was de bereikbaarheid een probleem: pas in 1907 werd een verharde weg aangelegd naar Exloo.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het afgraven van turf gestaakt. Enerzijds was de meeste turf toen wel afgegraven, anderzijds was turf als brandstof overbodig geworden door de komst van andere brandstoffen. Het werd toen een probleem de vele veenarbeiders nieuw werk te verschaffen. Daar ook de werkgelegenheid in de landbouw langzaam terugliep, was dat geen gemakkelijke opgave. Gebrek aan werkgelegenheid is ook vandaag nog een probleem in de Veenkoloniën.
Eind 2006 kreeg het dorp nationale bekendheid door de verkrachting en moord op de 12-jarige inwoonster van dit dorp Suzanne Wisman.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Tweede Exloërmond of 2e Exloërmond (Drents: Tweide Ekselermond) is een dorp in de Nederlandse provincie Drenthe, gemeente Borger-Odoorn. Tweede Exloërmond telde (volgens informatie van de gemeente Borger-Odoorn) op 1 januari 2006 2427 inwoners (1234 mannen en 1193 vrouwen). De officiële naam van het dorp is 2e Exloërmond, maar het is gebruikelijker de naam te spellen als Tweede Exloërmond.
Tweede Exloërmond is een veenkolonie, hoofdzakelijk bestaande uit lintbebouwing, die zich uitstrekt over een lengte van meer dan zes kilometer tot aan de provinciegrens met Groningen. Aan het zuideinde van het dorp bevindt zich naast het lint een nieuwbouwwijk.
In het dorp bevinden zich drie kerken: de Nederlands Hervormde kerk van de Protestantse Gemeente, een fraaie Baptistenkerk uit 1922 en een modern kerkgebouw van de Nieuw-Apostolische gemeente.
Tweede Exloërmond heeft de volgende voorzieningen: een bibliotheek, een openbare en protestants-christelijke basisschool, sportvelden, een supermarkt, een postagentschap en enkele horecagelegenheden.
In 2003 vierde het dorp zijn 150-jarig bestaan. In de ontginningstijd, midden negentiende eeuw, was het leven zwaar. Zowel het graven van kanalen en wijken als het steken van de turf werd met de hand gedaan. Voor de boeren die zich na de ontginning vestigden, was het moeilijk het land vruchtbaar te krijgen. Het had veel mest nodig, maar die was destijds schaars: kunstmest bestond nog niet. Daarnaast was de bereikbaarheid een probleem: pas in 1907 werd een verharde weg aangelegd naar Exloo.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het afgraven van turf gestaakt. Enerzijds was de meeste turf toen wel afgegraven, anderzijds was turf als brandstof overbodig geworden door de komst van andere brandstoffen. Het werd toen een probleem de vele veenarbeiders nieuw werk te verschaffen. Daar ook de werkgelegenheid in de landbouw langzaam terugliep, was dat geen gemakkelijke opgave. Gebrek aan werkgelegenheid is ook vandaag nog een probleem in de Veenkoloniën.
Eind 2006 kreeg het dorp nationale bekendheid door de verkrachting en moord op de 12-jarige inwoonster van dit dorp Suzanne Wisman.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd.
Exloërmond wordt wel gedeeld in 1e Exloërmond en 2e Exloërmond. Mede door de nieuwbouwwijk wonen er anno 2012 in de Tweede Exloërmond meer personen dan in de eerste Exloërmond.
Rond het jaar 1840 werd de 1e Exloërmond gegraven, die ook wel het Noorderhoofddiep werd genoemd. Het hoogste aantal inwoners telde Eerste Exloërmond in het jaar 1919, toen er 636 inwoners waren.
De tweede Exloërmond is van rond 1853. Het dorp was lang alleen over water goed bereikbaar: pas in 1907 werd een verharde weg naar Exloo aangelegd. 
32722 
40 2e Exloërmond, Odoorn, Drenthe        151513 
41 Aabenraa, Danmark  9.418845176696777  55.046542611646366  Aabenraa, deutsch Apenrade (auch Åbenrå, friesisch Apenrua, südjütisch Affenråe) ist eine dänische Stadt in der Region Syddanmark mit etwa 16.000 Einwohnern. Sie liegt etwa 30 Kilometer nördlich von Flensburg an einem Meeresarm der Ostsee, der Apenrader Förde. Mit seinem Seehafen hat Aabenraa eine alte Tradition als Seefahrerstadt und Werftstandort. Die noch heute bedeutende Hafenstadt besitzt eine sehenswerte Altstadt und zeichnet sich durch eine bevorzugte landschaftliche Lage aus.
Seit der Verwaltungsreform von 1970 ist Aabenraa keine eigenständige Gemeinde mehr, sondern war Zentrum einer Kommune, der auch die Nachbargemeinden Løjt, Ensted und zu einem kleinen Teil Rise angehören. Seit 2007 ist die Stadt Zentrum einer Kommune mit rund 60.000 Einwohnern. Siehe hierzu die Artikel Aabenraa Kommune (1970–2006) und Aabenraa Kommune.
Sehenswürdigkeiten
* Altstadt, vor allem in den Seitenstraßen wie Slotsgade (Schlossstraße), Nygade (Neue Straße) und Vægterpladsen (Wächterplatz) geschlossene Ensembles mit Bürger- und Handwerkerhäusern v. a. aus dem 18. Jahrhundert
* Nikolaikirche, im Kern noch aus dem 13. Jahrhundert
* Schloss Brundlund, früher Sitz des Amtmanns, heute Kunstmuseum
* Wassermühle am Schloss, das Wahrzeichen der Stadt
* Museum, Stadtgeschichte und Geschichte der Seefahrt
* Rathaus aus den 1840er-Jahren, schlicht spätklassizistisch
* Galgenberg, herrliche Aussicht über Stadt und Hafen
* Frühere Navigationsschule, Geburtshaus Ernst Reuters, nördlich der Altstadt
* Färbersmühle (Farversmølle), alte Wassermühle im Süden der Stadt
* Postmeisterhof, Bürgerhaus mit schönem Park am Südertor
* Schwensens Stift, altes Armenstift am Südertor
* Ringreiter-Festplatz, in der Nähe des Schlosses
Ortsname
In den ältesten mittelalterlichen Quellen ist von einem Vorgängerdorf Opnør die Rede, das nach einem kleinen Bach (Au) auch Opnøraa geschrieben wurde. Seit dem 13. Jahrhundert bildete sich unweit desselben ein Handelsplatz, der noch vor 1300 zur Stadt erhoben wurde. Da Mittelniederdeutsch die Kaufmannssprache war, änderte sich der Name in dieser Sprache zu Apenrade, die noch heute gebräuchliche deutsche Bezeichnung. Die Endung „Rade“ im Sinne von Rodung ist sonst im Schleswiger Land nur im äußersten Südosten bekannt, in Holstein aber weiter verbreitet. Im Fall Apenrade gilt die Endung als deutsche Volksetymologie. Noch in den 1850er Jahren, als die Verwaltung des Gesamtstaats unter der dänischen Krone sich um eine Stärkung des Dänischen bemühte, war Apenrade die einzige gängige, schriftliche Namensform. Im Zuge des nationalen Konflikts wurde der Name von dänischen Kulturkämpfern zu Aabenraa geschliffen und dabei auch dem dialektalen (synnejysk) Namen Affenro angeglichen. Im dänischen Sprachgebrauch setzte sich diese Bezeichnung nach der Trennung Schleswigs von Dänemark durch und wurde 1920 nach dem Anschlusse Nordschleswigs die offizielle Bezeichnung der Stadt. Die dänische Rechtschreibreform von 1948 machte aus aa ein å, da ein doppeltes A im Dänischen kein langes A, sondern ein offenes O repräsentiert. Das hatte aber zur Folge, dass in den Wörterbüchern und anderen alphabetischen Listen Wörter mit Aa plötzlich vom ersten auf den hintersten Platz landeten, denn: Å ist der letzte Buchstabe im dänischen Alphabet. Nicht zuletzt deshalb konnte die Schreibweise Åbenrå sich in der Fördestadt nie durchsetzen. Das zeigt sich am prägnantesten auf den Ortsschildern. Ende der 90er Jahre gab es sogar eine politische Bewegung mit dem Bürgermeister an der Spitze: Aabenraa? ganz vorne!
Geschichte
Aabenraa wurde spätestens 1335, möglicherweise schon 128, als Opneraa zur Stadt erklärt. Dieser Name stammt vom verschwundenen Dorfe Opnør. Als Handelsstadt stand Aabenraa lange im Schatten Flensburgs und Haderslevs. Die drei Makrelen im Stadtwappen weisen auf eine große Bedeutung der Fischerei hin. Nahe der Siedlung entstand im Mittelalter eine landesherrliche Burg, die zum Sitze eines Amtes avancierte.
Nach den Landesteilungen der Herzogtümer Schleswig und Holstein 1490, 1544 und 1581 gehörte Aabenraa mit seinem Umlande bis 1713/21 immer zum Herrschaftsgebiete des Gottorfer Herzogs. Schwer getroffen wurde die Stadt von den Kriegen des 17. Jahrhunderts. Erst gegen Ende des 18. Jahrhunderts nahm die Stadt einen größeren Aufschwung. Die Breite der Förde war für die damalige Schifffahrt mit immer größeren Schiffen ein entscheidender Standortvorteil, und gegen Mitte des 19. Jahrhundert hatte die Schiffskapazität fast diejenige der wesentlich größeren Nachbarstadt Flensburg erreicht. Auch der Schiffbau gehörte zu den wichtigsten Wirtschaftszweigen der Stadt. Lange vor den übrigen Städten der Region richtete Aabenraa 1858 eine zentrale Wasserversorgung ein.
Der deutsch-dänische Konflikt, der ab 1840 das beherrschende Thema im Herzogtum Schleswig war, wurde in Aabenraa besonders vehement ausgetragen. Im Bürgerkriege 1848 stellte die Bürgerschaft sich zunächst auf die Seite der aufständischen Schleswig-Holsteiner. Nach Beendigung des Krieges 1850 galten beiden Sprachen offiziell als gleichberechtigt, wobei das Dänische allerdings vor allem in den Schulen Vorrang hatte. Der unausgestandene Konflikt führte 1864 zu einem weiteren Kriege, der sich aber anders als 1848 auf der zwischenstaatlichen Ebene entzündete.
Nach dem Krieg gehörte Apenrade zu Preußen bzw. ab 1871 zum Deutschen Reich. Das Amt wurde in einen preußischen Landkreis umgewandelt. Der Verlust des nördlichen Hinterlandes traf die Stadt schwer. Auch vermochten es Werftindustrie und Kaufmannschaft anders als in Flensburg nicht, sich auf die Metallschiffsproduktion umzustellen, was das einstweilige Ende des Schiffbaus in der Stadt zur Folge hatte. Trotzdem entstand eine Navigationsschule zur Schifferausbildung. An das Eisenbahnnetz wurde die Stadt nur über eine Stichbahn und ab 1899 über die Kleinbahn Apenrader Kreisbahn angeschlossen. Die Industrialisierung blieb eher bescheiden, doch entstanden einige metallverarbeitende Betriebe. Auch die traditionsreiche Ziegeleiindustrie behielt ihre Bedeutung. Eine Besonderheit der Stadt ist der Orgelbau. 1895 bis 1901 wurde auf dem Knivsberg in Apenrade ein Bismarckturm als „nationales Wahrzeichen der Wiedergewinnung der deutschen Nordmark“ errichtet (1945 gesprengt).
Nach dem Ende des Ersten Weltkriegs stimmten 1920 bei der Schleswigschen Volksabstimmung zur staatlichen Zugehörigkeit 55 % der Stimmberechtigten in der Innenstadt für das Deutsche Reich. Allerdings gehörte die Stadt zur I. Zone, in der nur das Gesamtergebnis aller Einwohner zählte, so dass die Stadt zu Dänemark kam. Die treibende Kraft der dänischen Bewegung in der Stadt und in ganz Nordschleswig war Hans Peter Hanssen, zuvor Abgeordneter im deutschen Reichstag und Redakteur der Lokalzeitung „Hejmdal“. Als Minister für die südjütischen Landesteile arbeitete er fortan für die zügige Eingliederung von Stadt und Umland in den dänischen Wirtschaftsraum. Der nationale Konflikt war trotz umfangreicher kultureller Zugeständnisse an die deutsche Volksgruppe nicht ausgestanden. So wie Apenrade bis 1920 Zentrum der dänischen Bewegung im Landesteil war, erfüllte es dieselbe Rolle nun für die deutschen Nordschleswiger.
Die Begeisterung wesentlicher Teile der Minderheit für den Nationalsozialismus schürte den Konflikt weiter. Nach dem Ende der deutschen Besetzung 1945 war die Minderheit deutlich geschwächt. Noch heute haben alle wesentlichen überregionalen Einrichtungen der deutschen Volksgruppe wie Gymnasium, Zeitung, Geschäftsstelle und Bücherei ihren Sitz in der Fördestadt. Hierunter fällt auch das Deutsche Gymnasium für Nordschleswig (DGN). Es hat sich neben der Ausbildung für die Schüler zur Aufgabe genommen, die Integration voranzutreiben. Schüler aus Deutschland und Dänemark sind gleichwohl an dieser Schule, die Deutsch und Dänisch neben den üblichen Fächern als LK / Hauptniveaufach haben müssen. Die meisten Lehrer sind beidsprachig und auch z. B. die Schulbücherei besitzt sowohl deutschsprachige als auch dänischsprachige Bücher. Das Gymnasium umfasst wie dänische Gymnasien die Jahrgänge 11 bis 13. Neben dem Deutschen Gymnasium findet sich in Aabenraa aber auch eine Deutsche Schule, welche die zehn ersten Schuljahre umfasst, sowie ein Deutscher Kindergarten. In der Nachbarschaft der Schulen findet sich zudem das Deutsche Freizeitheim, ein Kinderhort für 5- bis 11-jährige Kinder.
Aabenraa hat im Gegensatz zu den Nachbarstädten noch immer eine wesentliche Bedeutung als Handelshafen. Darüber hinaus finden sich Betriebe vieler Industriezweige in der Stadt. Seit 1970 war die Stadt Sitz der Amtskommune Sønderjylland, die 2007 allerdings in einer größeren Einheit aufging. Seit 1970 gehören auch die Kirchspielsgemeinden Løjt, Ensted und teilweise Rise zur Kommune, seit 2007 die bisherigen Kommunen Rødekro Kommune, Lundtoft, Bov Kommune und Tinglev Kommune. 
69270 
42 Aachen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.0825  50.7741666666667  Aken (Duits: Aachen; Akens: Oche) is een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, met een inwonertal van ruim 258.000 (eind 2005). De stad ligt dichtbij de grens met Nederland en België, vlakbij het Limburgse Vaals en in de buurt van het Luikse Kelmis (La Calamine); voorts ligt Aken ongeveer 65 km ten westen van de Duitse stad Keulen.
Ten zuiden van Aken begint de Eifel.
Bestuurlijk vormt Aken een stadsdistrict in het Regierungsbezirk Keulen.
Met inbegrip van de Landkreis Aachen vormt Aken een agglomeratie van ruim 550.000 inwoners. Dit aantal zou nog groter worden (ca. 800.000), wanneer men aangrenzende gemeenten in België (o.a. Kelmis) en het gebied Parkstad Limburg in Nederland (Heerlen e.o.) zou meerekenen.
Aken is een stad met een lange geschiedenis en een beroemde Dom. Het is tevens een industrieel centrum in een steenkoolgebied en een belangrijk spoorwegknooppunt met aansluiting op de hogesnelheidslijn (Thalys). Het vliegveld van Aken, Maastricht Aachen Airport, ligt op Nederlands grondgebied, zo'n 30 km van de stad, nabij het Limburgse Beek.
De RWTH Aken (Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule) is een van de belangrijkste technische universiteiten, speciaal voor werktuigbouwkunde, auto- en productietechniek. Een onderdeel vormt het Klinikum Aachen, dat het grootste in één enkel gebouw gevestigde ziekenhuis van Europa is.
Geschiedenis van Aken
De Romeinen noemden de hete, zwavelhoudende minerale bronnen in deze omgeving Aquis-Granum, naar de Romeinse generaal Granus. Sinds de Romeinse tijd zijn deze hete bronnen gekanaliseerd en veranderd in geneeskrachtige baden, die nog steeds in gebruik zijn. Âh, is een Oud-Germaans woord, verwant aan het Latijnse aqua, ook terug te vinden in riviernamen, en betekent water. In Franssprekende delen van het voormalige Romeinse Rijk veranderde dit in Aix. Zo is de Franse naam van Aken Aix-la-Chapelle. Dit vindt men ook terug in de namen van andere Romeinse kuuroorden zoals Aix-en-Provence en Aix-les-Bains.
Na de Romeinse tijd was deze plek verlaten tot de achtste eeuw, toen het vermeld werd onder naam Aquis villa. In het jaar 768 kwam Karel de Grote voor de eerste keer naar Aken. Hij hield erg van deze plek en begon hier twintig jaar later een palts te bouwen. De magistrale kapel van dit paleis vormt tegenwoordig de kern van de Dom van Aken. Om te kunnen genieten van de hete geneeskrachtige bronnen, verbleef Karel de Grote tussen het jaar 800 en tot zijn dood in 814 de meeste winters in Aken. Na zijn dood werd hij bijgezet in de kapel, waar zijn tombe nog steeds te vinden is.
In 936 werd Otto I tot koning gekroond in de Dom. Vanaf dat moment werden gedurende 600 jaar de koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk in Aken gekroond. De laatste was koning Ferdinand I in 1531. Tijdens de Middeleeuwen was Aken een van de grootste steden van het rijk, een vrije rijksstad bovendien. Daarna had het nog slechts een regionale betekenis.
In 1880 had Aken een inwoneraantal van 80.000. Meerdere belangrijke spoorwegen kwamen hier bij elkaar. Aken werd hierdoor een industriestad, waar onder andere spoorstaven, spelden, naalden, knopen, tabak, wol- en zijdeproducten geproduceerd werden.
Nadat Aken zwaar beschadigd was geraakt in de Tweede Wereldoorlog, was het de eerste Duitse stad die door de geallieerden bevrijd werd van het nationaal-socialisme. Het was ook de eerste Duitse stad waar na de oorlog weer een dagblad verscheen.
Sinds 1950 reikt de stad de jaarlijkse Karelsprijs uit aan mensen of instituten die uitzonderlijk werk hebben verricht voor het Europese verenigingsproces. In 2003 werd de medaille uitgereikt aan de Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing, verder o.a. in 1996 aan koningin Beatrix, in 1976 aan Leo Tindemans, in 1967 aan Joseph Luns, in 1957 aan Paul-Henri Spaak en in 1951 aan Hendrik Brugmans.
Bezienswaardigheden
Dom
Dom
De Dom van Aken is nog steeds de belangrijkste landmark van de stad en maakt deel uit van de palts van Karel de Grote. Het paleis in de palts werd vele malen verbouwd en vormt nu het stadhuis van Aken. De centrale cour van de palts is nog steeds herkenbaar als het plein tussen beide gebouwen. De dom was voor 400 jaar de grootste kerk ten noorden van de Alpen. De tombes van Karel de Grote en Otto III bevinden zich in deze kerk. Ook worden hier de relieken bewaard die Karel de Grote in 799 ter inwijding van zijn koninklijke kapel (paltskapel) vanuit Jeruzalem had laten overbrengen: de windselen van het Kind Jezus, het lendendoek van Jezus Christus, het kleed van de Maagd Maria en het doek waarin het hoofd van Johannes de Doper gewikkeld zou zijn geweest. Dit werd echter pas in 1239 openbaar bekend. Hierdoor kreeg de Dom van Aken een religieuze betekenis als bedevaartsoord en ontstond een pelgrimage. De zevenjarige cyclus van deze Heiligdomsvaart ontstond echter pas in de eerste helft van de 14e eeuw. Nog steeds komen elk jaar duizenden geloving naar Aken voor de toning van de relieken. De eerstvolgende Heiligdomsvaart in Aken is in 2007.
De Dom van Aken was het eerste Duitse monument op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. 
33268 
43 Aadorp, Almelo, Overijssel  6.628064632677706  52.37956422770408  Aadorp is een dorp in de Twentse gemeente Almelo in de Nederlandse provincie Overijssel. Aadorp ligt in het voormalige veengebied ten noorden van de lijn Almelo-Wierden aan weerszijden van het Overijssels Kanaal. Dit veengebied werd na 1900 geleidelijk ontgonnen. In de periode tussen 1900 – 1920 wordt het gebied ten westen van het kanaal, genaamd de Binnen Woesten en Buiten Woesten ontgonnen in het kader van de werkverschaffing ter bestrijding van de werkloosheid. Het ontstaan van de buurtschap Aadorp, met bebouwing op het kruispunt van en langs de verbindingsroutes naar Almelo (Gravenweg), Wierden (Bruglaan) en Vriezenveen (Parallelweg), is een feit.
Als in 1930 een brug over het kanaal wordt aangelegd is de weg vrijgemaakt voor een meer planmatige ontwikkeling voor het gebied ten zuiden van de Bruglaan. Rond 1950 werd met het graven van de noordelijke zijtak van het Twentekanaal het industrieterrein Almelo-Noord in ontwikkeling gebracht. Dit industrieterrein ligt op korte afstand van Aadorp.
In 1984 komt er een sterke verandering. De Bruglaan wordt afgesloten als gevolg van de ontwikkeling van het Bedrijvenpark Noord-West Twente. De openheid van het buitengebied in noordwestelijke richting maakt plaats voor omringende bedrijfsterreinen. Als gevolg van de omsluiting en de gebrekkige relatie met Aadorp-Oost wordt opgemerkt dat Aadorp – De Woesten als het ware op een eiland komt te liggen.
Aadorp maakt sinds de gemeentelijke herindeling in 2001 deel uit van de gemeente Almelo. 
68701 
44 Aagtekerke, Veere, Zeeland  3.510912  51.546634  Aagtekerke (Zeeuws: Aegte/'t Aflat) is een dorp in de Zeeuwse gemeente Veere. Het aantal inwoners bedroeg op 1 januari 2007 1.476. Het dorp ligt nabij Domburg en Oostkapelle maar ligt zelf niet aan de zee.
Vroeger werden veel toeristen, die overdag hun dag doorbrachten bij het strand van Domburg, bij de Aagtekerkenaren thuis opgevangen als logies. Door de achteruitgang van het toerisme in het geheel en ook door de bouw van een groot vakantiehuizenterrein nabij Domburg (gebouwd door de Roompot) is dit teruggedrongen. Er zijn wel veel (mini)campings.
Aagtekerke is genoemd naar de heilige Agatha (patrones van het dorp). Tegenwoordig is het dorp niet rooms meer. De protestante kerk speelt nog wel een rol van betekenis, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006 kreeg de SGP in dit dorp 61,8% van de stemmen. De bijnaam in omringende dorpen luidt 't heitedurp; vroeger had de geitenfokkerij hier enige betekenis. 
721 
45 Aaigem, Oost-Vlaanderen, België  3.937053680419922  50.89020547938947  Aaigem is een dorp in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen en een deelgemeente van Erpe-Mere. Het dorp telt ruim 2000 inwoners. Tot 1976 was Aaigem een zelfstandige gemeente met een oppervlakte van 7,32 km².
Aaigem ligt aan de noordrand van de heuvelstreek in Oost-Vlaanderen, op de noordelijke helling van de vallei van de Molenbeek-Ter Erpenbeek, die net ten zuiden van het dorpscentrum loopt en door de lage, natte gronden weinig bebouwing kent. Het hoogste punt van de Aaigem bevindt zich te Opaaigem, vlakbij de grens met Ressegem. Met zijn 77,8 meter hoogte boven zeeniveau is deze "berg" tevens het hoogste punt van de hele fusiegemeente Erpe-Mere.
Naam
Zoals alle Vlaamse plaatsnamen op –gem gaat ook Aaigem etymologisch terug op een Germaanse samenstelling met –haim ‘woonplaats, heem’ en een afleiding op –inga, waarbij het eerste gedeelte doorgaans als de Germaanse mannennaam Ago gereconstrueerd wordt, de naam van een verder onbekende persoon. Het geheel *Agingahaim betekende dan ‘Agingenheem, woonplaats van de volgelingen of stamleden van Ago’. Dergelijke gem-toponiemen zijn typisch voor de tijd van de Frankische landname in de Merovingische periode; niettemin is over Aaigem uit deze periode niets bekend en dateren de vroegste vermeldingen van de 11e eeuw.
Geschiedenis
Mogelijk behoorde het grondgebied van Aaigem voor de invallen van de Noormannen toe aan de abdij van Sint-Pieters of Sint-Baafs in Gent. In elk geval was de kerk vanaf ca. 1100 in het bezit van de abdij van Anchin (te Pecquencourt, nabij Dowaai, Noorderdepartement in Frankrijk), die tot de Franse Revolutie veel gronden bezat in Aaigem. Hoewel landbouw tot in de 20e eeuw de voornaamste bestaansbron bleef, is er van oudsher enige industriële activiteit, waarvan de watermolens getuigen; de bescheiden 19e en 20e-eeuwse plattelandsindustrie met o.a. een aantal melkerijen is volledig verdwenen.
In de feodale periode hoorde Aaigem bij het Land van Aalst, en binnen dit gebied bij het Land van Haaltert, later ook Land van Rotselaar genoemd, naar de heren van Rotselaar die er generaties lang leenheer waren. 
67391 
46 Aalbeek, Nuth, Limburg  5.851368  50.900476  Aalbeek (Limburgs: Aolbaek) is een gehucht dat deel uitmaakt van de gemeente Nuth, in de Nederlandse provincie Limburg.
Aalbeek is altijd klein gebleven, zo tussen de 45 en de 115 huizen of boerderijen met als voornaam karakteristiek heel veel poorten. Aalbeek is omringd door de natuur.
Geschiedenis en naam
Aalbeek is een van de oude nederzettingen in centraal Zuid-Limburg. Eerste naamsvermelding als Oelbeek in 1324. Deze benaming duidt op een moerassige (oel, ool) beek en inderdaad lag Aalbeek ooit langs een beek. Zwaar vervuild door afvallozing is ze overkluisd en als riolering gaan dienen. Aalbeek heeft er zijn slingerende hoofdweg (Aalbekerweg-Nieuwenhuysstraat) aan te danken.
Belangrijkste gebouw was 250 jaar lang de centraal gelegen villa Aalbeek met het erbij behorende landgoed. Vanaf 1879 tot 1970 werden de oude gebouwen en na hun sloop het nieuwe klooster gebruikt door Duitse Jezuïeten en door de Afrikaanse Missiën (SMA). Na veertien jaar leegstand volgde sloop in 1992. Het voormalige koetshuis van de villa is geheel nieuw, maar in oude stijl opgetrokken. Op het voormalige landgoed zijn een negental landhuizen gebouwd. Dat deel van Aalbeek, de Membredehof, is vernoemd naar de belangrijkste bewoner, jhr. mr. A.C. Membrede (1758-1831), ooit kamervoorzitter van de Verenigde Staten-Generaal onder koning Willem I der Nederlanden.
Aalbeek, hoe klein ook, behoorde tot aan de herindeling in 1982 tot twee gemeentes. Het grootste gedeelte hoorde bij Hulsberg, enkele boerderijen hoorden bij Wijnandsrade. Aan deze bijzondere situatie kwam een eind door indeling van heel Hulsberg en Wijnandsrade bij de gemeente Nuth. 
39909 
47 Aalden, Zweeloo, Drenthe  6.719512939453125  52.789267958041876  Aalden is een dorp in de provincie Drenthe (Nederland), gemeente Coevorden.
Aalden vormt samen met buurdorp Zweeloo haast een geheel, enkel gescheiden door de Aelderstroom of Westerstroom. Het dorp bestaat zelf ook uit twee delen, gescheiden door de Aelderstraat, de doorgaande weg. Aan de ene kant van de weg ligt Oud-Aalden (Drents: Aold-Aalden), het oude esdorp dat volledig bestaat uit Saksische boerderijen en is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Aan de andere kant van de weg liggen de nieuwbouwwijken van het dorp.
Aalden is sterk op toeristen gericht. Dit heeft vooral te maken met de aanwezigheid van bungalowpark Aelderholt en golfterrein De Gelpenberg. Ook is er een asielzoekerscentrum bij het dorp gevestigd. Bezienswaardig is, naast Oud-Aalden, onder meer korenmolen Jantina Helling (ook wel Aeldermeul genoemd) uit 1891.
Het dorp is het voorzieningencentrum van de voormalige gemeente Zweeloo. Het heeft onder meer een bibliotheek, een openbare en een protestants-christelijke basisschool, een supermarkt met postagentschap, een bakker en diverse horecagelegenheden.
De marke van Aalden wordt gekarakteriseerd door essen, kleine bospercelen en groenlanden langs de Aelder- of Westerstroom. 
978 
48 Aalsmeer, Noord-Holland  4.7625  52.2638888888889  Aalsmeer is een plaats en gemeente in de Nederlandse provincie Noord-Holland. De gemeente telt 25.041 inwoners (1 januari 2007, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 34,40 km² (waarvan 11,71 km² water). De gemeente Aalsmeer maakt deel uit van de plusregio Stadsregio Amsterdam.
Aalsmeer nu
De gemeente Aalsmeer omvat het dorp Aalsmeer, dat aan de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder ligt, en de gehuchten Kalslagen, Kudelstaart, Oosteinde en Vrouwentroost. Het gemeentehuis staat in Aalsmeer. Op het plein voor het gemeentehuis staat - op een tien meter hoge sokkel - een standbeeld van de Godin Flora, godin van de lente en de bloemen. Bij plaatsing van het beeld in 1962 zorgde dit beeld voor nogal wat ophef omdat het 'te naakt' zou zijn.
Aalsmeer is wereldberoemd door de bloementeelt en vooral de bloemenveiling. De handel is geconcentreerd in de veiling aan de Legmeerdijk. Ook zijn er diverse bloemenexportbedrijven. De veiling - die de grootste bloemenveiling ter wereld - is de belangrijkste toeristische trekpleister van Aalsmeer. Naast de bloementeelt is er industrie. Er staat een fabriek van verpakkingsmaterialen en er worden plezierjachten gebouwd. Op de Westeinder Plassen (eenderde van het Aalsmeerse gebied is water) is veel watersport. De gemeente telt meerdere jachthavens. De plassen vormen een waardevol natuurgebied, met opvallende rietzudden en moerasbomen. Voor Aalsmeerders en toeristen is er het jaarlijkse bloemencorso op de eerste zaterdag van september en op de tweede zaterdag in september de Aalsmeerse Pramenrace. 's Zomers kan men er de Historische Tuin bezichtigen die een beeld geeft van de tuinbouw sinds de 17e eeuw: fruitteelt, boomkwekerij, aardbeienteelt, vormcultuur, trekheesters, buitenbloemen, perkgoed, snijbloemen, potcultuur. De Westeinderplassen zijn te bezoeken met een rondvaart die vertrekt vanaf het Praamplein in het centrum van het dorp. Op de Westeinderplassen zijn nog kwekers actief die zich op de bovenlanden van Aalsmeer bezig houden met de teelt van seringen -snijbloemen.
De naam
De naam Aalsmeer is waarschijnlijk afgeleid van Alsmar, dat 'palingmeer' betekent. Maar ook Aelsmer dat 'allesmeer' zou betekenen en els-er dat ‘drassig land met elzen’ betekent, behoren tot de mogelijkheden. De meeste Aalsmeerders gaan uit van 'palingmeer'. Ook nu nog wordt in Aalsmeer (in de Westeinderplassen) op paling gevist (peuren); de vangst is wel minder dan enkele decennia terug.
In 1816 werd het wapen van Aalsmeer vastgesteld. Het is de afbeelding van een Hollandse leeuw met een paling in zijn voorpoten; bij het wapen hoort de tekst: Retine quod habes (behoudt wat u hebt)
Geschiedenis
Aalsmeer wordt voor het eerst genoemd in 1133 als 'Alsmar'. Deze naam komt voor in een oorkonde waarbij land geschonken wordt aan de abdij van Rijnsburg, een adellijk nonnenklooster. In een akte van Diederik VII van Kleef wordt deze schenking in 1199 nog eens bevestigd. Het gebied Alsmar was toen een wildernis van lage elzen- en wilgenbossen. In de omgeving werd veel turf gestoken, waardoor er grote meren en plassen ontstaan.
Vervening
De bewoners van Aalsmeer zagen de hele omgeving verdwijnen door de vervening (het afgraven van veen). Zo ontstonden de Oosteinderpoel, Schinkelpoel, Stommeer, Hornmeer, Legmeer en de Westeinderplassen. Er bleef weinig landbouwgrond over, zodat veel inwoners in de 15e eeuw op visserij overschakelden. Het beetje grond dat over was werd steeds intensiever bewerkt. De schaarse grond werd vooral gebruikt voor boomteelt. De tuinders konden ook goed verdienen aan het vormknippen van bomen en struiken in de tuinen van rijke kooplui. Deze tijd was ook het begin van de aardbeienteelt.
Drooglegging
Het grondgebrek dat door vervening was ontstaan werd bestreden door de veenplassen weer droog te leggen. Hiermee werd in de 17e eeuw begonnen. Eerst werd het Stommeer drooggemaakt (1650) en daarna het Hornmeer (1674). Straatnamen herinneren ook vandaag de dag nog naar deze meren; zo kent Aalsmeer de Stommeerweg en Stommeerkade. De Hornmeer is een wijk in Aalsmeer.
Van vis naar aardbei
In 1852 werd de aan Aalsmeer grenzende Haarlemmermeer drooggelegd. Daarna volgen de droogleggingen van de Schinkelpoel, de Oosteinderpoel en het Legmeer. De visserij werd minder (alleen nog mogelijk op de Westeinder) en het vervenen hield op, de inwoners gingen meer bomen, planten en fruit verbouwen. Tussen 1850 en 1885 beleefde de aardbeienteelt zijn hoogtepunt. De aardbei werd het symbool voor de vlag van Aalsmeer: rood, groen, zwart (vrucht, blad, aarde). Aalsmeer kent trouwens ook een 'Aardbeienbrug', te vinden aan de Uiterweg.
Ontstaan van de veiling
De kwekers verkochten de aardbeien aan tussenhandelaren, die met een aardbeienschip naar Amsterdam voeren om de waar aan de man te brengen. In deze tijd ontstond het veilingwezen in Nederland, waarbij Aalsmeer een heel grote rol ging spelen. De bloementeelt begon rond 1880 met het kweken van rozen (toen al in kassen). De veengrond bleek heel goed te zijn voor de bloementeelt. De bloemen werden eerst nog met schuiten naar de markt in de stad gebracht, maar al snel werd de handel naar Aalsmeer verlegd. In 1912 werden daar twee veilingen gesticht: de Centrale Aalsmeerse Veiling en Bloemenlust. In de Centrale Veiling is nu de Studio van Endemol gevestigd.
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog verwierf Aalsmeer een reputatie als nazi-bolwerk. Dat was vooral te wijten aan de fanatieke NSB-burgemeester Kolb en een handjevol fascisten. Door de ligging bij Schiphol, de Westeinderplas en Amsterdam was het dorp een belangrijk strategisch punt. Aalsmeer was bovendien een rijk dorp, door de teelt van bloemen en planten, de visserij en de veilingen. Vanaf 1942 zette een aantal kleine verzetsgroepen zich in voor de vele uit Amsterdam gevluchte joden die in Aalsmeer onderdoken. Het toenmalige hoofd burgerzaken Cees Braber was een groot vervalser van persoonsbewijzen. Vaste gast in het dorp was de opperbevelhebber van de Wehrmacht in Nederland, Friedrich Christiansen, die er boten liet bouwen. Na de oorlog vonden er meer dan honderd rechtzaken tegen NSB’ers uit Aalsmeer plaats. Journalist Theodore van Houten schreef een boek over de periode onder de titel: Een vrij ernstig geval.
Wederopbouw
In 1950 telde Aalsmeer 12.500 inwoners. In deze periode was de tuinbouw al van groot belang. Er waren bloementelers, boomkwekers en er was veel glastuinbouw, maar het voornaamste gewas in die tijd was nog steeds de aardbei. In 1972 fuseerden de twee Aalsmeerse veilingen. De nieuwe combinatie heet Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer; het nieuwe gebouw was in 1972 gereed. Vanuit deze veiling was het maar een klein stuk rijden naar het vliegveld. Het nieuwe Schiphol was toen juist in gebruik genomen. Hierdoor kregen de Hollandse tuinders rechtstreeks toegang tot de Amerikaanse en Japanse markt. Inmiddels geniet Aalsmeer wereldwijde bekendheid door de bloemenveiling. Met een vloeroppervlak van 999.000 m² is het veilinggebouw volgens het Guinness Book of Records het grootste handelsgebouw ter wereld. 
36228 
49 Aalst, Gelderland  5.127010345458984  51.785471044482414  Aalst (Oalst in plaatselijk dialect) is een dorp in de gemeente Zaltbommel, in de Nederlandse provincie Gelderland. Het is gelegen aan de afgedamde Maas tegenover Veen, ten zuidwesten van de stad Zaltbommel. Het kende in 2005 zo'n 1911 inwoners.
Aalst is in de regio bekend om de Steenfabriek en om het gemaal. Bij één van die steenfabieken, De Rietschoof, is een buurtschap ontstaan, dat dezelfde naam draagt als de steenfabriek.
Aalst zelf wordt voor het eerst gemeld rond 850 als Halosta. Aan het eind van de tiende eeuw wordt als Altisti en Aloste aangeduid en in de 11e eeuw al als Alaste en weer een eeuw later Aelst. Aalst was van 1812 tot 1817 een zelfstandige gemeente, daarna ging het op in de gemeente Brakel. Deze gemeente ging in 1999 op in de gemeente Zaltbommel. 
1021 
50 Aalst, Oost-Vlaanderen, België  4.040994644165039  50.93783888116424  Aalst (Frans: Alost) is een stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen. De stad telt ruim 78.000 inwoners, die Aalstenaars worden genoemd. Sint-Maarten is haar patroonheilige. Aalst is gelegen aan de Dender, waar de Molenbeek-Ter Erpenbeek in Hofstade in uitmondt.
Kenmerken
Aalst is het meest bekend om zijn jaarlijks carnaval en zijn carnavaleske vete met de stad Dendermonde over de rechten op het Ros Beiaard en ook wel om zijn 'Zwarte Man', het standbeeld van Dirk Martens in het midden van de Grote Markt. Dirk Martens drukte het eerste boek met losse letters in de Nederlanden; hij was bevriend met Erasmus.
Een al even beroemde telg is de romanschrijver Louis Paul Boon. Aalst maakte in het begin van de 20e eeuw ook een stukje van de Belgische politieke geschiedenis met als centrale figuur priester Adolf Daens (broer van Pieter Daens), over wie Louis Paul Boon overigens zijn beroemdste boek "Pieter Daens of hoe in de 19e eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht" (1971) schreef. Het belichaamt de sociale geschiedenis van een stad, streek, volk en tijdperk.
Aalst dankte vroeger zijn welvaart onder andere aan de hopteelt. De kathedraal van Amiens was het voorbeeld voor de Aalsterse Sint-Martinuskerk, die echter niet werd afgebouwd. Het oorspronkelijk belfort van Aalst stamt uit de 13e eeuw. Het huidige belfort is grotendeels uit de 15e eeuw.
Geschiedenis
Vanaf de Frankische tijd lag het graafschap Aalst in de Brabantgouw. Nadat het deel van deze gouw tussen Schelde en Dender in de 11e eeuw veroverd werd door de (Franse) graven van Vlaanderen kon het Land van Aalst toch nog een eeuw van een zekere zelfstandigheid binnen Rijks-Vlaanderen genieten. De hertogen van Brabant-Lotharingen probeerden nog twee eeuwen de fictie van hun opperleenrecht over Aalst te doen gelden. De wapenkleuren van de stad Aalst bevatten nog altijd die van Lotharingen: wit en rood.
Kerkelijk ressorteerde de stad Aalst overigens eerst nog onder het aartsdiakenaat Brabant, en later onder het aartsdiakenaat Brussel van het bisdom Kamerijk. Na de herindeling van de bisdommen in de 16e eeuw hoorde het dan bij het (aarts)bisdom Mechelen.
Aalst lag strategisch op de handelsweg Brugge-Keulen, ter hoogte van de Brabants-Vlaamse grens. De Bourgondische eenmaking maakte een einde aan de militaire grenssituatie.
Baardegem en Meldert lagen tot 1795 in de Vrijheid van Asse, in het Hertogdom Brabant.
Het wapenschild van Aalst is een ontwerp van de zilversmid Nicolaas Colijn. Hij ontwierp het in 1394 als stadszegel voor poorterszaken voor de stad. Het wapenschild toont in het midden een zwaard; het symboliseert de autonome rechtsmacht en militaire weerstand van de stad. Als symbool voor de horigheid aan de Duitse keizer en de Graaf van Vlaanderen staan respectievelijk de Duitse adelaar en de Vlaamse Leeuw ook afgebeeld.
Oorsprong van de benaming 'Ajuin'
De spotnaam voor de Aalstenaars is over heel Vlaanderen bekend. Eigenlijk kan men zelfs amper nog van een spotnaam spreken, want het woord ajuin is zowat uitgegroeid tot een alomtegenwoordige aanduiding voor een inwoner van Aalst. Het meest afdoende bewijs dat de Aalstenaars zich nooit veel stoorden aan de spot van de Dendermondenaars is wel het feit dat zij aan zelfspot zijn gaan doen, dat zij hun spotnaam als een plezierig sieraad zijn gaan beschouwen en er ook fier op zijn. Dit bleek bijvoorbeeld reeds uit een optocht in 1890, waarin ze de stad als een ajuin afbeeldden.
De oorsprong van de spotnaam "ajuinen" ligt in de 19e eeuw, toen in Aalst en omstreken de uienteelt enorm floreerde. Naast de grote hopmarkt bestond er vroeger te Aalst ook een vermaarde uienmarkt. 
75667 
51 Aalst, Waalre, Noord-Brabant  5.47666666666667  51.3963888888889  Aalst (Brabants:Aolst) is een kerkdorp in de gemeente Waalre, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant en is gelegen aan de Tongelreep. Tot de samenvoeging met Waalre 1923 was Aalst een zelfstandige gemeente. Tot het kerkdorp Aalst behoren de wijken De Voldijn, Ekenrooi, en de buurtschap Achtereind.
Op 1 januari 2006 had Aalst 10.420 inwoners (63% van het inwoneraantal van de hele gemeente Waalre). Het kerkdorp wordt gescheiden door de drukke verkeersader N69, de directe verbinding Eindhoven-België via Waalre en Valkenswaard. De grote aantallen vrachtwagens, bussen en personenauto's zorgen met name tijdens de spits voor lange files. Naar een oplossing wordt nog gezocht. 
38299 
52 Aalsum, Oostdongeradeel, Friesland  6.003363132476807  53.33961405208608  Aalsum (Fries: Ealsum) is een dorp in de gemeente Dongeradeel in de Nederlandse provincie Friesland. Het postcodegebied van het dorp telt 162 inwoners (2004).
Aalsum ligt ten noorden van Dokkum, een van de Friese elf steden. Tot de gemeentelijke herindeling van 1984 maakte Aalsum deel uit van de voormalige gemeente Oostdongeradeel. Het westelijk deel van de buurtschap Sibrandahuis en het buurtje Swarte Mosk worden tot het dorpsgebied van Aalsum gerekend. Vroeger lag er ten noorden van het dorp aan de rivier de Paesens nog de buurtschap De Marren onder Aalsum. Ook de voorstad De Streek van Dokkum behoorde lange tijd onder Aalsum.
Aalsum ligt op een terp van 5,3 meter boven NAP. De terp had oorspronkelijk een omvang van ongeveer 4 hectare, maar werd begin jaren 1880 voor het grootste deel afgegraven. Alleen het deel waar de kerk en het laatst resterende kerkpad (de oude doodweg) op staan cq. liggen resteren en geven nu duidelijk de contouren van de relatief hoge wierde aan. Het oostelijke, noordelijke en westelijke kerkpad zijn verdwenen bij de afgraving van de wierde. Wel vormt het noordelijk kerkpad over de 'bodem' van het noordelijk deel van de afgegraven wierde onderdeel van een historisch wandelpad. Een deel van de omtrek van de terp wordt gemarkeerd door de oude ossengang. Rondom het resterende deel stroomt de Aalsumervaart, een gegraven kanaal tussen Dokkum en de rivier de Paesens. De terp had vroeger een radiale verkaveling, waarbij de kerk precies in het midden stond. Aan de buitenzijde van de ringweg staat de enige nog resterende bebouwing. Buiten de ringweg en vaart loopt de radiale verkaveling verder door het landschap in. De spaarzame bebouwing van het dorp wordt gevormd door enkele huizen en boerderijen aan de oostzijde van de ossengang, langs de vaart naar het zuiden toe en verspreid door het landschap.
Het dorp heeft een behoorlijke himrik, die in het verleden nog groter is geweest. Dit kwam doordat Dokkum geen klokslag (rechtsgebied buiten de stad) heeft gekend, zodat de gracht rond de stad vroeger ook de grens met Aalsum vormde. Met de groei van Dokkum naar het noorden kwam het regelmatig tot grenscorrecties met Oostdongeradeel, wat de gemoederen tussen beide gemeenten soms hoog deed oplaaien. Een geplande grenscorrectie ging zelfs niet door omdat hierdoor de burgemeester van Oostdongeradeel in Dokkum zou komen te wonen. Kerkelijk werden de oude himrikgrenzen nog tot 2005 gehanteerd; veel Dokkumers vielen vroeger kerkelijk dan ook onder Aalsum. In 2005 fuseerden de hervormde gemeenten van Dokkum en Aalsum-Wetsens na veel overleg; de Aalsumers wensten niet om 'via de achterdeur' alsnog 'Dokkumers' te worden.
Geschiedenis
De terp dateert waarschijnlijk uit de vroege middeleeuwen; bij de opgravingen werden onder andere een 7e-eeuwse spang, een eikenhouten weefzwaard en hoofdkappen uit de laat-Merovingische of Karolingische periode gevonden. Andere voorwerpen die werden gevonden waren een bronzen mantelspeld met een versiering van gecloisonneerde steentjes, een bronsblikken gordelversiering en gouden ring met een rode steen. De eerste vermelding van het dorp is in een lijst van bezittingen van de abdij van Fulda uit 945, toen het Atlesheim werd genoemd. In de 14e tot 16e eeuw wordt het gespeld als Aelsom, Aelsum, Ailsum of Aelsen (vanaf 16e eeuw). Vanaf ongeveer 1700 wordt het Aalsum, al komt ook Aalzum voor. De naam komt waarschijnlijk van de mansnaam 'Atle' of 'Athel' en het woord -heem (huis of woonplaats).
In 1901 werd de Spoorlijn Leeuwarden - Anjum (Dokkumer Lokaaltje) geopend. Het station van Dokkum werd bij Aalsum geplaatst; Station Dokkum-Aalsum. In 1935 werd het passagiersvervoer tussen Dokkum en Anjum stopgezet en werd Dokkum-Aalsum het eindstation van de lijn. In 1936 werd het passagiersvervoer volledig stopgezet. Tussen 1940 en 1942 werd de lijn nog korte tijd in gebruik gesteld, maar daarna werd de lijn alleen nog voor goederenvervoer gebruikt, tot ook dat stopte in 1975. Het station werd in de jaren 1970 afgebroken en de lijn opgebroken.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in het geheim wapenleveringen gedropt nabij de kerk van Aalsum. Hoewel de Wehrmacht slechts 2 kilometer verderop was gevestigd, werden deze leveringen nooit ontdekt. Op 16 april 1945 werden op het kerkhof van Aalsum 2 Canadezen begraven die waren omgekomen bij de schermutseling bij Oostmahorn.
Bij Aalsum stond vroeger een schooltje, dat later werd afgebroken, waarna er arbeiderswoningen werden gebouwd.
Gebouwen
Kerk
De romaanse kerk van Aalsum dateert van ongeveer 1200 en was gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. Midden 13e eeuw werd het relatief lange en inspringende priesterkoor met halfronde apsis gebouwd. Rond 1500 werd het schip verlengd naar het westen. In 1843 werd de toren afgebroken en vervangen door een houten dakruiter op de westgevel, waarin de klok van Jan Butendiic (Steven Butendiic) uit 1440 werd gehangen. Op de klok staan afbeeldingen van de heilige Anna. Bij een restauratie in 1960 werd de dakruiter vervangen en gewijzigd. Het hek van de begraafplaats voor de kerk met het opschrift 'momento mori' ("gedenk te sterven") dateert ook van 1843. In 2009 kwam Aalsum in het nieuws doordat op het kerkhof een grafsteen uit zichzelf, meerdere malen, een meter verschoof.
States
Bij Aalsum hebben twee states gestaan. De Stinstrastate stond bij de buurtschap Sibrandahuis ten oosten van de wierde. De state wordt voor het eerst genoemd in 1583 als een Fries langhuis. Op de plek van de state staat nu de omgrachte boerderij Stinstera, die waarschijnlijk dateert uit eind 18e, begin 19e eeuw. Ten zuiden van de kerk van Aalsum stond vroeger de Mokkemastate, waarvan uit de begintijd weinig meer bekend is dan dat deze in 1492 voor de tweede maal verwoest werd. De state werd herbouwd en veranderde verschillende malen van eigenaar. In de 18e eeuw woonden er pachtboeren en was het mogelijk nog in gebruik als zomerhuis. Rond 1800 moet het huis zijn verworden tot een ruïne, omdat in 1811 het huis in puin ligt. Op de plek van de state ligt nu het parkeerterreintje ten zuiden van de kerk.
Molens
Aalsum heeft een korenmolen gehad tussen ongeveer 1520 en ongeveer 1630. In de eerste helft van de 18e eeuw werd de zaagmolen 'Eben Haëzer' gebouwd aan de Aalsumervaart, ten zuiden van Aalsum. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd er een mosselpellerij gevestigd. In 1927 werd de molen afgebroken. Later verrees hier een wijk van Dokkum. 
146464 
53 Aalten, Gelderland  6.58083333333333  51.925  Aalten (Nedersaksisch: Aalt'n) is een gemeente in het oosten van de Nederlandse provincie Gelderland, en ligt tegen de Duitse grens. Het had op 1 juli 2006 een inwoneraantal van 27.541 (bron: CBS) en een oppervlakte van 97,04 km².
Het gemeentewapen van Aalten is een zilverkleurig schild met een groene lindeboom. De naam "Aalten" komt van de oorspronkelijke naam Aladna, voor het eerst genoemd in een akte uit 823.
Buiten de plaats Aalten vallen ook de volgende dorpen en buurtschappen onder de gemeente: Barlo, Bredevoort, Dale, Dinxperlo, Haart, De Heurne, IJzerlo, 't Klooster, Lintelo.
Op 1 januari 2005 werd de gemeente Dinxperlo bij Aalten gevoegd. Het dorp Dinxperlo en de buurtschap De (Dinxperlose) Heurne kwamen toen bij de nieuwe gemeente.
Ten zuiden van Aalten ligt de Duitse stad Bocholt met ca. 75.000 inwoners.
In de gemeente Aalten bevindt zich de stad Bredevoort. Bredevoort is de boekenstad van Nederland en trekt jaarlijks vele toeristen. 
33043 
54 Aalter, Oost-Vlaanderen, België  3.4487199783325195  51.08700305448937  Aalter is een Belgische gemeente in de provincie Oost-Vlaanderen. De gemeente telt ruim 18.500 inwoners (die Aalternaren worden genoemd) en ligt in de regio Meetjesland.
Geschiedenis
Archeologische vondsten uit de voorbije decennia tonen aan dat er op het grondgebied Aalter reeds bewoning was tijdens de prehistorie. Er werden een aantal stenen artefacten gevonden op een aantal paleontologische sites. Ze dateren mogelijk van 3000 tot 2000 voor het begin van onze jaartelling. Archeologen vonden ook de restanten van een bronzen bijl, die volgens onderzoek tussen 1200 en 1000 v.Chr. moet vervaardigd zijn.
De naam Aalter dook, door de schenking van een deel van de Villa Haleftra (het landgoed Haleft(e)ra) door graaf Diederik van West-Friesland aan de Sint-Pietersabdij van Gent, voor het eerst op in het jaar 974. Deze naam is mogelijk afgeleid van het Germaanse halahdrja, wat jeneverbessenstruik betekent. Villa Haleftra zou zich op de huidige markt hebben bevonden, vlak naast de huidige kerk. Het landgoed werd omringd door velden (campis), akkers (agris), meersen (pratis), weiden en bossen. In 840 en in 1112 komt de naam Haltra voor.
In de middeleeuwen en later (periode van ca. 1000 tot 1800) bestond de bestuurlijke organisatie uit heerlijkheden die zich vaak over een aantal parochies uitstrekten. De belangrijkste heerlijkheid, het Land van de Woestijne, was het grafelijke domein rond het Woestijnegoed. Ze strekte zich uit over het grondgebied Aalter en Knesselare met een aantal enclaves in Bellem.
Aalter speelde een belangrijke rol in de Revolutie van Gent tegen de graaf. In 1379 versloegen de Witte Kaproenen op het Aalterse grondgebied de Brugse kanaalgravers.
Het graven van de Brugse Vaart van 1613 tot 1623 in het stroomgebied van de Durme, was een zeer belangrijke ontwikkeling voor de plaats. Langs het kanaal werden heel wat vestingen gebouwd, ter verdediging tegen de Nederlanders. Er werd ook een overzetdienst ingevoerd, die eind juni 2008 werd stopgezet. De overzet was de enige langs het kanaal. In 1187 lag in Oostmolen een watermolen. Daar moesten de bewoners van Aalter hun graan laten malen. Voordat het kanaal werd gegraven in de bedding van de Zuidleie en de Durme, lagen er drie bruggen over de riviertjes: de Geetbrug, de Woestijnebrug over de Zuidleie en de Oostmolenbrug over de Hoge Kale. Toen de Brugse Vaart uiteindelijk werd gegraven, moesten die bruggen wijken. Vanaf 1617 werden de noord- en zuidkant per overzetboot verbonden. De eerste brug in Aalter dateert van 1775.
De eerste spoorlijn werd in 1838 aangelegd, waardoor Aalter nu ook door de spoorweg met de grotere steden (Gent, Brugge, Deinze, ...) was verbonden. Op 12 augustus van dat jaar werd het station geopend.
Overal was de hoofdactiviteit de landbouw en zorgde de huisnijverheid voor een extra inkomen. Deze gelijklopende geschiedenis hield pas omstreeks 1962 op met de aanleg van een industrieterrein van meer dan 125 hectare. De eerste echte fabriek stond nochtans in Bellem. Vanaf ongeveer 1800 verschafte de manufactuur tijdens de bloeiperiode werk aan 500 personen.
In 1918 werd het bovenste deel van de torenspits van de Sint-Corneliuskerk gedynamiteerd door Duitse troepen. Deze verwoesting bracht ook veel schade toe aan het dak. De kerk was 15 jaar daarvoor herbouwd en sterk uitgebreid. De verwoesting uit de Eerste Wereldoorlog werd hersteld van 1921 tot 1923, naar de neo-gotische plannen van architect Camille Goethals uit 1902. De oudste delen van de kerk (nu volledig nieuw) gaan terug tot de 12de of 13de eeuw.
In de jaren '30 begon de bouw aan de autosnelweg E5 tussen Brussel en Oostende, waarbij ook een afrit in Aalter werd aangelegd.
Aalter werd in 1944 bevrijd door soldaten van de Poolse 1ste Pantserdivisie. In Ter Walle werd een monument voor deze divisie van generaal Maczek opgericht. 
77988 
55 Aaltukerei, Bunde, Ostfriesland, Niedersachsen, Deutschland  7.268248  53.282455  Bunde (Plattdeutsch Bunn) ist eine Gemeinde im ostfriesischen Landkreis Leer in Niedersachsen.
Geografische Lage
Die Gemeinde liegt in dem ostfriesischen Landstrich Rheiderland westlich von Leer am Dollart. Die Gemeinde grenzt an die Provinz Groningen des Königreichs der Niederlande. Der Niederländische Ort Neuschanz ragt deutlich in die Gemeinde Bunde hinein.
Der Flecken Bunde besteht aus einer Ansiedlung mit der Kirche und einer dem Verlauf des Geestrückens folgenden Reihensiedlung mit dem "Steinhaus". Eine ältere Burg befand sich westlich der zentralen Siedlung mit der Kirche.
Gemeindegliederung
Die Gemeinde Bunde hat fünf Ortschaften, denen je ein Ortsvorsteher vorsteht. Diese Ortschaften, die aus den Mitgliedsgemeinden der 2001 aufgelösten Samtgemeinde Bunde hervorgingen, sind:
* Boen (461 Einwohner)
* Bunde (3.885 Einwohner)
* Bunderhee (598 Einwohner)
* Dollart (1.285 Einwohner)
* Wymeer (1.351 Einwohner)
Ein Sonderfall ist die Ortschaft Dollart. Diese besteht aus mehreren Dörfern und war bis 1973 selbst eine Samtgemeinde. Einen historischen Ort namens Dollart gab es nicht. Die in der heutigen Ortschaft Dollart zusammengefassten Dörfer haben immer noch ein starkes Selbstverständnis. Die Orte sind:
* Ditzumerhammrich
* Ditzumerverlaat
* Heinitzpolder
* Kanalpolder
* Landschaftspolder
* Bunderhammrich
Geschichte
Ein Großteil des heutigen Gemeindegebietes war im Mittelalter durch Sturmfluten zu einem Teil des Dollarts geworden. Bunde hatte zu dieser Zeit einen wichtigen Seehafen. Nach und nach wurden viele Dollartflächen eingepoldert und zurückgewonnen.
Die Gemeinde Bunde in ihrer jetzigen Form ist im Jahr 2001 entstanden. Seit 1973 bildeten mehrere eigenständige Gemeinden, die nun die fünf Ortschaften sind, die Samtgemeinde Bunde. 
63908 
56 Aam, Elst, Gelderland  5.867128372192383  51.918361378602675  Aam is een buurtschap in de Nederlandse gemeente Overbetuwe, gelegen in de provincie Gelderland. Het ligt ten oosten van het dorp Elst aan de A325  147237 
57 Aardenburg, Sluis, Zeeland  3.44166666666667  51.2736111111111  Aardenburg is een stadje in het westelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen, behorend tot de gemeente Sluis. Het is tevens de oudste stad van Zeeland en heeft stadsrechten. Aardenburg heeft 2438 inwoners (2007).
Het is een van de oudste nederzettingen van Nederland en was al in de Romeinse tijd bewoond. Er is een aantal fundamenten van huizen uit die tijd aangetroffen, daarnaast zijn er diverse andere archeologische vondsten gedaan. Ook heeft Aardenburg een castellum gehad voor de kustbewaking van de grenzen van het Romeinse Rijk, met de benaming 'Castellum Rodanum'.
Aardenburg herbergt een aantal bezienswaardige gevels en gebouwen, waarvan de Sint-Baafskerk de voornaamste is; deze kerk is in Nederland het meest complete voorbeeld van een kerk in de stijl van de Scheldegotiek. Het stadje was vroeger een vestingstad; er zijn nog delen van stadswallen en een stadspoort (de Westpoort) te vinden.
Regionaal wordt Aardenburg ook wel kikkerstad genoemd. Deze naam is afkomstig van het groene uniform van de plaatselijke fanfare. De inwoners van Aardenburg hebben de naam kikkers als geuzennaam aangenomen en het centrum van het stadje wordt zelfs gesierd door een kikkerfontein. 
1293 
58 Aardscheveld, Assen, Drenthe  6.580984  52.975729  Anreep is een oud esdorp, ontstaan in de middeleeuwen. Op schrift wordt Anreep in 1141 genoemd, waarschijnlijk bestond Anreep toen uit één boerderij. Maar er zijn bewoningssporen gevonden van ver voor de jaartelling. In 1456 zijn in Anreep 4 boerenerven bekend, in 1612 waren dat 5 erven. In het westelijk deel van de marke van Anreep ontstond in de 19e eeuw het Aardscheveld, een plaggenhuttenkolonie. Nu bestaat Anreep nog uit ca. 15 boerderijen, die overigens voor het overgrote deel geen agrarische functie meer hebben.
Ten noorden van Anreep loopt het Anreeperdiepje, de bovenloop van de Drentsche Aa. 
32729 
59 Aardswoud, Opmeer, Noord-Holland  4.95361111111111  52.7444444444444  Aartswoud (Westfries: Ierswou (dialect: Aertswou(d))) is een dorp in de gemeente Opmeer (West-Friesland) in de provincie Noord-Holland met circa 1250 inwoners.
In de middeleeuwen en tot aan de drooglegging van eerst het ouderlandentocht en het latere Wieringermeer lag Aartswoud nog aan zee, de Zuiderzee. Het ligt nog wel altijd aan de Westfriese Omringdijk, maar de haven is verdwenen. Een gedeelte van het Wieringermeer is vernoemd naar het dorp, dit gedeelte heet Aartswouderhoofdwijk en is gelegen tussen het dorp Middenmeer en Ouderlandentocht.
De plaatsnaam komt in 1319 voor als Edaertswoud, de naam zou verwijzen dat dit het woud was van familie of persoon Edaert, een Friese naam. Later werd de naam verbasterd naar onder meer Aertswoud (1450) en Aertzwoude (1573) tot aan de huidige spelling.
Een bekend bouwwerk uit het dorp is de hervormde kerk uit 1884 met 16e-eeuwse toren die vierkant en stomp is. De rijk gesneden herenbank stamt uit 1641 en behoorde, blijkens het wapen, aan de Zeeuwse familie Soete van Laecken toe. Het orgel werd in 1885 gebouwd door de Duitse orgelbouwer Richard Paul Ibach. De vierkante toren is een tijd gebruikt om bakenvuren te ontsteken voor de walvisvaarders.
Verder wil het verhaal dat de toren ook gebruikt is in een periode van armoede om voorbij komende schepen een veilige route te laten kiezen die dat geen was en met gevolg dat de schepen verongelukken. Veel van de buiten van zo'n schip spoelde daarna aan en werd het door de bevolking geborgen. Volgens diverse geschiedkundige is het wel waarschijnlijk dat dit een aantal maal is gebeurd en gedaan maar over hoe vaak en hoelang dit dan gedaan werd is niet bekend. Op meer plaatsen in de wereld, zoals bij gevaarlijke rotskusten, werd het expres laten vastlopen/vergaan van schepen om er met de buit van door te gaan in en na de middeleeuwen gedaan.
Eén van de oudste gebouwen is een voormalig café uit de 15e eeuw, thans is het een gewoon woonhuis. Het café dateert uit een periode dat het een succesvol vissersdorp was.
Direct naast Aartswoud ligt het natuurgebied De Weelpolder. 
39765 
60 Aarlanderveen, Alphen aan den Rijn, Zuid-Holland  4.72833333333333  52.1411111111111  Aarlanderveen is een dorp gelegen tussen Alphen aan den Rijn en Nieuwkoop, in de Zuid-Hollandse gemeente Alphen aan den Rijn. Het omliggende gebied is rijk aan weidevogels (kieviten, grutto's, tureluurs, enz.) en er zijn veel bloemrijke slootkanten met onder andere moerasrolklaver, egelboterbloem, water+akkermunt, koekoeksbloem, kale jonker, enz.
Het is bekend om de nabijgelegen enige nog werkende molenviergang in Nederland.
Geschiedenis
Aarlanderveen wordt voor het eerst vermeld als heerlijkheid op het verlovingscontract van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant (14e eeuw). De heerlijkheid komt achtereenvolgens in het bezit van een aantal families, onder andere Van Oudshoorn en Van IJsselstein. In 1584 of 1593 komt Aarlanderveen in het bezit van veldmaarschalk Ernst van Mansveld of Von Mandelsloh. Het helmteken van zijn geslacht was een hoorn zonder snoeren, waarboven een zilveren doodshoofd met 2 gekruiste zwaarden. Dit helmteken is verworden tot heerlijkheids- en later gemeentewapen. 
35728 
61 Aarle, Aarle-Rixtel, Noord-Brabant  5.63777777777778  51.5088888888889  Aarle-Rixtel (Brabants: Aole-Rixtel) is een dorp in de provincie Noord-Brabant, gelegen in de Meierij van 's-Hertogenbosch. Aarle-Rixtel is de op één na grootste kern van de gemeente Laarbeek, ten noorden van de gemeente Helmond. Aarle-Rixtel telt 5.814 inwoners (1 juni 2006, bron: CBS). Tot 1 januari 1997 was het een zelfstandige gemeente. Historisch gezien bestaat het dorp uit twee vroegere kernen: Aarle en zuidoostelijk daarvan Rixtel. Deze zijn in de twintigste eeuw echter aaneengegroeid.
Klokken en Textiel
Ze staat als dorp bekend om haar textiel en klokken.
De klokkenindustrie had een langere geschiedenis die zich nog steeds voortzet. Met name kerkklokken werden en worden overigens nog geproduceerd door de firma Koninklijke Petit en Fritsen. Petit en Fritsen behoort hiermee in Nederland tot de laatste van de twee levende klokkengieterijen, in Asten (niet ver van Aarle-Rixtel) is nog de Koninklijke Eijsbouts (van de familie Eijsbouts).
De textielindustrie werd, onder de huidige naam Artex B.V., in de eerste plaats gevestigd door textielfabrikant Louis van Kimmenade in 1944. De familie van de Kimmenade was tot aan eind jaren 70 één van de bekendste textielfamilies van Noord-Brabant. Eind jaren 80 werd Artex door Hunter Douglas overgenomen.
Croy
Verder kent Aarle-Rixtel het landgoed Croy, waarop Kasteel Croy staat. Tot op de dag van vandaag is nog steeds niet bekend wanneer kasteel Croy is gebouwd. In het jaar 1472 bezat Rutger van Erp op Strijp een slotje met hoeve, groot ongeveer 20 bunder. Waarschijnlijk bestond het toenmalig slotje uit de huidige noord-zuid gerichte vleugel, met de ronde toren op de noordwesthoek. Rutger van Erp op Strijp bleef hier echter niet wonen. Nadien hebben nog vele adellijke families het kasteel bewoond. De laatste adellijke familie was de familie Van der Brugghen. 
33163 
62 Aarle-Rixtel, Noord-Brabant  5.637166500091553  51.51015274115722  Aarle-Rixtel (Brabants: Aole-Rixtel) is een dorp in de provincie Noord-Brabant, gelegen in de regio Peelland. Aarle-Rixtel is de op één na grootste kern van de gemeente Laarbeek, ten noorden van de gemeente Helmond. Aarle-Rixtel telt 5814 inwoners (1 juni 2006, bron: CBS).
Etymologie
De naam Aarle zou afkomstig zijn van Plaats aan de Aa.
De naam Rixtel zou Rijk kasteel betekenen.
De inwoners worden Aarlenaar, Rixtelnaar, Aarle-Rixtelnaar of 'un aorlese' genoemd.
Geschiedenis
De geschiedenis van Kasteel Croy is onder de beschrijving van het kasteel te vinden. Dit kasteel had te maken met de heerlijkheden Stiphout, Aarle en Rixtel.
Historisch gezien bestaat het dorp daardoor dus eveneens uit twee vroegere kernen: Aarle en zuidoostelijk daarvan Rixtel. Aarle is de plaats waar de kapel van Onze Lieve Vrouw in 't Zand staat. Beide plaatsen hadden een parochiekerk maar deze kerken werden genaast door de protestanten in 1648. Na 1672 werd er een schuurkerk gebouwd tussen beide parochies in, waardoor de parochies aaneengroeiden. Later is er ook een enkele parochiekerk gekomen. Bovendien vormden, na ongeveer 1810, de kernen Aarle en Rixtel een enkele gemeente Aarle-Rixtel. Deze is op 1 januari 1997 opgegaan in de gemeente Laarbeek.
In de twintigste eeuw zijn beide kernen volledig aaneengegroeid. Hierdoor is Aarle-Rixtel een betrekkelijk groot en lang dorp geworden, waarvan in 1823 een klein deel is afgesneden door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart. Er kwamen twee belangrijke kloosters in Aarle-Rixtel: Het klooster van de Zusters van Liefde in 1856 en het klooster van de Missiezusters van het Kostbaar Bloed omstreeks 1900.
Klokken en Textiel
Het dorp staat bekend om haar textielindustrie en klokkengieterij.
De klokkenindustrie had een langere geschiedenis die zich nog steeds voortzet. Met name kerkklokken werden en worden overigens nog geproduceerd door de firma Koninklijke Petit & Fritsen. Petit & Fritsen behoort hiermee in Nederland tot de laatste twee nog in bedrijf zijnde klokkengieterijen: in Asten (niet ver van Aarle-Rixtel) is nog de Koninklijke Eijsbouts (van de familie Eijsbouts).
De textielindustrie werd, onder de huidige naam Artex b.v., in de eerste plaats gevestigd door textielfabrikant Louis van Kimmenade in 1944. De familie van de Kimmenade was tot aan eind jaren 70 één van de bekendste textielfamilies van Noord-Brabant. Eind jaren '80 van de 20e eeuw werd Artex door Hunter Douglas overgenomen. In 2007 zijn ook de activiteiten van Weverij de Ploeg in Artex ondergebracht.
Bezienswaardigheden
Kasteel Croy
Verder kent Aarle-Rixtel het landgoed Croy, waarop Kasteel Croy staat. Tot op de dag van vandaag is nog steeds niet bekend wanneer kasteel Croy is gebouwd. In het jaar 1472 bezat Rutger van Erp in het gebied Strijp een klein slot met daarbij een hoeve, ongeveer 20 bunder groot. Waarschijnlijk bestond het toenmalig slot uit de huidige noord-zuid gerichte vleugel, met de ronde toren op de noordwesthoek. Rutger van Erp bleef hier echter niet wonen. Nadien hebben nog vele adellijke families het kasteel bewoond. De laatste adellijke familie was de familie Van der Brugghen. Nu (2006) is het kasteel sinds enkele jaren in gebruik als kantoorruimte i.v.m. exploitatie.
Kapel en klooster
Het Kloostercomplex Mariëngaarde met de kapel van Onze-Lieve-Vrouw in 't Zand is een groot kloostercomplex waarvan de kapel het oudste en oorspronkelijke deel uitmaakt. Deze dateert van omstreeks 1500, maar ze raakte na 1568 in verval, want de devotie verminderde door de opkomende reformatie. In 1597 volgde herstel en de kapel werd ook vergroot, totdat ze in 1616 het huidige voorkomen kreeg. Het gebouw heeft een verlaagd koor en de zuidarm heeft een in- en uitgezwenkte topgevel uit 1608. Hier werd en wordt Onze-Lieve-Vrouwe van Aarle-Rixtel vereerd, wat een beeldje uit de 14e of 15e eeuw is. In 1648 werd de kapel door de protestanten gevorderd en werd het een school, later een raadhuis. Het Mariabeeldje werd in de buitengevel geplaatst, en in 1667 kwam het achtereenvolgens te staan in de schuurkerken achter de Kerkstraat en op de Couwenberg. In 1846 kwam echter de nieuwe kerk gereed, waar het beeldje in werd geplaatst. De pastoor kocht echter in 1853 de oude kapel terug, en in 1856 kwam het beeldje weer op zijn oorspronkelijke plaats. In dat jaar kwam ook het klooster van de Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid gereed, waar de kapel deel van ging uitmaken. Van 1897-1906 werd het interieur van de kapel vernieuwd naar een ontwerp van het bureau van Pierre Cuypers. Er kwam een nieuw altaar, glas-in-loodramen en er kwamen muurschilderingen op de triomfboog, die bedevaartgangers voorstellen welke, op zoek naar genezing, naar het beeldje komen, Een aantal van de wonderbaarlijke genezingen, plaats vindend in de eerste helft van de 17e eeuw, worden daar gememoreerd. In 1951 werd de rechter zijbeuk van de kapel herbouwd.
In de kapel bevindt zich een drieluik, geschilderd door Jacob Cornelisz. van Oostsanen, dat een Madonna met Kind voorstelt.
Het beeldje van Onze-Lieve-Vrouwe van Aarle-Rixtel bevindt zich eveneens in het interieur van de kapel. Het is een pijpaarden beeldje dat waarschijnlijk in Arendonk is vervaardigd. Het beeldje, dat uit het einde van de 15e eeuw stamt en ongeveer 20 cm hoog is, stelt een zittende madonna voor, een vorm die bekend staat als Sedes Sapientiae. Naar verluidt zou het gebakken zijn in de pottenbakkerij van Jan van Eyck, die ook in Rixtel bezittingen had. Dit soort beeldjes werd in grote aantallen vervaardigd en als aandenken aan een bedevaart meegenomen. Tijdens de 19e eeuw had het beeldje een rode mantel om. In 1906 werd het beeldje in een glazen kast geplaatst. In 1917 is de kleding verwijderd en is het beeldje opnieuw gepolychromeerd. In 1951 werd een zilveren schrijn vervaardigd en in 1956 kreeg het beeld een gouden kroon met parels en edelstenen. Het jaar daarop kreeg ook het kindje Jezus een gouden kroon.
Veel later is het beeldje door criminelen vernield teneinde de sieraden te bemachtigen. Het huidige beeldje is een replica van het oorspronkelijke exemplaar.
Voor de geschiedenis van de bedevaart naar dit beeldje, zie het artikel over: Onze-Lieve-Vrouwe van Aarle-Rixtel.
Overige bezienswaardigheden
* De Kerk Onze Lieve Vrouw Presentatie is een waterstaatskerk uit 1846, waarvan de ingang geflankeerd wordt door kolommen. De kerk bezit een Smits-orgel.
* De voormalige hervormde kerk is een eenvoudig klein gebouwtje met torentje uit 1847 aan de Kouwenberg. Het gebouwtje is tegenwoordig niet meer als kerk in gebruik.
* Het Hagelkruis is een zeer oud natuurstenen kruisbeeld dat zich bij een wegkruising op de Hoge Akkers ten noorden van Aarle-Rixtel bevindt. Het toont een gestyleerde Christusfiguur in een primitief aandoende stijl, voorzien van de letters INRI. Dit kruisbeeld is voor het eerst vermeld in 1419 met de tekst: ter plaatse geheten dat Haghelcruys. In 1910 werd er, ter bescherming, een hek omheen geplaatst. Een dergelijk kruis werd gezien als een middel om hagelschade aan het gewas af te weren, maar het gebruik is mogelijk op oudere, heidense, gebruiken terug te voeren. Dit is het enige nog overgebleven hagelkruis in Nederland . Zie ook: Wegkruis
* Huis Ter Hurkens, ook Heurkenshuis of De Witte Poort genoemd, is een landhuis ten noorden van Aarle-Rixtel op een plaats waar vroeger een kasteel gelegen heeft.
* Missieklooster Heilig Bloed, gelegen ten noordoosten van Aarle-Rixtel, in een ontginningsgebied. 
68200 
63 Aaron, Bates County, Missouri, USA  -94.15407657623291  38.422967436997304  Google world points here when searching for Aaron, so be it. Probably it's located in one of the townships mentioned below
Bates County is a county located in the U.S. state of Missouri. As of 2000, the population is 16,653. Its county seat is Butler. The county was organized in 1833 and named after Frederick Bates, the second governor of Missouri.
Bates is part of the Kansas City Metropolitan Area
Cities and towns
Cities
Adrian
Amoret
Amsterdam
Butler
Drexel
Rich Hill
Rockville
Villages
Foster
Hume
Merwin
Passaic
Townships
Bates County is divided into twenty-four townships:
Charlotte
Deepwater
Deer Creek
East Boone
Elkhart
Grand River
Homer
Howard
Hudson
Lone Oak
Mingo
Mound
Mount Pleasant
New Home
Osage
Pleasant Gap
Prairie
Rockville
Shawnee
Spruce
Summit
Walnut
West Boone
West Point 
84524 
64 Aaronsburg, Centre County, Pennsylvania, USA  -77.45254039764404  40.90081620945349  Aaronsburg is a census-designated place (CDP) in Centre County, Pennsylvania, United States. It is part of the State College, Pennsylvania Metropolitan Statistical Area. The population was 613 at the 2010 census.
History
Founded by Aaron Levy in 1786, and named for him, The town's orderly planned and aligned streets were designed that the town might one day be the county seat. This, however never occurred due to the lack of water. The current county seat is Bellefonte.
Aaronsburg is home to two churches (Salem Lutheran and Reformed), three cemeteries, a library, historical museum, and a pottery shop.
In 1949 a pageant was held to celebrate Aaronsburg's unique history and namesake. Aaron Levy, a Jewish merchant from Philadelphia, presented the town's residents with a pewter communion set as a gift. This unusual gesture inspired many, and 50,000 people descended upon Aaronsburg to commemorate it. Attendees included Ralph Bunche, Cornell Wilde, and, later, Ronald Reagan. A short film and book were written about this event. 
85078 
65 Aarschot, Vlaams-Brabant, België  4.831581115722656  50.98654198764983  Aarschot is een Vlaamse stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad telt ruim 28.000 inwoners, die Aarschottenaars of ook kasseistampers worden genoemd. Aarschot ligt langs de rivier de Demer in het Hageland. Haar patroonheilige is Sint-Rochus. Het uitzicht van Aarschot wordt gedomineerd door de hoge toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Geschiedenis
Etymologie
Volgens een legende zou de naam Aarschot komen van Arendschot. Het verhaal gaat dat Aurelianus een arend neerschoot, en op de plek waar die vogel neergekomen is, zou Aarschot, of Arendschot, gesticht zijn. De plaats waar de bek van de vogel neergekomen zou zijn heet nu Bekaf.
Een andere verklaring vertrekt van de eerste schriftelijke vermelding van Aarschot in 1107 als Arescod. Deze naam is afgeleid van de Germaanse woorden "arnu" (=arend) en "skauta" (=bebost stuk hoger gelegen land, uitspringend in een moerassig terrein). Deze verklaring past ook perfect in de Aarschotse topografie.
Bourgondische tijd
Zoals vele andere Vlaamse steden kwam Aarschot in 1488 in opstand tegen Maximiliaan van Bourgondië. In 1488 werd Maximiliaan door de Bruggelingen gedwongen een verdrag te ondertekenen dat de Vlaamse rechten zou vastleggen. Zodra hij buiten het bereik van de Vlamingen was gaf hij echter opdracht dat de opstand in de kiem moest worden gesmoord. In 1489 stond er een leger van Mechelse collaborateurs voor de muren van Aarschot. De Kasseistampers kwamen naar buiten en versloegen de Mechelaars verpletterend. Die avond was het kermis in Aarschot en bijna alle weerbare mannen waren dronken. Rond middernacht konden de Bourgondische troepen bijna zonder weerstand de stad veroveren. Aarschot werd bijna volledig platgebrand en is er pas in de 20e eeuw in geslaagd dezelfde welvaart te behalen als in 1489.
Eerste Wereldoorlog
Op 19 augustus 1914 werd de Duitse kolonel Spenger dodelijk gewond in Aarschot. Bij de represailles (zie Duitse represailles in Aarschot) werden 168 burgers gefusilleerd. 
66820 
66 Aarsele, West-Vlaanderen, België  3.4220051765441895  50.99718750930182  Aarsele is een dorp in de Belgische provincie West-Vlaanderen en een deelgemeente van de stad Tielt. Een inwoner van Aarsele wordt een Aarselenaar genoemd.
Geschiedenis
De oudste vermelding van Aarsele in de bronnen dateert uit 1038 en luidt Arcela, een Germaanse samenstelling van arda (=weide) en sali (=kamer, woning bestaande uit één ruimte).
In het Ancien Régime was Aarsele, binnen de Kasselrij Kortrijk ressorterend onder de Roede van Tielt, erg versnipperd in verschillende heerlijkheden, zoals Donsegem en Hogenhove, maar ook in kerkelijke lenen, toebehorende aan de abdijen van Lobbes en van Baudelo en Sint-Baafs in Gent.
Veruit de voornaamste heerlijkheid was echter Gruuthuse, waar 12 achterlenen van afhingen. Niet ten onrechte voerden de heren van Gruuthuse de titel van heren van Aarsele. Best bekend is Lodewijk, die in 1471 de uit Engeland verjaagde koning Edward IV een woning verschafte in zijn Steen te Brugge. Diezelfde Lodewijk was ook een bekend bibliofiel, wiens collectie handschriften op enkele uitzonderingen na, door zijn zoon geschonken werd aan de koning van Frankrijk.
Jan van Brugge was de laatste mannelijke afstammeling uit het Gruuthusegeslacht. Langs zijn dochter om kwam de heerlijkheid Gruuthuse in het bezit van Jakob II van Luxemburg op het einde van de 16e eeuw. Door het huwelijk van zijn dochter met Jan van Egmont kwam de heerlijkheid toe aan de graven van Egmont.
De zoon van Jan, Lamoraal van Egmont, werd op bevel van Filips II in 1568 in Brussel onthoofd. Na zijn dood kwamen achtereenvolgens zijn twee kinderloze zonen in het bezit van Gruuthuse. In 1617 ging de heerlijkheid voor twee generaties over in de familie de Richardot, om tenslotte, na het huwelijk van Guillaume met Carla-Eugenia, gravin van Ursel, in de grafelijk en nadien hertogelijke familie d'Ursel te blijven tot het einde van het Ancien Régime.
Gelegen op de baan van Gent naar Tielt, ontsnapte Aarsele niet aan plunderingen. Zo werd de gemeente in 1580 verwoest door de Geuzen. Ook tijdens de 17e eeuw bleef men er niet gespaard, zo o.m. in 1646 en later in 1690, wanneer de Franse legers er brand en verwoesting zaaiden, tussen die twee data in, in 1666, werd Aarsele door de pest getroffen.
In 1829 bracht koning Willem de gemeente een bezoek. 
47932 
67 Aartselaar, Antwerpen, België  4.387578964233398  51.13431502199861  Aartselaar is een plaats en gemeente in de provincie Antwerpen, een van de vijf provincies van het Vlaams Gewest. De gemeente telt ruim 14.000 inwoners, die Aartselarenaren worden genoemd.
Aartselaar behoort tot het kieskanton Kontich en het gerechtelijk kanton Boom.
Kernen
Aartselaar is een verstedelijkte randgemeente ten zuiden van de Antwerpse agglomeratie. De gemeente heeft geen deelgemeenten. Ten zuiden van de dorpskern ontwikkelden zich ook de gehuchten Koekoek en Lindenbos. Het gehucht Koekoek ligt aan de westkant van de Boomsesteenweg (A12), en vormt één kern met de wijk Kleine Paependaele in Reet en nog verder de noordelijke wijk van Boom. Deze kern ligt centraal tussen Aartselaar, Boom en Niel. Lindenbos, ten oosten van de A12, ligt in een iets groenere omgeving. Deze zuidelijke kern vormt tevens een parochie, toegewijd aan het Onbevlekt Hart van Maria, die zich uitstrekt over de gemeentegrenzen van Aartselaar heen en ook Kleine Paependaele en de oostelijke woonkern van Schelle aan de Boomsesteenweg omvat. De parochiekerk staat in Lindenbos, terwijl er in de Koekoek een hulpkerk staat. Door nijverheidszones langs de A12 zijn de dorpskern en de zuidelijke kern met elkaar vergroeid.
Aartselaar grenst aan de volgende gemeenten: Edegem, Kontich, Rumst (Reet), Niel, Schelle, Hemiksem en Antwerpen (Wilrijk).
Geografie
Aartselaar heeft een vlakke bodem die vooral bestaat uit zand en klei. Er zijn slechts enkele kleine waterlopen in de gemeente : de Wullebeek, die naar de Rupel loopt, de Schellevliet en de Struisbeek die beiden in de Schelde uitmonden. Deze laatste loopt over een kleibed van grote dikte en heeft een smalle ondiepe vallei behalve in de omgeving van het kasteel Cleydael waar zij een brede kom vormt. Het kasteel heeft hieraan zijn naam ontleend.
Geschiedenis
Aartselaar wordt voor het eerst vermeld als Serlaer in 1247 en als Aerschelaer in 1309. Aanvankelijk was Aartselaar een deel van Kontich. Kerkelijk werd het een zelfstandige parochie in 1309 maar bestuurlijk bleef Aartselaar van Kontich afhangen tot in 1558 toen een eigen schepenbank werd opgericht.
De heerlijkheid Kontich was bezit van de hertogen van Brabant. Dit gebied brokkelde geleidelijk aan af door verkopen aan plaatselijke heren. Filips II verkocht in 1557 de gebieden binnen de grenzen van de parochie Aartselaar aan de Heer van Cleydael waardoor de heerlijkheid Aartselaar ontstond. De heerlijkheid Aartselaar bleef in handen van de heren van Cleydael tot aan het ontstaan van de gemeenten op het einde van de 18e eeuw.
In de periode 1758-1763 werd de steenweg van Boom naar Antwerpen aangelegd dwars doorheen Aartselaar. Ondanks de goede ligging aan deze weg bleef ze steeds een landbouwgemeente met een zeer beperkte nijverheidsontwikkeling. In het begin van de 19e eeuw werd meer dan de helft van de oppervlakte in beslag genomen door landbouwgrond. Als gevolg hiervan was er slechts een geringe bevolkingsgroei in de gemeente.
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de gemeente zich dankzij haar ligging aan de verkeersas Antwerpen-Brussel en de nabijheid van de Antwerpse agglomeratie van een landbouwgemeente tot een industriële gemeente. Tussen 1950 en 1964 werden een dertigtal nieuwe bedrijven opgericht. Als gevolg hiervan was er een sterke immigratie en werden talrijke nieuwe woonwijken opgericht. Hierdoor ging de landbouw in de gemeente sterk achteruit. Enkel de tuinbouw hield nog lange tijd stand. Vooral tussen 1960 en 1985 nam de bevolking zeer sterk toe. De gemeente ontwikkelde zich verder tot een verstedelijkte randgemeente van de Antwerpse agglomeratie met veel groothandel en distributiecentra langs de A12. Het inwonertal bereikte een maximum rond 1995 met 14.500 inwoners waarna het lichtjes begon te dalen.
De gemeente Aartselaar is niet betrokken geweest in de grootschalige fusie van 1977 en heeft ook geen gebiedsaanpassingen gekend sinds zijn ontstaan als gemeente.
Bezienswaardigheden
* het waterslot Cleydael, deels uit de 14e eeuw
* het Wolffaertshof uit de 16e eeuw was oorspronkelijk de pastorie. Nu in gebruik als deel van het gemeentehuis.
* de Sint-Leonarduskerk waarvan de oudste delen uit 1495 dateren. In 1791 werd de kerk verbreed met 2 zijbeuken en in 1858 werden de kruisbeuken en het koor aan de kerk toegevoegd. De kerk is sinds 1974 beschermd omwille van haar waardevol en rijk interieur. 
66776 
68 Abbaye de Fontevraud, Fontevraud-l'Abbaye, Saumur, Pays de la Loire, France  0.05190610885620117  47.18122648826362  De abdij van Fontevraud (of: abdij van Fontevrault) ligt in het Franse plaatsje Fontevraud-l'Abbaye. Het is de best bewaarde verzameling kloostergebouwen ter wereld, heeft een zeer rijke geschiedenis en is daardoor een grote toeristische trekpleister geworden.
Geschiedenis
Priester, theoloog en rondtrekkend prediker Robert d’Abrissel vestigde zich rond 1100 met zijn volgelingen in het bos van Fontevraud. Hij stichtte er een uniek klooster, waar mannen én vrouwen leefden. Robert besloot dat er aan het hoofd van zijn klooster een vrouw moest zijn en wees Petronille de Chemillé aan als de eerste abdis. Isabella van Anjou, dochter van Fulco V van Anjou en dus ook tante van Hendrik II van Engeland, volgde haar in die functie op. Dit was het begin van de eeuwenoude traditie om vrouwen van koninklijke of op zijn minst adellijke bloede aan het hoofd van Fontevraud te plaatsen. Het klooster werd dan ook snel favoriet bij verschillende Europese koningshuizen. Zo trad Eleonora van Aquitanië, koningin van Frankrijk en later van Engeland, toe tot het klooster als non en werd ze hier na haar dood ook begraven. Ook haar echtgenoot Hendrik II van Engeland, zoon Richard I, schoondochter Isabella van Angoulême (echtgenote van koning Jan), dochter Johanna en kleinzoon Raymond VII van Toulouse.
Het kloostercomplex heeft eeuwenlang gebloeid en is uitgebreid tot aan de zeventiende eeuw. Fontevraud heeft zwaar geleden onder de Franse Revolutie van 1789: delen van het klooster werden verwoest en geplunderd. O.a. de oorspronkelijke crypte verdween hierbij (de grafbeelden bleven wel bewaard). De laatste abdis stierf in armoede in Parijs. Een paar jaar later, in 1804, werd het complex omgebouwd tot staatsgevangenis. Dit bleef het tot 1963. In dat jaar werd het namelijk geschonken aan de Franse minister van Cultuur. Later is het door de Franse staat gerestaureerd, ook vinden er nu verschillende opgravingen plaats. Een deel van het klooster wordt tegenwoordig gebruikt als conferentiecentrum. De rest is opengesteld voor publiek.
Huidige gebouw
Van het enorme kloostercomplex van vroeger zijn alleen de abdijkerk Sint Michel, de Romaanse keuken, de kapittelzaal, de ziekenzaal Sint Benoit en de priorij Sint Lazare bewaard gebleven. In de Sint Michel zijn tegenwoordig de kunstschatten van het klooster ondergebracht. De bouw van deze kerk is heel eenvoudig, maar de kapitelen van de pilaren bevatten gedetailleerde reliëfs. Het meest bijzondere gebouw is de goed gerestaureerde, Romaanse keuken, de Tour d’Évraud genaamd. Deze heeft namelijk een achthoekige vorm, één grote toren en meerdere kleine torentjes. De keuken had wel zes plaatsen om te koken voor de honderden bewoners van het klooster. De kapittelzaal bevat indrukwekkende muurschilderingen. Buiten de gebouwen zijn er nog middeleeuwse tuinen, een oranjerie, kruidentuinen en oude stallen te zien.
Frans
L'abbaye de Fontevraud est une abbaye royale ne dépendant d'aucun ordre (mais d'inspiration bénédictine), fondée en 1101 par Robert d'Arbrissel, et située près de Saumur en Anjou (maintenant Maine-et-Loire), près du confluent de la Loire et de la Vienne. La grande particularité de l'abbaye a été d'accueillir à la fois des hommes et des femmes dans des couvents séparés et d'avoir dès sa fondation été dirigée exclusivement par des abbesses, selon la règle édictée par son fondateur.
L'abbaye de Fontevraud est classé au patrimoine mondial de l'Unesco.
La fondation
Réformateur religieux et itinérant qui avait le soutien du pape Urbain II, Robert d'Arbrissel s'est trouvé à la tête d'un groupe de plusieurs centaines de personnes, à majorité féminine. Avec l'aide de Pierre II, évêque de Poitiers, il a dû commencer à organiser la vie communautaire en fixant son groupe au fond du vallon de Fontevraud, à côté de la source fons Ebraldi.
« Cependant, voyant augmenter la foule de ceux qui le suivaient, il décida, pour éviter tout acte inconsidéré, et puisqu'il importait que les femmes habitassent avec les hommes, de rechercher un lieu où ils pussent vivre sans scandale et de trouver un désert, s'il en rencontrait. Or, il y avait un lieu, inculte et aride, planté de buissons épineux, appelé Fontevraud depuis les temps anciens... »
— Baudri de Bourgueil, évêque de Dol, Vie du bienheureux Robert d'Arbrissel
Cette abbaye avait donc la particularité d'accueillir en son sein mais séparément, des femmes et des hommes. Le premier protecteur en a été le seigneur de Montsoreau, dont le château est tout proche. Le rayonnement du fondateur, apparaissant comme un féministe avant la lettre, y attira de nombreuses femmes nobles dont la duchesse de Bretagne, Ermengarde d'Anjou, qui y fit venir son frère Foulque V d'Anjou, lequel favorisa l'établissement par ses dons.
Henri II Plantagenêt, successeur de Foulque et roi d'Angleterre, en fit une abbaye royale et la nécropole de sa dynastie. C'est pourquoi lui-même et son fils Richard Cœur de Lion y ont toujours leurs gisants, de même qu'Isabelle d'Angoulême, femme de Jean sans Terre, et Aliénor d'Aquitaine qui y finit ses jours.
Relevant de la règle bénédictine, Robert d'Arbrissel établit une règle inédite — non dans la mixité —, mais en instituant qu'après sa mort, survenue en 1116, ce serait des abbesses qui dirigeraient aussi le monastère des hommes. Les 36 abbesses qui ont dirigé de 1115 à 1792 l'abbaye de Fontevraud ont toutes appartenu au milieu aristocratique. Parmi elles, on trouve quatorze princesses, dont cinq de la famille de Bourbon.
Les quatre grandes règles dans l'abbaye étaient:
* la chasteté
* l'obéissance
* le silence
* la pauvreté
L'ordre
L'ordre de Fontevraud, supprimé avec tous les autres suite à la Révolution française, était divisé en quatre provinces, à savoir :
* la province de France, dans laquelle, il y avait quinze prieurés ;
* la province d'Aquitaine, quatorze prieurés, dont celui de Villesalem ;
* la province d'Auvergne, quinze prieurés ;
* la province de Bretagne, treize prieurés.
L'habit des hommes consistait en une robe noire, une chape, un chaperon ou grand capuce, auquel étaient attachées par derrière et par devant deux petites pièces de drap nommées roberts. L'habit des femmes consistait en une robe blanche, une cuculle noire, un surplis blanc et une ceinture de laine noire. En prononçant leurs vœux, les hommes et les femmes promettaient stabilité, conversion de mœurs, chasteté pure, pauvreté nue et obéissance.
Le rayonnement
La précarité des débuts de la communauté a rapidement laissé place à une prospérité matérielle, assurée d'une part par la générosité des riches familles angevines et d'autre part par le soutien du pape et grâce à l'amitié des évêques d'Angoulême et de Poitiers.
Dès le début du XIIe siècle, l'abbaye est une institution monastique indépendante qui n'a de compte à rendre que directement au Saint-Siège pour le spirituel et au roi de France pour le temporel. Cette situation privilégiée a bien sûr été la source de nombreux conflits avec les seigneurs, nobles, et évêques environnants, que les abbesses successives ont toujours su gérer au mieux des intérêts de l'ordre fontevriste. À la fin du XIIe siècle, l'ordre est à la tête de 123 fondations, réparties dans l'ouest de la France — essentiellement dans les terres des Plantagenêts —, le Berry et le Limousin.
Pendant la guerre de Cent Ans, l'abbaye souffre de la crise qui touche les ordres contemplatifs. Les bâtiments ne sont plus entretenus, voire abandonnés.
Aux XVIe et XVIIe siècles, les abbesses de la famille des Bourbons, bénéficiant de l'appui royal, font de Fontevraud un centre spirituel et intellectuel, qui a connu la seconde période de faste de son histoire. Ce renouveau est accompagné d'une rénovation des lieux et de la construction de nouveaux bâtiments :
« Partout, qu'il pleuve ou qu'il vente, l'abbesse de Fontevraud a rente. »
Le patrimoine architectural
L'enceinte de Fontevraud a compté jusqu'à cinq monastères :
* le Grand-Moûtier, qui a accueilli jusqu'à cinq cents moniales au XIIIe siècle (environ deux cents au début du XVIIIe siècle),
* Saint-Benoît,
* le couvent de la Madeleine, qui recevait les femmes mariées ou veuves se retirant du monde,
* le prieuré Saint-Lazare (ou Saint-Ladre), affecté aux lépreux et aux malades,
* et Saint-Jean-de-l'Habit, le couvent des hommes — hors clôture —, commandé par un prieur soumis à l'abbesse, qui hébergeait en moyenne une cinquantaine de religieux.
Des pensionnaires illustres
Des filles de sang royal ont été pensionnaires à l'abbaye, issues des familles Plantagenêt, Bourbon, Valois. Parmi elles, Victoire (cinq ans à son arrivée), Sophie (quatre ans), Thérèse-Félicité (deux ans) et Louise-Marie (onze mois) ont été les plus illustres. Les filles de Louis XV quittèrent Versailles le 6 juin 1738, accompagnées de femmes de chambre, mobilier, argenterie, vaisselle, bagages et escorte militaire. Elles ont été installées précairement jusqu'à la fin de la construction du logis des Filles de France en 1741 et ne retournèrent à la cour qu'en 1750.
De l'abbaye à la prison
Le 2 novembre 1789, les biens du clergé ont été déclarés biens nationaux. Les religieuses évacuèrent l'abbaye à l'automne 1792, Julie-Gillette de Pardaillan d'Antin, la dernière abbesse, quitta l'abbaye la dernière, le 25 septembre 1792.
Le 18 octobre 1804, Napoléon Ier signe un décret qui transforme l'abbaye en établissement de détention, ainsi que celles de Clairvaux et du mont Saint-Michel. Les travaux de conversion, confiés à l'ingénieur des Ponts et Chaussée Normand, s'échelonnent de 1806 à 1814. Des réaménagements successifs seront apportés jusqu'à la fermeture de la prison, le 1er juillet 1963, sans toucher à l'essentiel des structures. Ces travaux ont vraisemblablement sauvé les bâtiments de la ruine, contrairement à ce qui s'est passé par exemple pour Cluny ou Jumièges.
Conçue pour recevoir 700 prisonniers, la centrale en a reçu jusqu'à 1 600 en 1942 (dont 350 femmes et 100 enfants) et 1 200 en 1943. Fontevraud fut considérée comme la centrale pénitentiaire la plus dure de France, avec celle de Clairvaux, comparable au bagne. On y comptait, en moyenne, deux décès par semaine. Les ateliers fabriquaient notamment des boutons, à partir du nacre des coquillages, des gants, des filets, des couvertures pour l'armée. Cette véritable manufacture assurait également la transformation du chanvre et du lin. La plupart des détenus sont évacués à la fermeture de la prison, sauf une quarantaine, employés à l'entretien des espaces verts et à la démolition des installations pénitentiaires. Ils quittent définitivement la prison résiduelle, le quartier de la Madeleine, en 1985, date à laquelle les lieux sont rendus à la « vie civile ».
Fontevraud a inspiré Jean Genet dans son roman "Le miracle de la rose" bien qu'il semble n'y avoir jamais séjourné. Les registres d'écrou de la maison centrale conservés aux Archives départementales de Maine-et-Loire ne signalent pas la présence de l'écrivain.
Aujourd'hui, le monument historique
Dès 1840, grâce à l'action de Prosper Mérimée, inspecteur général des Monuments historiques, l'ancienne abbaye de Fontevraud figure sur la première liste nationale de classement des monuments historiques. Progressivement, le cloître en 1860, le réfectoire en 1882, la tour d'Évrau et l'église abbatiale au début du XXe siècle sont libérés de leur affectation et ont commencé à être restaurés. De la fermeture en 1963 à la fin du XXe siècle, les chantiers de restauration presque ininterrompus lui ont donné l'aspect que le visiteur découvre aujourd'hui. Elle a conservé une étonnante cuisine ronde dont le toit est surmonté d'une cheminée centrale et d'un cercle de cheminées plus petites.
Aucune communauté religieuse n'étant susceptible de faire revivre l'abbaye, le Centre culturel de l'Ouest est fondé en 1975. Son but est « la défense, le développement, l'animation et la promotion de l'abbaye de Fontevraud ». Cette association organise des classes du patrimoine, des manifestations artistiques, des stages d'initiation aux métiers d'art, au chant, et accueille des congrès, principalement axés sur l'Angleterre, l'architecture et le chant choral.
L'Abbaye royale de Fontevraud, centre culturel de l'Ouest est membre du réseau européen des centres culturels de rencontre. (40 membres aujourd'hui en Europe)
Fichier:Fontevraud3.jpg 
67192 
69 Abbaye de la Guiche, Chouzy-sur-Cisse, Centre, France  1.231850  47.538602  Abbaye de la Guiche (propriété privée), vestiges Xllle-XIVe siècles., inscrite à l'inventaire des monuments historiques (IMH). Construite au Xlll ème siècle., elle abrita des Clarisses (ordre franciscain) jusqu'à la Révolution.
Les comtes de Blois, qui l'ont placée sous leur protection, en firent le lieu de leur sépulture, comme en témoignent les deux gisants qui subsistent.
Cette vaste abbaye est démolie en grande partie en 1793. II en reste une galerie du cloître adossée à une aile du bâtiment abbatial et une grande salle voûtée, sans doute un ancien cellier. Petite chapelle du XIXe s. (début) à l'emplacement du choeur de l'ancienne église. De plus, l'abbaye est entourée d'un beau parc. 
33853 
70 Abbaye de Maubiusson, Saint-Ouen-l'Aumône, Île-de-France, France  2.107181  49.045260  Die Abtei Notre-Dame-La-Royale de Maubuisson ist ein Zisterzienserkloster, das 1236 von Blanka von Kastilien gegründet wurde. Sie befindet sich in der Gemeinde Saint-Ouen-l'Aumône im Département Val-d'Oise.
Maubuisson verlor seine religiöse Aufgabe während der Französischen Revolution und wurde 1793 Militärkrankenhaus, danach Steinbruch, Spinnerei und Bauernhof. 1947 als „Monument historique“ klassifiziert, wurde sie 1979 Eigentum des Conseil général des Departements. Maubuisson beherbergt heute Ausstellungen zeitgenössischer Kunst.
Die Scheune, das Kapitelhaus, das Sprechzimmer, der Nonnensaal und die ehemaligen Latrinen sind öffentlich zugänglich. 
36400 
71 Abbaye de Pontigny, Pontigny, Bourgogne, France  3.714562  47.909490  De abdij van Pontigny is een voormalige cisterciënzer abdij gelegen in de gemeente Pontigny in het departement Yonne in Bourgondië, Frankrijk. De Latijnse naam van Pontigny is Pontiniacum.
De abdij werd in 1114 gesticht als tweede dochterklooster van de abdij van Cîteaux. Ze werd al snel rijk. Er werden door de monniken van Pontigny enkele boerderijen gesticht die onder andere graan en wijn produceerden. Vanuit Pontigny zouden 43 dochterabdijen gesticht worden.
De abdij was een geliefd toevluchtsoord voor vervolgden. Zo verbleef Thomas Becket van 1164 tot 1166 in Pontigny. Hij was hierheen gevlucht vanwege zijn verzet tegen de Engelse koning Hendrik II. Stephen Langton verbleef er van 1208 tot 1213. De heilige Edmond, aartsbisschop van Canterbury, stierf in Pontigny toen hij er in 1240 logeerde tijdens een reis naar Rome. Zijn praalgraf bevindt zich in de kloosterkerk.
Tijdens de godsdienstoorlogen had de abdij veel te lijden. In 1560 werden de abdijgebouwen in brand gestoken door de Hugenoten. De relieken van de heilige Edmond werden door de monniken in veiligheid gesteld.
In de Franse Revolutie werden bijna alle abdijgebouwen verwoest. De kerk, die gespaard werd vanwege de bedevaartscultus rondom St. Edmond, werd tot parochiekerk gemaakt.
In 1901 werden de gebouwen gekocht door de filosoof Paul Desjardins. Hij stichtte er een cultureel centrum. Elke zomer werd er een filosofische en literaire décade (tiendaagse) gehouden, waarbij belangrijke Europese intellectuelen samenkwamen. Onder andere André Gide, André Malraux, en Gaston Bachelard waren present. Desjardins is begraven op het kerkhof naast de abdijkerk.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is er op het abdijterrein een opleidingscentrum voor gehandicapten gevestigd.
Bij een hevige storm in de winter van 1999 werden delen van het dak van de kerk afgeblazen. 
36415 
72 Abbaye de Saint-André-le-Bas, Vienne, Rhône-Alpes, France  4.880204200744629  45.52457173494413  L'Abbaye de Saint-André-le-Bas de Vienne est une abbaye située à Vienne (Isère).
L'abbaye fait l'objet d'un classement au titre des monuments historiques depuis le 8 février 195.L'église Saint-André-le-Bas fait l'objet d'un classement au titre des monuments historiques par la liste de 184.
Histoire
L'abbaye de Saint-André-le-Bas est fondée au VIe siècle par le duc Ansemond, d'après son testament dont une copie tardive est conservée aux archives départementales de l'Isère. Après avoir restauré l'église des saints Apôtre Pierre et Paul (église Saint-Pierre) et enrichi le couvent féminin l'Abbaye de Saint-André-le-Haut de Vienne), il fonde ce monastère masculin implanté au confluent du Rhône et de la Gère. Les premiers temps de l'abbaye sont mal connus. L'église du monastère devient chapelle du palais des rois de Bourgogne à la fin du IXe siècle. Le monastère adopte la règle bénédictine sans doute à la fin du Xe siècle. Attirant les donations, il devient l'abbaye la plus puissante de la ville, derrière l'Abbaye Saint-Pierre de Vienne. Au XIIIe siècle l'abbé obtient du pape le droit de porter la mitre. Le quartier dans laquelle elle est implantée, appelé la Grande Paroisse joue un rôle particulier dans la ville : d'une part, la population juive y est nombreuse (elle apparaît à ce titre fréquemment dans les archives de l'abbaye), d'autre part, les premières réunions des consuls de la ville se tiennent fréquemment à proximité de l'abbatiale. Les difficultés liées à la guerre de Cent Ans et la concurrence des nouveaux ordres religieux réduisent le dynamisme du couvent qui ne parvient pas à se relever des guerres de Religion. Le nombre de moines se réduit et l'union du monastère avec celui de Saint-Chef en 1774 , puis avec celui de Saint-Pierre en 1780 fait cesser la vie monastique sur le site à la veille de la Révolution. L'église abbatiale devient paroissiale et les bâtiments conventuels sont vendus et partiellement démembrés.
Abbatiale
L'église Saint-André-le-Bas a été édifiée sur une plateforme artificielle romaine, dont un passage voûté subsiste sous les travées occidentales. Deux campagnes principales de constructions sont visibles : de la première (Xe siècle) subsiste l'élévation des murs gouttereaux, aux baies en plein cintre comblées ainsi que l'abside, reconnaissables à l'alternance d'assises de briques et de pierre. Il s'agissait d'un édifice basilical sans transept remployant de part et d'autre de l'abside deux colonnes antiques aux chapiteaux corinthiens. La seconde campagne est datée par une inscription placée à la base d'un des pilastres de la nef : "Willelmus Martini me fecit anno Domini 1152" (Guillaume fils de Martin m'a fait ou m'a fait faire en l'an du Seigneur 1152). Elle a consisté à accroître la hauteur des murs, voûter l'ensemble de l'édifice, l'étayer par des arcs-boutants et lui adjoindre un clocher. C'est à cette campagne qu'on doit un ensemble de chapiteaux proches d'oeuvres bourguignonnes contemporaines (Autun notamment). A partir du XIIIe siècle des chapelles sont ajoutées à l'édifice. Les stalles du choeur datent du début du XVIIIe siècle. Au cours du XIXe siècle plusieurs projets de reconstruction de la façade qui menaçait de s'effondrer se succèdent, avant d'aboutir au début du XXe siècle à la façade actuelle due à l'architecte Jules Formigé.
Cloître
Seul cloître roman complet de Rhône-Alpes, il a été construit au milieu du XIIe siècle. Ses sculptures sont proches de celles qui ornent le clocher de l'abbatiale. Il n'était pas voûté mais simplement charpenté comme ceux de Notre-Dame de l'Isle (Vienne) ou de Saint-Donat-sur-l'Herbasse. Une partie du plafond lambrissé actuel date de la fin du XVe siècle. Il était doté d'un étage. Après la fin de la vie conventuelle, l'aile sud a été démembrée et les autres ont été intégrées dans des constructions adjacentes. La restauration menée par Jules Formigé (inaugurée en 1938) lui a donné son aspect actuel : l'aile sud a été reconstituée à l'aide des éléments sculptés restitués par leur propriétaires et l'ensemble du plafond a été reconstitué. Les chapiteaux sont essentiellement végétaux, plus ou moins fortement inspirés de modèles corinthiens. Parmi eux figurent Samson déchirant le lion ou encore un ours dans une vigne. Certains fûts de colonnes sont ornés de motifs inspirés de l'architecture antique : imbrications de feuilles, rais de coeurs, perles notamment.
Autres bâtiments de l'abbaye
L'ancienne église Saint-Pierre-entre-les-Juifs, église paroissiale dépendant de l'abbaye, conserve deux fenêtres incluses dans la façade d'un immeuble de la rue de la Table-Ronde. La chapelle de l'abbé n'est plus signalée que par un fragment de corniche et un modillon sur la façade sud de l'école de la Table-Ronde. La maison du Chamarier (intendant de l'abbaye), accolée au sud de l'église abbatiale, conserve des éléments du XIIIe siècle. Enfin le palais abbatial aujourd'hui englobé dans l'école de la Table-Ronde conserve un escalier du XVIIIe siècle. 
82856 
73 Abbaye de Saint-Yved, Braine, Picardie, France  3.531944  49.341667  Braine est une commune de l'Aisne en France.
Monuments L'abbaye de Saint-Yved, datant du Ve siècle,entre en 1130 dans l’ordre des Prémontrés. L'abbatiale fut la nécropole des comtes capétiens de Dreux. 
36468 
74 Abbaye du Val-Dieu, Liège, België  5.805017  50.698038  L'Abbaye du Val-Dieu se trouve à Aubel, dans le pays de Herve, en Belgique. Sa construction date du début du XIIIe siècle et est l'œuvre de moines de l'Ordre de Cîteaux.
Les origines du Val-Dieu se rattachent à une communauté de moines cisterciens envoyés en l’an 1180 de l’abbaye d’Eberbach, au diocèse de Mayence, à Hocht, près de Maastricht, au diocèse de Liège, pour y fonder un monastère de l’ordre. La situation précaire de cette fondation fit que la communauté émigra aux confins du comté de Dalhem et du duché de Limbourg, dans un site sauvage et solitaire du val de la Berwinne, sur des terres plus fertiles dont firent donation, en 1216, Lothaire 1er ,comte de Hochstade et de Dalhem, et Henri III, duc de Limbourg.
L'abbaye a été partiellement détruite plusieurs fois :
* Un incendie détruit l'église en 1286 (reconstruite en 1331)
* Des Protestants mirent le feu à l'église et au monastère en 1574, la reconstruction s'acheva en 1625
Après la suppression des Ordres en 1796, l'abbaye est mise en vente en 1798. L'abbé directeur se rend propriétaire de l'église, du couvent, du jardin et de la ferme. À son décès, tout devient propriété de sa famille.
À partir de 1844, seul le château appartient aux laïcs, le reste est occupé par des moines, qui revivent en communauté à l'abbaye.
Cette cohabitation durera jusqu'en 1975.
Brasserie et fromagerie
Le brassage de la bière est un art qui est à nouveau pratiqué, depuis 1997, au sein de l'abbaye. C'est un laïc qui exerce la fonction de brasseur.
Trois bières de fermentation haute y sont fabriquées :
* Une blonde de tradition
* Une brune de tradition
* Un triple blonde
Un fromage à pâte pressée demi-cuite est également produit par l'abbaye.
De abdij van Godsdal (Frans: Val-Dieu), is een oude Cisterciënzerabdij in Aubel in de provincie Luik. De abdij dateert van bij het begin van de 13e eeuw.
Geschiedenis
In 1180 werden monniken uitgezonden van de abdij van Eberbach in Duitsland naar Hocht bij Maastricht (Lanaken), maar in 1216 kwamen zij terecht in een verlaten gebied in de vallei van de Berwijn in het land van Overmaas, precies op de grens van het graafschap Dalhem en het hertogdom Limburg.
Later ging de abt van Godsdal deel uitmaken van de statenvergadering van Dalhem of Daelhem.
De abdij werd enkele keren geteisterd door brand. In 1286 vernielde een brand de kerk, die in 1331 terug opgebouwd werd. Protestantse opstandelingen, volgens sommigen Hollandse of staatse troepen, staken in 1574 de kerk en het klooster in brand; de wederopbouw werd voltooid in 1625.
Onder de Franse bezetting werden de orden afgeschaft en de abdij werd in 1798 verkocht aan de abt en zijn familie. Vanaf 1844 wonen er opnieuw monniken.
Brouwerij en kaas
Vanaf 1997 wordt er in de abdij opnieuw bier gebrouwen (blond, bruin en triple blond). Er is ook een kaasmerk onder de naam Abbaye du Val-Dieu. 
33275 
75 Abbaye Sainte-Geneviève, Paris, Île-de-France, France  2.347651720046997  48.8459694874107  L'abbaye Sainte-Geneviève de Paris était une ancienne abbaye parisienne dont plusieurs bâtiments ont été conservés.
Historique
Située à proximité de l'église Saint-Étienne-du-Mont et du Panthéon, elle fut fondée en 502 par Clovis et son épouse Clotilde sur le mons Lucotitius où se trouvait déjà un cimetière, sous le nom de monastère des Saints-Apôtres (car dédié aux apôtres Pierre et Paul) ou ils furent inhumés tous les deux.
Sainte Geneviève avait l'habitude d'y venir prier et empruntait pour cela un chemin devenu par la suite : « rue de la Montagne-Sainte-Geneviève ». À sa mort en 512, sa dépouille fut enterrée dans l'église abbatiale aux côtés de Clovis et rejointe plus tard par la reine Clotilde.
Ravagée par les invasions normandes en 857, elle ne fut reconstruite qu'au début du XIIe par Étienne de Tournai, elle appartenait alors à l'ordre de Cluny.
l'état du XIIe d'après 'le dictionnaire raisoné' de Eugène Viollet-le-Duc.
Plusieurs conciles y furent tenu au VI et VIIe siècle, notamment celui de 577 contre Prétextat évêque de Rouen.
Lors de grand désordres, des processions avaient lieu en sortant la chasse de Sainte Geneviève qui parcourrait alors des rues de Paris, cette chasse fut fondue à La Monnaie de Paris en 1793 et les ossements de la sainte, brûlés. La chasse faisait partie d'une œuvre de Germain Pilon pour la statuaire et de l'orfèvre Bonard qui en 1242 pesais 193 marcs d'argent et sept marcs et demi d'or.
De cette ancienne église abbatiale, démolie en 1807 pour percer la rue Clovis, on découvrit dans les fouilles leurs tombeaux qui furent transportés au Musée des Monuments Françaisréf. nécessaire. De l'église initiale, il ne subsiste plus que le clocher connu actuellement sous le nom de "Tour Clovis" située dans l'enceinte du lycée Henri-IV, lui-même constitué par les anciens bâtiments conventuels de l'abbaye, datant des XIIIe et XVIIe siècles.
Le 24 juin 1667 le cercueil en cuivre de Descartes y fut déposé sous un monument de marbre.
Comme siège de la Congrégation de France (ou 'association') des abbayes augustiniennes dites des Génovéfains, l'abbaye eut une grande influence en Europe à partir du XVIIe siècle. La fédération des abbayes augustiniennes initiée par le cardinal de la Rochefoucauld, abbé commendataire de l'abbaye, avait pour but d'introduire dans les abbayes augustiniennes les réformes demandées par le concile de Trente.
Avant la Révolution française, un projet de reconstruction avait été commencé : une nouvelle abbatiale monumentale fut construite sur une crypte. Cette église, due à l'architecte Jacques-Germain Soufflot, est aujourd'hui connue sous le nom de Panthéon de Paris.
Parmi les richesses de l'abbaye, une importante bibliothèque qui est devenue la bibliothèque Sainte-Geneviève. L'astronome Pingré en fut le bibliothécaire. 
82901 
76 Abbega, Wymbritseradeel, Friesland  5.570286512156599  53.01934724181899  Abbega (Fries: Abbegea) is een dorp in de gemeente Súdwest-Fryslân, in de Nederlandse provincie Friesland.
Beschrijving
Tot 2011 lag Abbega in de voormalige gemeente Wymbritseradeel. Het dorp telt ongeveer 260 inwoners.
Er staat een kleine basisschool, genaamd Bernegea. Het fonds (leen) 'sint geertruiden', waardoor in de afgelopen eeuwen honderden studenten de mogelijkheid hebben gekregen om te kunnen studeren, heeft zijn oorsprong in dit dorp. 
134201 
77 Abbekerk, Noord-Holland  5.020065  52.732094  Abbekerk (Westfries: Abbenkerke; verouderd: Abbentjerke) is een stad en dorp in de Nederlandse provincie Noord-Holland, sinds 2007 deel uitmakend van de gemeente Medemblik. Hoewel het formeel een stad is, wordt de plaats meestal aangeduid als dorp, ook omdat bij de stad het dorp Lambertschaag behoort en omdat de stede sinds 1811, bij de invoering van de gemeentes, niet meer een bestuurlijke of judicieel een functie had en vanaf 1830 de stad niet uitgedragen werd.
Tot 1 januari 1979 was Abbekerk een zelfstandige gemeente, waartoe ook het dorp Lambertschaag behoorde. In 1979 fuseerde de gemeente met de gemeenten Midwoud, Opperdoes, Sijbekarspel en Twisk en het dorp Hauwert (tot dan behorend tot de gemeente Nibbixwoud) tot de gemeente Noorder-Koggenland, die zelf per 1 januari 2007 fuseerde tot de gemeente Medemblik.
Op 2 februari 1414 werd Abbekerk door Willem VI, samen met Twisk, Midwoud en Lambertschaag verheven tot de stede Abbekerk. Later zou het alleen nog gehele stadsrechten hebben met Lambertschaag, al bleven Twisk en Midwoud onder de stede Abbekerk vallen en dus ook onder de gezamenlijke rechtbank voor hoge, middelbare en lage jurisdictie van de stede. Ook hadden de twee dorpen nog eigendomsrechten via de stede. In Abbekerk was het een "regthuys" (rechthuis) gevestigd van de stede en de stad. Dit gebouw bestaat nog steeds, alhoewel het in 1830 door een verbouwing een heel ander aanzien kreeg. In 1830 werden ook de eigendomsrechten van Twisk en Midwoud afgekocht.
Abbekerk komt als plaatsnaam voor het eerst voor in 1310 als Abbenkerke. De plaatsnaam zou verwijzen dat hier een kerk van de persoon of familie van Abbe(n) stond.
De plaats is gelegen aan de Westfriese Omringdijk, vroeger lag het aan het water, tegenwoordig aan de polder van de Wieringermeer. Het dorp Abbekerk ligt zelf niet aan de dijk, dit is het dorp Lambertschaag.
Abbekerk werd in 1969 tot groeikern aangeduid. Het werd daardoor een stuk groter dan het lange tijd was geweest. Heel lang had Abbekerk zo'n 1000 inwoners, in 1984 was dit ruim verdubbeld, tot 2093. Bij het ontstaan van Noorder-Koggenland in 1979 was Abbekerk ook de hoofdkern geworden van de gemeente, ondanks het feit dat het gemeentehuis in Midwoud was gevestigd. In de loop van de jaren 1990 werd Midwoud mede de hoofdkern om zo ook te kunnen groeien.
Met Lambertschaag deelt Abbekerk een oud stationsgebouwtje aan de lijn Hoorn-Medemblik van de toenmalige Locaalspoorwegmaatschappij Hollands Noorderkwartier. Het werd in gebruik genomen op 3 november 1887, en op 5 januari 1941 weer gesloten. Het gebouw is een laag langwerpig gebouw en groen gekleurd.
Een bekende inwoner van Abbekerk is Wil Hartog, een voormalig Nederlands motorcoureur.
Verder is Abbekerk bekend van het internationaal bekende bedrijf Grasdrogerij Hartog. Het huidige bedrijf is gevestigd in de buurtschap Koppershorn, dat formeel onder het Lambertschaag valt. De grasdrogerij verhuisde naar Koppershorn omdat het in Abbekerk gestarte bedrijf dermate groot was geworden dat de overlast te groot was. In 1974 werd er gestart met de bouw van het bedrijf in Koppershorn. Wil Hartog, de zoon van oprichter Jan Hartog, nam in de jaren 1980 het directeurschap op zich nadat hij zijn sportcarrière beëindigde; hij was een bekend motorrijder en winnaar van de TT van Assen. In 2001 werd het bedrijf getroffen door een grote brand, maar al snel werd het heropgebouwd. 
907 
78 Abbemuhlen, Versen, Niedersachsen, Deutschland  7.2238969802856445  52.734342769426426  Beschreibung des Ortes
Versen hat 2005 fast 1.800 Einwohner und liegt an der Ems sowie an der Bundesstraße 402 und der Bundesautobahn A 31. Die alte linksemsische Handelsstraße, die sogenannte Friesische Straße, verläuft durch den Ort. Der Ort wurde 854 erstmals urkundlich als fersne erwähnt. Versen feierte im Jahr 2004 sein 1150-jähriges Bestehen.
Weit über das Emsland hinaus wurde Versen bekannt durch den Fund der Moorleiche "Roter Franz". Lange Zeit galt sie als die am besten erhaltene Moorleiche. Gefunden wurde der "Rote Franz" im Juni 1900. Neueste Untersuchungeng datieren den Tod des "Emsland-Ötzi" auf den Zeitraum zwischen 252 und 388 n. Chr.
In der Zeit des Nationalsozialismus war in Versen ab Sommer 1938 eines der Emslandlager eingerichtet worden.
Zu Versen gehörig finden sich schon früh kleinere Siedlungseinheiten (ältere Einzelgehöfte und Weiler) auf verstreut liegenden Sandrücken des Emstales: im Osten auf dem "Bergham", von hier auf halber Strecke nach Versen am Rande "Borker Hamm" und im Norden das heutige "Abbemühlen". HeimathausUm die Mitte des 18. Jahrhunderts entsteht am Rande des großen damals noch weitgehend unerschlossenen Bourtanger Moores, weit westlich des damaligen Siedlungsschwerpunktes die neue Siedlung "Tuntel" in Form einer Moorhofenkolonie. 
634 
79 Abbenbroek, Bernisse, Zuid-Holland  4.24277777777778  51.8486111111111  Abbenbroek is een dorp in de Nederlandse provincie Zuid-Holland dat sinds 1 januari 1980 tot de gemeente Bernisse behoort . Het dorp heeft ruim 1300 inwoners (2006). Abbenbroek is omstreeks 1200 ontstaan langs de rivier Bernisse op het eiland Voorne. Abbenbroek ligt ongeveer 4 kilometer ten westen van Spijkenisse en 2,5 kilometer ten zuiden van Heenvliet.  36089 
80 Abbenes, Haarlemmermeer, Noord-Holland  4.590353965759277  52.234503325743404  Abbenes is een dorp in de gemeente Haarlemmermeer in de provincie Noord-Holland, gelegen aan de Hoofdvaart tussen Nieuw-Vennep en Buitenkaag, in het zuidwestelijke, minst verstedelijkte gedeelte van de Haarlemmermeer. Het telt 1136 inwoners (op 1 januari 2009).
De naam van het polderdorp herinnert aan het gelijknamige eiland in het Haarlemmermeer, dat mettertijd in het meer was verdwenen. De naam van dit eiland komt van "het nes van de abt", wat zoiets betekent als de neus van de abdij. Over het bestaan van een abt op het eiland zelf heerst enige onduidelijkheid. Vlakbij lag ook de landtong Huigsloot; de Dr. Heijelaan loopt daarnaartoe.
Verenigingen
De verenigingen in Abbenes zijn onder andere de Oranje Evenementen Vereniging, Sportvereniging Abbenes, Toneelvereniging Abbenes en de Algemene Volleybal Vereniging Abbenes.
Scholen
Op dit moment is er in Abbenes slechts een school. De basisschool De Tonne. Deze school heeft vroeger ook Meester Pieter Boekelschool geheten. Langs de Hoofdweg bevond zich vroeger de School met de Bijbel en in de Dr. Heijelaan stond de Cornelia Sophia School.
Monumenten
Er bevinden zich in 2009 5 monumenten in Abbenes. Dit zijn de Boerderijen Andreas Hoeve, Vondel's Landleeuw en Meerhof, de Nederlands Hervormde Kerk en het graf van de negentiende-eeuwse arts en schrijver J.P. Heije. Heije was de auteur van vele nog steeds bekende kinderliedjes, zoals Zie de maan schijnt door de bomen. Hij bracht zijn laatste levensjaren in Abbenes door en was er de plaatselijke weldoener. 
74847 
81 Abbeville, Picardie, France  1.8419265747070312  50.107808876025054  Abbeville-Nord is een kanton van het departement Somme in Frankrijk. Een kanton omvat veelal een aantal kleinere gemeentes. Maar bij grotere plaatsen is het zo dat een dergelijke gemeente meerdere kantons kan omvatten.
Het kanton Abbeville-Nord omvat de volgende gemeentes:
* Bellancourt
* Caours
* Drucat
* Grand-Laviers
* Neufmoulin
* Vauchelles-les-Quesnoy
Abbeville-Sud is een kanton van het departement Somme in Frankrijk. Een kanton omvat veelal een aantal kleinere gemeentes. Maar bij grotere plaatsen is het zo dat een dergelijke gemeente meerdere kantons kan omvatten.
Het kanton Abbeville-Sud omvat de volgende gemeentes:
* Bray-lès-Mareuil
* Cambron
* Eaucourt-sur-Somme
* Épagne-Épagnette
* Mareuil-Caubert
* Yonval 
34554 
82 Abbotsford, British Columbia, Canada  -122.27766036987305  49.0427066868467  Abbotsford is a Canadian city in the Fraser Valley of British Columbia, adjacent to Greater Vancouver. It is the 5th largest municipality in British Columbia and the 37th largest in Canada, home to 128,940 people (2006). Its Census Metropolitan Area numbers 159,020 people (23rd largest in Canada in 2006).
Abbotsford is the third most ethnically diverse city in Canada, after Toronto and Vancouver. It is also home to Abbotsford International Airport, which serves as a reliever airport to Vancouver International Airport.
The municipality shares its southern boundary with the Canada-US border, across from Sumas, Washington. In Canada, it is bordered by Langley to the west, Mission to the north, and Chilliwack to the east. Most of Abbotsford has dramatic views of Mount Baker, which is less than 100km from the city.
History
The first stage in Abbotsford's colonial development occurred when the Royal Engineers surveyed the area in response to the Gold Rush along the Fraser River in 1858. This led to the building of Old Yale Road, the first transportation route to link the Fraser Valley. Settlement continued and tobacco, milk and butter was produced by the late 1860s. In 1891 the Canadian Pacific Railway built a line through the area that connected Mission with Sumas. BC Electric Railway arrived soon after in 1910, ensuring a rapid rate of growth that has continued to this day.
The most notable natural disaster to ever hit Abbotsford was a major flood in 1948.
Demographics
Abbotsford is the third most ethnically diverse city in Canada and has been well-known, like neighbouring communities on the south bank of the Fraser, for having a large German and Dutch population within the usual core of British ethnicities as well as an associated large religious community of Lutherans, Mennonite, Dutch Reformed and various fundamentalist and evangelical denominations. As also typical in British Columbia, there are large components of the population from the Scandinavian and Eastern and Southern European nationalities. It now leads the country with the highest proportion of people of South Asian origin per capita, according to results from the 2006 census.
Abbotsford's largest religious group is Christian at a total 61.4%, with most belonging to Protestant and Anabaptist (Mennonite Brethren and Mennonite Church) denominations. The largest non-Christian religious group is the Sikh community, comprising 13.4% of the population. The city contains the first Sikh temple built in Canada, which is also one of the oldest in North America.
The largest racial group is Caucasian, comprising approximately 79.6% of the population. The largest ethnic groups within this are English, German, Canadian, Scottish, Irish, Norwegian, Swedish, Italian, Hungarian, Russian, Polish, Danish and Spanish. (see table below)
The next largest racial group in Abbotsford is South Asian (countries of India, Pakistan, Bangladesh and Sri Lanka) comprising 14.9% of the population. Next are East and Southeast Asian at 4.71%, then Aboriginals, at 2.2% of the population (3.4% including Metis and indigenous peoples from other parts of Canada and the United States.
English is the primary language spoken, with 71.2% of the population having it as their first language. Punjabi is the second most spoken language.
23.8% of the city's population was born outside of Canada. Of that percentage, a majority is from South Asia, followed by groups from Southeast Asia, China, Korea and Latin America. 
59106 
83 Abbotsford, Victoria, Australia  145.002  -37.803  Abbotsford (parts of which were also known as Carringbush at the turn of the 19th century) is a small inner city suburb of Melbourne, Victoria, Australia, nestled in between Collingwood, Richmond and Clifton Hill and separated from Kew by the meandering Yarra River. Formerly part of the City of Collingwood, it is now part of the City of Yarra.
History
Abbotsford area was once bush along the Yarra River, but was subdivided as an industrial estate in the late 1870s.
Originally the area was home to many Irish, mostly factory workers, and until the construction of Melbourne's sewerage and drainage systems was regularly flooded by the Yarra River. Since World War II the area has become very multicultural, with many Greeks, Italians, Vietnamese, Chinese and more recently Arabs and Africans making it their home.
In the 1960s a section of the northern part of the suburb was demolished to make way for the Eastern Freeway.
The originally working class area long had a reputation for heroin and crime.
Along with Clifton Hill and Collingwood the suburb was a part of the City of Collingwood until former State premier Jeff Kennett conducted a wholesale merger of local government areas in the early 1990s.
Property values have skyrocketed in recent years and many young professionals have moved to the area and the old industrial areas have experienced significant gentrification and urban renewal since 2000.
In recent years, Victoria Street has become associated with Melbourne's Vietnamese community and is home to the biggest and best selection of Vietnamese food in Melbourne and is known as Little Saigon along Victoria Street. 
34674 
84 Abcoude Proosdij, Utrecht  4.9833  52.2833  Abcoude (Vroeger Abcoude Proosdij) is een gemeente en dorp in het noordwesten van de Nederlandse provincie Utrecht, grenzend aan de gemeente Amsterdam. De gemeente telt 8.657 inwoners (per 1 januari 2007, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 32,11 km² (waarvan 1,75 km² water).  20006 
85 Abcoude, Utrecht  4.9833  52.2833  Abcoude is een gemeente en dorp in het noordwesten van de Nederlandse provincie Utrecht, grenzend aan de gemeente Amsterdam. De gemeente telt 8.657 inwoners (per 1 januari 2007, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 32,11 km² (waarvan 1,75 km² water).  21483 
86 Abdij Averbode, Averbode, Vlaams-Brabant, België  4.979209899902344  51.03363687084692  De Abdij van Averbode werd in 1135 gesticht op initiatief van Arnold II, graaf van Loon. Eggebertus van Rolingen, een kasteelheer van het huidige Rullingen was getuige bij de stichting.
Het is een abdij van de Premonstratenzers, ook Norbertijnen of Witheren genoemd.
Geschiedenis
In de beginjaren overleefde de kloostergemeenschap, die oorspronkelijk uit mannen en vrouwen bestond, door landbouw waarbij de Norbertijnen hulp kregen van lekenbroeders. De zusters verhuisden aan het begin van de 13e eeuw naar een eigen abdij (Keizerbos). Deze gemeenschap bleef tot 1796 bestaan.
In 1154 schonk graaf Lodewijk I van Loon de Bolderbergwinning, nu gekend als domein Bovy aan de kloostergemeenschap. Het bleef in hun bezit tot de Franse revolutionairen het domein verbeurd verklaarden en verkochten.
De Norbertijnen van Averbode hielden zich in de late middeleeuwen meer met pastoraal werk bezig. De kerk en het abdijgebouw werden in 1499 door blikseminslag zwaar beschadigd. Tijdens de 16e eeuw moesten de Norbertijnen verscheidene keren een veilig onderkomen zoeken in hun refugehuis van Diest en later Averbode verlaten om zich eerst in Sint-Truiden, daarna in Diest te vestigen. In 1604 lieten de omstandigheden het toe om terug te keren.
In 1648 voltooiden Norbertijnen de bouw van een bedevaartskapel in Kortenbos bij Sint-Truiden. De Fransen schaften in 1796 bijna alle kloosters en abdijen af; de abdij werd verkocht en het klooster afgebroken. Het monumentale pijporgel van Robustelly werd gekocht door de St. Lambertuskerk te Helmond (Nederland), waar het nog steeds te bewonderen en te beluisteren valt. In 1802 verwierven de Norbertijnen de abdij opnieuw en na de onafhankelijkheid van België in 1830 werd het kloosterleven in Averbode hervat. In 1858 werd het op dat moment grootste romantische kerkorgel van België in de abdij in gebruik genomen, gebouwd door Hippolyte Loret. Dit orgel is momenteel onbespeelbaar en wacht op restauratie.
Op het einde van de 19e eeuw vertrokken ook de eerste missionarissen naar Brazilië. Toen legden de broeders zich toe op drukkers- en uitgeversactiviteiten en het aantal leden van de gemeenschap nam in die periode sterk toe. Vanaf 1920 gaf de abdij een kindertijdschrift uit: Zonneland. In 1930 volgden de Vlaamse Filmpjes, waarin de jeugd kon kennismaken met de literatuur, en in 1958 ontstond Zonnekind. De drukkerij, die zich op het terrein van de abdij bevond, werd in 1996 verkocht aan een privéonderneming, deze is intussen failliet. De plaats van de drukkerij wordt momenteel omgebouwd.
In 1942 telde de gemeenschap 230 leden. In hetzelfde jaar werd het hele complex behalve de kerk door brand vernield.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw waren de Norbertijnen actief in het onderwijs door het stichten van colleges voor middelbaar onderwijs.
Huidige activiteiten
Tegenwoordig (2004) vind je in de abdij een gastenkwartier, een bibliotheek en een bezinningscentrum. De gemeenschap telt 92 leden waarvan er 39 in de abdij leven en werken. De huidige abt is Jos Wouters. Hij volgde in februari 2006 abt Ulrik Edward Geniets op die in november 2005 onverwacht stierf. 
67829 
87 Abdij, Rijnsburg, Zuid-Holland  4.443444013595581  52.1895065816722  De Abdij van Rijnsburg (1133 - 1574) werd in 1133 gesticht door Petronilla van Saksen, de weduwe van graaf Floris II, tijdens haar regentschap voor haar zoon Dirk VI. Het was een vrouwenabdij in de traditie van Cluny. Er konden uitsluitend adellijke vrouwen toetreden.
Onder bescherming van de graven en gravinnen van Holland werd het de belangrijkste vrouwenabdij van Holland, met zeer veel bezittingen. Onder andere Aalsmeer en Boskoop.
In 1574 werden de gebouwen van de abdij verwoest. In het centrum van Rijnsburg resteert, als deel van de huidige kerk, alleen nog een van de twee torens van de romaanse abdijkerk. 
82922 
88 Abelstok, Leens, Groningen  6.44944444444444  53.3513888888889  Abelstok is het gemaal vlakbij de Abelstokstertil in de provincie Groningen dat als een van de drie gemalen de zg. tweede schil van het door de bodemdaling door gaswining verzakte gebied gaat bemalen.
Het gemaal staat met de gemalen Stad & Lande en Schaphalsterzijl op de rand van het verzakte gebied.
Naast het gemaal is een schutsluis aanwezig om de scheepvaart (voornamelijk pleziervaart) mogelijk te houden.
Het gemaal staat in de Hoornsevaart op de plek waar de Kromme Raken naar het zuiden aftakt.
Ook het bos aan de overkant van de provinciale weg heet Abelstok.
De Abelstokstertil is de brug (til) met de N361 over de Kromme Raken tussen Mensingeweer en Wehe-den Hoorn (gemeente De Marne).
De naam Abelstok is bij veel Groningers bekend. De herkomst van de naam is onduidelijk. Vermoedelijk is het genoemd naar een paal (stok) die daar in of bij het water was geplaatst namens de abt van het klooster van het Oldenklooster en Nijenklooster (ten noorden van Wehe-den Hoorn). Abelstok zou dus zijn: abtenstok. De paal zou kunnen zijn bedoeld om een doorwaadbare plek aan te gegeven of het zou een grenspaal kunnen zijn geweest. De aanduiding stok zou ook kunnen verwijzen naar een smalle loopbrug met één leuning.
De naam is al lang in gebruik en dus zeker – zoals wel wordt gedacht – geen verwijzing naar de nabij gelegen boomgaard, waar bij de ingang de naam Abelstok is aangebracht.
Een sage wil doen geloven dat een zekere Abel de naamgever was. Hij had gewed dat hij met een polsstok over het water kon springen. Dat lukte hem inderdaad, maar hij sprong zo ver dat niemand hem nog kon zien, waarop iedereen "Wee, wee" riep. Zo kwam Wehe aan zijn naam. Om aan te geven dat hij goed was overgekomen blies de bakker op zijn hoorn. Zo kreeg Den Hoorn zijn naam. Toen was men gerust gesteld en zei: "d' Mens is er weer" en dat werd: Mensingeweer. 
65702 
89 Abeltjeshuis, Vlagtwedde, Groningen  7.21451997756958  53.00643152334228  Abeltjeshuis is een streek in de gemeente Vlagtwedde in de provincie Groningen in Nederland.
Het ligt aan de grens met Duitsland ten oosten van Bourtange.
Abeltjes Huis was de naam van een eeuwenoude boerderij annex herberg. Deze deed in vroegere tijden dienst als rust- en overnachtingsplek voor reizigers die van en naar het Duitse achterland Westfalen trokken. De oude heirweg van Groningen naar Münster passeerde hier de grens.
Historie
Na de inval van de Franse troepen in 1795 werd ook de vesting Bourtange door hen veroverd. Ter verdediging werd ten oosten van Bourtange een linie aangelegd met diverse verdedigingswerken. Een lastig punt in deze verdedigingszone vormde het Abeltjeshuis. Om strategische redenen werd de verdedigingslinie ten oosten van Abeltjehuis aangelegd. Na de opheffing van de vesting Bourtange verloor de verdedigingslinie haar functie. De stichting Het Groninger Landschap wist het gebied in 1936 te verwerven. Diverse onderdelen van de verdedigingslinie zijn nog goed in het landschap te herkennen: de 637 meter lange liniedijk en de plaatsen waar de bastions, de redans en de redoute Bakoven hebben gelegen. 
75999 
90 Aberdeen, Brown County, South Dakota, USA  -98.48470687866211  45.46477202986448  Aberdeen is a city and the county seat of Brown County, South Dakota, USA, about 125 mi (200 km) northeast of Pierre. Settled in 1880, it was incorporated in 1882. The city population was 26,091 at the 2010 census. The American News is the local newspaper. Also it is the home of Northern State University (NSU), and Presentation College (PC).
Aberdeen is the principal city of the Aberdeen Micropolitan Statistical Area, which includes all of Brown and Edmunds counties and has a population of 39,827.
History
Settlement
Before Aberdeen or Brown County was inhabited by European settlers, it was inhabited by the Sioux Indians from approximately 1700 to 1879. The first appearance of Caucasians was with the founding of fur trading posts during the 1820s; these trading posts remained operational until the mid 1830s. The first “settlers” of this region were the Arikara Indians, but they would later be joined by others.
The first group of Caucasian settlers to reach the area that is now Brown County was a party of only four people, three horses, two mules, fifteen cattle, and two wagons. This group of settlers was later joined by another group the following spring, and eventually more and more settlers migrated towards this general area which is currently Columbia, South Dakota. This town was established on June 15, 1879.
The majority of the settlers were Caucasian, with the next largest group being Native American, a trend that has continued to this day.
Creation of the town
Aberdeen, like many towns of the Midwest, was built around the newly developing railroad systems. Aberdeen was first officially plotted as a town site on January 3, 1881, by Charles Prior, the superintendent of the Minneapolis office of the Chicago, Milwaukee, and St. Paul Railroad, or the Milwaukee Road for short, which was presided over by Alexander Mitchell. Mitchell, Charles Prior’s boss, was born in Aberdeen, Scotland, after which the town of Aberdeen, South Dakota, was named. Aberdeen was officially founded on July 6, 1881, the date of the first arrival of a Milwaukee Railroad train. Aberdeen then operated under a city charter granted by the Territorial Legislature in March, 1883.
As Aberdeen grew, many businesses and buildings were constructed along Aberdeen’s Main Street. However, this soon became a problem due to Aberdeen’s “unique” geography; Aberdeen is, after all, referred to as “The Town in the Frog Pond”. At first, this unique condition presented no problem to the newly constructed buildings because it had not rained very much; but eventually, citizens would see how inconvenient the problem would become. During dry periods, this Frog Pond caused no trouble and was unnoticeable; but when heavy rains fell, the Pond reappeared and flooded the basements of every building on Main Street, causing many business owners and home owners much turmoil. When this flooding happened, the city had only one little steam pump that had to be used to dry out the entire area that had been flooded, which would take days, if not weeks – and more often than not, it would have rained again in this time period and caused even more flooding, even in the basements that had already been emptied of the water. And then, even once the water was gone from the basements, the city still had to deal with the mud that was also a result of the heavy rains. It was because of this Frog Pond that the city decided in 1882 to build an artesian ditch, which was later upgraded and developed into an artesian well in 1884 to combat the heavy rains and keep the basements from flooding. Even though the artesian well was designed by the city engineers to prevent flooding and develop a water system, this was not how things happened; during the digging of the well, the water stream that was found underground was too powerful to contain due to the built up pressure, which caused the water to come blasting out with violent force and soon had the entire Main Street under, in some cases, four feet of water. The engineers realized the previous flaws of the artesian well plan and soon added a gate valve to the well to control the flow of water, giving Aberdeen its first working water supply.
By 1886, Aberdeen had three different railroad companies with depots built in the newly developing town. With these three railroads intersecting here, Aberdeen soon became known as the “Hub City of the Dakotas”. When looking down on Aberdeen from above, the railroad tracks converging in Aberdeen resembled the spokes of a wheel converging at a hub, hence the name “Hub City of the Dakotas”. These three railroad companies are the reason why Aberdeen was able to grow and flourish as it did; however, only one of these railroads is still running through Aberdeen, the railroad today known as the Burlington Northern Santa Fe.
According to the census of 1900, Aberdeen had a population of 4,087; by the census of 1910, it had reached 10,752, an increase of 163 percent. It was from these censuses that Aberdeen was predicted to reach a population of 50,000 by 1920. However, this was not the case; the population soon began to decline. The estimated population in July 2006 was 24,071, a 2.4% decrease since 2000. Community groups blame this decline on the flight of young adults and an increasingly aging population.
Aberdeen is the county seat of Brown County. The original county seat was, however, Columbia. During the days of the railroad construction, plans were laid to bring the railroad through Columbia, then the county seat. When word of this spread, land in and around Columbia soared in price due to speculation. When time came for the railroads to purchase land, the increase in land prices led them to change their decision and instead to route the rail lines through Aberdeen. However, once Aberdeen became a town in 1881, there was a long-running controversy concerning which town would be the county seat, which continued until 1890, when it was declared by the newly formed South Dakota state constitution in 1889 that a majority vote could move the county seat if the county seat in question had originally been established by less than a majority vote. The result of the vote declared that Aberdeen would be the county seat once and for all, so all of the records were once again transferred to Aberdeen’s courthouse; during the battle for county seat, the records had been moved from Columbia’s courthouse to Aberdeen’s courthouse (which was built from 1886 to 1887), and back again to Columbia’s in what seemed to be a never-ending cycle of the transferring of records. This was typically done in the form of nighttime raids from the two towns.
May 2007 flood
During a 48-hour period beginning on the morning of Friday, May 4, and ending on the morning of Sunday, May 6, Aberdeen received 9.12 inches (232 mm) of precipitation. This rain flooded city streets, making many of them impassable for a short time, and caused water damage to many homes. Within 2 weeks of the storm, over 300 families had requested assistance from disaster response agencies. By May 25, 104 houses had been condemned due to the damage; of these, 47 were declared unlivable. Brown County, which includes Aberdeen, was declared a disaster area. 
84285 
91 Aberdeen, Oos-Kaap, Suid-Afrika  24.065122604370117  -32.48138390324739  Aberdeen is 'n dorp in die Oos-Kaapse Karoo in die Kamdeboo-berge, Suid-Afrika. Die N9 nasionale pad gaan langs die dorp verby.
Geskiedenis
Dit is gestig in 1856 as 'n kerkdorp op die plaas Brakkefontein, na die NG gemeente reeds in 1852 gestig is. Die huidige kerkgebou is op 12 September 1925 ingewy. Die dorp is vernoem na die geboorteplek in Skotland van ds. Andrew Murray, predikant van Graaf-Reinet. 
132222 
92 Abington Township, Montgomery County, Pennsylvania, USA  -75.12090682983398  40.119329017235316  Not to be confused with North Abington Township, Lackawanna County, Pennsylvania, South Abington Township, Lackawanna County, Pennsylvania, or West Abington Township, Lackawanna County, Pennsylvania.
Abington Township is a township in Montgomery County, Pennsylvania, United States, on the northern fringes of Philadelphia. The population was 55,310 as of the 2010 census, making it the second most populous township in Montgomery County (following Lower Merion Township). The population density is 3603.3 per square mile, making it the second most densely populated township in Montgomery County (following Cheltenham Township).
Abington Township is one of Montgomery County's oldest communities, dating back to before 1700 and being incorporated in 1704. It is home to some of the county's oldest transportation routes, industries and churches. Many of these older business and transportation centers were the forerunners of modern Abington. Abington contains the Willow Grove Park Mall, several small businesses, and a few of Montgomery County's largest employers
History
The land that comprises Abington today was purchased from the native Lenape by William Penn during the 1680s. By the next decade, a handful of European settlers built and lived in Hill Township, at the crossroads of Susquehanna Street Road and Old York Road. After brief times under other names, the township incorporated as Abington in 1704. The name's origin is not known. A local 1734 census counted 42 resident landowners. During the U.S. War of Independence, there was a small battle that took place at Edge Hill.
Some institutions have been in Abington for most of its existence. The cornerstone of the original Abington Friends School, in operation since before Abington's incorporation, is used in today's school building. The Abington Presbyterian Church opened in the early years of the township, and while the original building is gone, its graveyard is still used today.
The railroad reached the township in 1855, with the first station building erected in 1873 on the site of today's Noble Station.
Abington Senior High School and Fox Chase Farm are listed on the National Register of Historic Places. 
142380 
93 Abolens, Liège, België  5.14859676361084  50.67321787584026  Abolens is een dorpje in de Belgische provincie Luik en een deelgemeente van Hannuit. Het dorp telt ruim 300 inwoners en is 271 ha groot. Op het grondgebied van Abolens ontspringt de Jeker.
Geschiedenis
Het dorp wordt voor het eerst beschreven in het jaar 1250, toen nog geschreven als Abolenz, naar de Germaanse god Aboldus. Tijdens de Franse Revolutie werd het dorp samengevoegd met Poucet. Nadat Abolens weer onafhankelijk werd, werd Abolens in 1822 opnieuw samengevoegd met het dorp Lens-Saint-Remy. In 1881 zou Abolens weer onafhankelijk worden van dit dorp.
Sinds 1970 is het dorp niet meer zelfstandig en opgegaan in de gemeente Hannuit. 
67822 
94 abtei Corvey, Höxter, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  9.409189224243164  51.778730064708895  Corvey (veraltet auch Korvey) ist eine ehemalige Benediktinerabtei in Höxter im heutigen Nordrhein-Westfalen. Corvey war eines der bedeutendsten karolingischen Klöster, es verfügte über eine der wertvollsten Bibliotheken des Landes und zahlreiche Bischöfe gingen aus der Abtei hervor. Corvey hatte entscheidenden Anteil an den ersten Missionierungsversuchen in Skandinavien. Ansgar, der „Apostel des Nordens“, wurde hier erzogen.
Gründung und erste Blütezeit
König Ludwig der Fromme begründete im Jahre 815 auf Veranlassung seines Vaters Karls des Großen das erste Kloster im Land der Sachsen (siehe Hethis), das von Benediktinermönchen aus Corbie an der Somme bezogen wurde, und nannte es Corbeia nova, neues Corbie. Die Mönche verlegten den Sitz im Jahre 822 an die Stelle des heutigen Corvey, wo es sich im 9. und 10. Jahrhundert zu einem der bedeutendsten Zentren der christlichen Kultur Nordwesteuropas entwickelte. 823 wurde Ansgar (später Bischof von Hamburg-Bremen) als Lehrer und Prediger vom Mutterkloster Corbie nach Corvey entsandt. 936 erhielt die Abtei die Reliquien des Heiligen Vitus aus der Basilika St. Denis bei Paris. 942 bis 973 wirkte hier außerdem der Chronist Widukind von Corvey, der unter anderem hier seine „Sachsengeschichte“ schuf. Die dreischiffige Basilika wurde 830 begonnen und 844 geweiht. 873–885 wurde das Westwerk nach dem Vorbild der Aachener Pfalzkapelle angeschlossen, heute nicht nur das älteste westfälische Baudenkmal und ehrfurchtsvoll das „Heiligtum“ Westfalens genannt, sondern das älteste erhaltene Westwerk überhaupt. Es war das größte Gebäude des norddeutschen Raumes seiner Zeit. Die dort vorhandenen Fresken aus dem 9. Jahrhundert zeigen antike Motive der Odyssee. König Ludwig der Deutsche (der dritte Sohn Ludwigs des Frommen) siegelte am 25. September 870 in seinem Palast zu Aachen eine Urkunde, in der er sein umfangreiches Hofgut Litzig („lizzicha“) bei Traben-Trarbach dem Kloster Corvey schenkte. 1152 ist es als „Liciacum“, 1156 als „Liciacus“, 1200 als „Lizeche“, 1296 als Lytzig, ab 1500 als Litzig erwähnt. Noch heute erinnert das „Corveyer Wäldchen“ im Trabener Stadtteil Litzig an diese Zeit.
Reichsunmittelbarkeit und Dreißigjähriger Krieg
Unter Abt Wibald von Stablo (1146–1158) wurde das Westwerk in seiner heutigen Form ausgebaut und das Kloster erlangte seine Reichsfreiheit. Es gelang ihm auch, ein kleines Territorium von 5 km² zu bilden, das unmittelbar an das des Fürstbischofs von Paderborn angrenzte, in dessen Diözese es auch lag. 1500 kam Corvey zum Niederrheinisch-Westfälischen Reichskreis.
Im Dreißigjährigen Krieg wurde das Kloster zerstört und danach barock in seiner heutigen Form wieder aufgebaut. Der Brand vernichtete eine der bedeutendsten Bibliotheken der damaligen Welt.
Säkularisierung und das Bistum Corvey
Das etwa 12.000 Einwohner starke Hochstift, das im Jahr über etwa 100.000 Taler Einnahmen verfügte, versuchte sich stets aus der Abhängigkeit von den Bischöfen von Paderborn zu lösen. Einen starken Motivationsschub gab es durch das drohende Aussterben gegen Ende des 18. Jahrhunderts, zählte der Konvent doch 1786 lediglich noch 13 Mitglieder. Da Corvey nur adligen Kandidaten Aufnahme gewährte und es von diesen kaum noch Bewerber gab, versuchte man dem Untergang durch die Erhebung zum Bistum zu entgehen.
Nach verschiedenen Vergleichen mit den umliegenden Territorialfürsten und dem Bischof von Paderborn erlangte die Abtei 1779 die Erhebung in den Rang einer exemten Territorialabtei. In Gegenwart des Abtes beschloss der Konvent, dass der Gottesdienst, der stets sein benediktinisches Gepräge behalten hatte, auch nach einer Säkularisation der Abtei nicht verringert werden sollte, was für einen noch immer strengen klösterlichen Tagesablauf sprach. Für die Abhaltung der Gottesdienste wurden die Alumnen des 1786 eröffneten Priesterseminars herangezogen, da die meisten Mönche zu alt waren, um den ganzen Gottesdienst abhalten zu können. Zugleich wurde die Zahl der künftigen Domherren auf zwölf und deren Gehalt auf 500 Taler festgelegt. Auch wurde die Vita communis weitestgehend reformiert und die Klausur aufgehoben.
1788 richtete die Abtei ihren Säkularisierungsantrag an den Papst. Hierfür wurde besonders Ferdinand von Lüninck aktiv, der dafür mit einem Domkanonikat entlohnt wurde. Der Papst hob das Kloster 1792 auf und erhob sein Stiftsgebiet zum Bistum, obwohl dies lediglich 10 Pfarreien umfasste. Die Konventualen wurden nun zu Domherren erhoben, denen sich noch weitere Domizellare zugesellen sollten. Gleichzeitig erhielt die neue Kathedrale sechs Domvikare. Abt Theodor von Brabeck wurde nun Bischof und der Prior Domdechant. Die Kleidung und die Rechte wurden den übrigen deutschen Domkapiteln angeglichen. Im Jahr 1794 wurde die Urkunde durch den Kaiser ausgestellt und das neue Bistum, das lediglich das Gebiet des Hochstiftes umfasste, der Kirchenprovinz Mainz unterstellt. Auf Theodor von Brabeck folgte 1794 Ferdinand von Lüninck als Fürstbischof. Schon wenig später (1803) wurde das Fürstbistum Corvey durch den Reichsdeputationshauptschluss aufgehoben. Das Territorium fiel an die Grafen von Nassau-Dietz, die auch den Titel der Prinzen von Orange führten. Landesherr wurde Wilhelm V. von Oranien, ab 1806 Wilhelm Friedrich Prinz von Oranien-Nassau. 1807 wurde Corvey Bestandteil des napoleonischen Königreiches Westphalen, anschließend 1815 preußisch. Das geistliche Bistum Corvey blieb bis zum Tode Ferdinand von Lünincks 1825 bestehen.Die Bibliothek geht im Kern auf die Sammeltätigkeit des bibliophilen Landgrafen Victor Amadeus von Hessen-Rotenburg (1779 bis 1834) zurück, der 1820 das frühere Fürstbistum Corvey erhielt.
Hoffmann von Fallersleben in Corvey
In Corvey befindet sich das Grab des Dichters Hoffmann von Fallersleben, der als Bibliothekar die Fürstliche Bibliothek Corvey für Victor Herzog von Ratibor und Fürsten von Corvey mit etwa 74.000 Bänden betreute.
Besitz der Herzöge von Ratibor
Die Herzöge von Ratibor (Haus Hohenlohe) sind bis heute Eigentümer von Schloss Corvey und der darin befindlichen Fürstlichen Bibliothek Corvey. Derzeit ist der österreichische Staatsbürger Franz-Albrecht Metternich-Sandor Fürst von Corvey.
Benachbarte Siedlungen
Beim Kloster befinden sich Reste der Stadt Corvey, die rund um das von Corvey abhängige Stift Niggenkerken von den Äbten als Konkurrenz für das nahegelegene Höxter gegründet wurde. Die Siedlung verfiel nach einem Überfall des Bischofs von Paderborn und der Bürger von Höxter 1267 allmählich und wurde im 16. Jahrhundert endgültig aufgegeben. Ebenfalls in unmittelbarer Nähe des Klosters befindet sich die Ruine der abhängigen Propstei tom Roden. 
67384 
95 Abu Dhabi, Al-Imārāt al-‘Arabīyah al-Muttahidah  54.39  24.4502777777778  Abu Dhabi (ook wel Aboe Dhabi) (Arabisch: أبوظبي) is de hoofdstad van het emiraat Abu Dhabi en van de Verenigde Arabische Emiraten (Arabisch: الإمارات العربيّة المتّحدة.) Het is een havenstad aan de Perzische golf. De bevolking werd in 2000 op 1 miljoen inwoners geschat, waarvan ongeveer 80% buitenlanders. Abu Dhabi International Airport is de luchthaven van de stad.  37348 
96 Acapulco, Mexico  -99.8824646473804  16.872179218777504  Acapulco (officially known as Acapulco de Juárez) is a city, municipality and major sea port in the state of Guerrero on the Pacific coast of Mexico, 300 kilometres (190 mi) southwest from Mexico City. Acapulco is located on a deep, semi-circular bay and has been a port since the early colonial period of Mexico's history. It is a port of call for shipping and cruising lines running between Panama and San Francisco, California, United States. The city of Acapulco is the largest in the state, far larger than the state capital Chilpancingo. Acapulco is also Mexico's largest beach and balneario resorted city.
The city is best known as one of Mexico's oldest and most well-known beach resorts, which came into prominence in the 1950s as a getaway for Hollywood stars and millionaires. Acapulco is still famous for its nightlife and still attracts many tourists, although most are now from Mexico itself. The resort area is divided into two: The north end of the bay is the "traditional" area, where the famous in the mid-20th century vacationed; and the south end is dominated by newer luxury high-rise hotels.
The name "Acapulco" comes from Nahuatl language Aca-pōl-co, and means "where were destroyed or washed away the reeds". The "de Juárez" was added to the official name in 1885 to honor Benito Juárez, the former president of Mexico. The seal for the city shows broken reeds or cane.
History
By the eighth century in the Acapulco area, there was a small culture which would first be dominated by the Olmecs, then by a number of others during the pre-Hispanic period. In Acapulco bay itself, there were two Olmec sites, one by Playa Larga and the other on a hill known as El Guitarrón. Olmec influence caused the small spread-out villages here to coalesce into larger entities and build ceremonial centers. Later, Teotihuacan influence made its way here via Cuernavaca and Chilpancingo. Then Mayan influence arrived from the Isthmus of Tehuantepec and through what is now Oaxaca. This history is known through the archeological artifacts that have been found here, especially at Playa Hornos, Pie de la Cuesta and Tambuco. In the 11th century, new waves of migration of Nahuas and Coixas came through here. These people were the antecedents of the Aztecs. After four years of military struggle, Acapulco became part of the Aztec Empire during the reign of Ahuizotl and was anexed to a tributary province called Tepecuacuilco; however, this was only transitory, as the Aztecs could only establish an unorganized military post in the ouskirts of the city, which was on territory under control of the Yopes, who continued defending it and living there until the arrival of the Spanish.0
There are two stories about how Acapulco bay was discovered by Europeans. The first states that two years after the Conquest, Hernán Cortés sent explorers west to find gold. The explorers had subdued this area after 1523, and Captain Saavedra Cerón was authorized by Cortés to found a settlement here. The other states that the bay was discovered on December 13, 1526 by a small ship named the El Tepache Santiago captained by Santiago Guevara. The first encomendero was established in 1525 at Cacahuatepec, which is part of the modern Acapulco municipality. In 1531, a number of Spaniards, most notably Juan Rodriguez de Villafuerte, left the Oaxaca coast and founded the village of Villafuerte where the city of Acapulco now stands. Villafuerte was unable to subdue the local native peoples, and this eventually resulted in the Yopa Rebellion in the region of Cuautepec. Hernán Cortés was obligated to send Vasco Porcayo to negotiate with the indigenous people giving concessions. The province of Acapulco became the encomendero of Rodriguez de Villafuerte who received taxes in the form of cocoa, cotton and corn.
Cortés established Acapulco as a major port by the early 1530s, with the first major road between Mexico City and the port constructed by 1531. The wharf, named Marqués, was constructed by 1533 between Bruja Point and Diamond Point. Soon after, the area was made an "alcadia" (major province or town).
Spanish trade in the Far East would give Acapulco a prominent position in the economy of New Spain. Galleons started arriving here from Asia by 1550, and in that year thirty Spanish families were sent to live here from Mexico City to have a permanent base of European residents. Acapulco would become the second most important port, after Veracruz, due to its direct trade with the Philippines. This trade would focus on the yearly Manila-Acapulco Galleon trade, which was the nexus of all kinds on communications between New Spain, Europe and Asia. In 1573, the port was granted the monopoly of the Manila trade.
The galleon trade would make its yearly run from the mid-16th century until the early 19th. The luxury items it brought to New Spain attracted the attention of English and Dutch pirates, such as Francis Drake, Henry Morgan and Thomas Cavendish, who called it "The Black Ship." To protect the port and the cargo of arriving ships, the San Diego Fort was built. Despite the fort's existence, a Dutch fleet invaded Acapulco in 1615, destroying much of the town and fort before being driven off. The fort was destroyed by an earthquake in 1776 and was rebuilt in 1783. At the beginning of the 19th century, King Charles IV declared Acapulco a Ciudad Official and it became an essential part of the Spanish Crown. However, not long after, the Mexican War of Independence began. In 1810, José María Morelos y Pavón attacked and burnt down the city, after he defeated royalist commander Francisco Parés at the Battle of Tres Palos. The independence of Mexico in 1821 ended the run of the Manila Galleon. Acapulco's importance as a port recovered during the California Gold Rush in the mid-19th century, with ships going to and coming from Panama stopping here.
In 1911, revolutionary forces took over the main plaza of Acapulco. In 1920, the Prince of Wales (the future King Edward VIII) visited the area. Impressed by what he saw, he recommended the place to his compatriots in Europe, making it popular with the elite there. Much of the original hotel and trading infrastructure was built by an East Texas businessman named Albert B.Pullen from Corrigan, Texas, in the area now known as Old Acapulco. But some of Acapulco's best known hotels were built by others. In 1933 Carlos Barnard started the first section of Hotel El Mirador, with 12 rooms on the cliffs of La Quebrada. Wolf Schoenborn purchased large amounts of undeveloped land and Albert Pullen built the Las Americas Hotel.
In the mid-1940s, the first commercial wharf and warehouses were built. In the early 1950s, President Miguel Alemán Valdés upgraded the port's infrastructure, installing electrical lines, drainage systems, roads and the first highway to connect the port with Mexico City.
The economy grew and foreign investment increased with it. During the 1950s, Acapulco became the fashionable place for millionaire Hollywood stars such as Elizabeth Taylor, Frank Sinatra, Eddie Fisher and Brigitte Bardot. Former Swing Musician Teddy Stauffer, so called "Mister Acapulco", was a hotel manager ("Villa Vera", "Casablanca"), who attracted a lot of celebrities to Acapulco.
From a population of only 4,000 or 5,000 in the 1940s, by the early 1960s, Acapulco had a population of about 50,000. In 1958, The Diocese of Acapulco was created by Pope Pius XII. It would become an archdiocese in 1983.
During the 1960s and 1970s, new hotel resorts were built, and accommodation and transport were made cheaper. Entertainment was dances such as the ballad. It was no longer necessary to be a millionaire to spend a holiday in Acapulco; the foreign and Mexican middle class could now afford to travel here. However, as more hotels were built in the south part of the bay, the old hotels of the 1950s lost their grandeur.
In the 1970s, there was a significant expansion of the port. The Miss Universe 1978 pageant took place in that city later that decade. In 1983, singer-songwriter Juan Gabriel wrote the song Amor eterno, which pays homage to Acapulco. The song was first and most famously recorded by Rocio Durcal. Additionally, Acapulco is the hometown of actress, singer and comedienne Aída Pierce, who found fame during the 1980s, 1990s and the first decade of the 21st century.
During the 1990s, the road known as the Ruta del Sol was built, crossing the mountains between Mexico City and Acapulco. The journey takes only about three and a half hours, making Acapulco a favorite weekend destination for Mexico City inhabitants. It was in that time period that the economic impact of Acapulco as a turist destination increased positively and as a result a new type of services emerged like the Colegio Nautilus; This educational project backed by the state government, was created for the families of local and foreign investors and businessmen living in Acapulco who where in need of a bilinugal and international education for their children.
The port continued to grow and in 1996, a new private company, API Acapulco, was created to manage operations. This consolidated operations and now Acapulco is the major port for car exports to the Pacific.
The city was devastated by Hurricane Pauline in 1997. The storm stranded tourists and left more than 100 dead in the city. Most of the victims were from the shantytowns built on steep hillsides that surround the city. Other victims were swept away by thirty-foot waves and 150 mph (241 km/h) winds. The main road, Avenida Costera, became a fast-moving three-foot-deep river of sludge.
In the 2000s, the drug war in Mexico has had a negative effect on tourism in Acapulco as rival drug traffickers fight each other for the Guerrero coast route that brings drugs from South America as well as soldiers that have been fighting the cartels since 2006. A major gun battle between 18 gunmen and soldiers took place in the summer of 2009 in the Old Acapulco seaside area, lasting hours and killing 16 of the gunmen and two soldiers. This came after the swine flu outbreak earlier in the year nearly paralyzed the Mexican economy, forcing hotels to give discounts to bring tourists back. However, hotel occupancy for 2009 was down five percent from the year before. The death of Arturo Beltran Leyva in December 2009 resulted in infighting among different groups within the Beltran Leyva cartel.
Gang violence continued to plague Acapulco through 2010 and into 2011, most notably with at least 15 dying in drug-related violence on March 13, 2010, and another 15 deaths on January 8, 2011. Among the first incident's dead were six members of the city police and the brother of an ex-mayor.0 In the second incident, the headless bodies of 15 young men were found dumped near the Plaza Senderos shopping center. On August 20, 2011, Mexican authorities reported that five headless bodies were found in Acapulco, three of which were placed in the city's main tourist area and two of which were cut into multiple pieces. On February 4, 2013, six Spanish men were tied up and robbed and the six Spanish women with them were gang-raped by five masked gunmen who stormed a beach house on the outskirts of Acapulco. 
140872 
97 Achel, Limburg, België  5.47944444444444  51.2527777777778  Achel is een dorp gelegen in het noorden van de Belgische provincie Limburg. In 1977 werd zij met de gemeente Hamont samengevoegd tot de nieuwe gemeente Hamont-Achel.
Achel is bekend vanwege de Achelse Kluis, een trappistenklooster op de grens die ook deels op Nederlands grondgebied ligt. Dit klooster brouwt ook zijn eigen bier, het trappistenbier genaamd Achel. 
39261 
98 Achim, Niedersachsen, Deutschland  9.026298522949219  53.01313084591289  Achim ist die größte Stadt im Landkreis Verden in Niedersachsen, Deutschland, gelegen südöstlich von Bremen.
Stadtgliederung
Die Stadt gliedert sich in zwei Ortschaften und sieben Ortsteile
Ortschaften:
* Bollen
* Embsen

Ortsteile:
1. Achim
2. Baden
3. Badenermoor
4. Bierden
5. Borstel
6. Uesen
7. Uphusen
Geschichte
Achim wurde erstmals im Jahre 1091 als Arahem urkundlich erwähnt. Die beherrschende Höhe des Lindenberges südlich von Bremen, an die sich das alte Arahem lehnte, ist eine heidnische Kult- und Gerichtsstätte gewesen. Achim war Versammlungsort eines sächsischen Hundertschaftsgerichts (später Gogerichts). Dreimal jährlich tagte das Gogericht bei der Gerichtslinde unter Vorsitz des Gografen, des "Stallers". Anfänglich wurde dieser gewählt, dann wurde dieses Amt den Herren von Clüver vom Erzbistum Bremen als Lehen übertragen. Die Bezeichnung Gogericht erhielt sich für den Verwaltungsbezirk bis 1852, seine Nachfolge trat ein Amtsgericht an. In Achim errichtete im 12. Jahrhundert die christliche Mission eine Taufkirche; sie war die Vorgängerin der heutigen bereits 1257 erwähnten St.-Laurentius-Kirche. 1381 wird Achim durch Kämpfe zwischen dem Herzog Albrecht von Sachsen mit dem Erzbischof von Bremen in Brand gesetzt. Von 1626-1712 wurde Achim wechselweise von Dänen und Schweden und während des Siebenjährigen Krieges von französischen Truppen besetzt. Nach dem Wiener Kongress von 1815 gehörte Achim zum Königreich Hannover, welches 1866 preußische Provinz wurde. Mit dem Bau der Bahnstrecken zwischen Bremen und Hannover sowie der sogenannten Amerikalinie von Bremen über Uelzen nach Berlin bzw. Magdeburg erhielt Achim 1847 einen Bahnhof. 1932 werden die beiden Kreise Verden und Achim zum Kreis Verden zusammengelegt. Der Altkreis Achim verliert wirtschaftlich starke Gemeinden an Bremen (Hemelingen, Mahndorf, Arbergen und Sebaldsbrück). Am 1. Mai 1949 erhielt Achim die Stadtrechte. 
49371 
99 Achlum, Franekeradeel, Friesland  5.485  53.1480555555556  Achlum is een dorp, dat vanaf 1 januari 1984 bij de gemeente Franekeradeel behoort, in de provincie Friesland (Nederland). Het is een terpdorp aan de Slachtedyk met ongeveer 666 inwoners (2004).
Achlum ligt ten zuidoosten van Harlingen en ten zuidwesten van Franeker.
Ten noorden van Achlum staat de Stinspoort van het slot Groot Deersum. Het is in 1658 gebouwd van gele baksteen en in voorzien van twee trapgevels.
De Hervormde kerk is gebouwd in de 12e eeuw van tufsteen. De toren is in de 15e eeuw gebouwd en heeft in 1789 een houten bekroning gekregen.
Naast de kerk staat een monumentale 18e eeuwse kop-hals-rompboerderij. 
35644 
100 Achmer, Niedersachsen, Deutschland  7.934446334838867  52.39304430897432  Der Flugplatz Achmer ist ein Flugplatz beim niedersächsischen Bramsche. Er ist als Sonderlandeplatz klassifiziert.
Bramsche ist eine Stadt im Norden des Landkreises Osnabrück in Niedersachsen. Sie grenzt im Westen an Neuenkirchen und Merzen, im Norden an Ankum, Alfhausen und Rieste, im Osten an Neuenkirchen-Vörden (Landkreis Vechta), Ostercappeln und Belm, im Süden an Wallenhorst und im Südwesten an die nordrhein-westfälischen Gemeinden Lotte und Westerkappeln (Kreis Steinfurt). Sie ist flächenmäßig die zweitgrößte Stadt im Landkreis Osnabrück.
Achmer
Ein Ortsteil von Bramsche der durch die Hase, den Mittellandkanal und einen Sportflughafen gekennzeichnet ist. Grenzt im Norden an Bramsche Mitte, im Westen an Ueffeln und im Süden an Pente. 
132 
101 Acht, Eindhoven, Noord-Brabant  5.426301956176758  51.47993965082005  Kerkdorp Acht is een dorp volledig ingeklemd tussen de Rijksweg 58 en Eindhoven. Het behoort tot Eindhoven (stadsdeel Woensel), hoewel de inwoners van Acht dit niet graag willen weten. Consequent worden de bordjes waar het stadsdeel op staat 'bewerkt' zodat alleen Acht te lezen is. Acht is per openbaar vervoer te bereiken met, heel toepasselijk, buslijn 8. In 2006 had Acht 3900 inwoners.
Etymologie
Op grond van het feit dat er sprake is van "watre" als een der begeerlijkheden in het Achtse zou de naam Acht daarvan afgeleid kunnen zijn. We moeten daarbij denken aan achwa, of aqua. Er liepen inderdaad enige beken op de verder droge heide.
Een andere verklaring is dat de naam Acht is afgeleid van "achte", dat rechtsgebied betekent.
Geschiedenis
Op het grondgebied van Acht zijn tal van archeologische vondsten gedaan, die wijzen op vroege bewoning. Zo werd op de plaats waar de Ekkersrijt de Oirschotsedijk kruist, tijdens de ontginningen in 1928, een urnenveld aangetroffen. Later zijn nog andere urnenvelden en grafheuvels ontdekt. Ook bestaan er mesolithische en neolithische vindplaatsen. Daarnaast werd in 1992 een vindplaats uit de Romeinse tijd ontdekt.
Acht werd voor het eerst vermeld in juli 1303, toen hertog Jan II van Brabant gemeenterechten verleende
Jan II hertog van Brabant verkoopt aan de lieden van Strijp gemene gronden, genoemd Achtermere binnen nader omschreven grenzen, onder bedinging van een voorlijf en een jaarlijkse erfcijns van 40 schellingen.
Anno Domini millesirno trecentesimo tertio.
Er was hier sprake van de grond in de omgeving van Welpscoet waar men moet denken aan de huidige Oirschotsedijk en de Wielewaal. Het was zeer vruchtbare grond met meertjes beken en grasland. Natuurlijk was de nederzetting ouder dan deze schriftelijke vermelding.
Uiteindelijk was er sprake van twee nederzettingen: Au Acht (Oud Acht): het huidige kerkdorp, en Nij Acht (Nieuw Acht), wat ten westen ervan ligt, waar ontginningen waren.
De heer van Woensel reserveerde in 1307 al het vrije gebruik van de beken en weiden van de gemeynd-beken en weiden die deel uitmaakten van het oorspronkelijke bezit van de onderdanen, die het eerder vrije eigendom tot het zijne had gemaakt. Hij spreekt daar van het "bos" dat men Achte heet. Het bos strekte zich uit van de Grote Beek tot een strook waar nu het bedrijventerrein Ekkersrijt ligt Naar het westen toe zal het gebied van Tegenbosch, Hurk en Mispelhoef nog bij het bos hebben gehoord.
Hoewel Acht sinds de Middeleeuwen tot de parochie van Woensel behoorde, was er einde 16e eeuw toch een kapel die vermoedelijk aan Sint-Antonius abt was gewijd. Na 1648 werd deze kapel gesloten en ze is onder meer als tiendschuur en, in de 19e eeuw, als woonhuis gebruikt. In Acht heeft sinds 1715 ook een schuurkerk gestaan.
De huidige kerk, eveneens aan Sint-Antonius abt gewijd, werd gebouwd in 1886. Ze werd uitgebreid in 1928 en 1951.
In de tweede helft van de twintigste eeuw rukte de stad Eindhoven op, met woonwijken en snelwegen, terwijl aan de westzijde de bedrijvigheid van Eindhoven Airport toenam. Toch heeft Acht zijn dorpse karakter weten te behouden.
Bezienswaardigheden
* De Mispelhoeve. Deze boerderij ligt aan de Oirschotsedijk. In de zijgevel is het jaartal 1774 te lezen, maar het gebouw is ouder, want de naam 'Mispelhoeve' werd al vermeld in 1729, terwijl er op dezelfde plaats in 1590 al een boerderij moet hebben gestaan. Zeker vanaf 1774 is de boerderij ook een café geweest. Na de aanleg van de Oirschotsedijk werd het een herberg, waar de voerlui zich verzamelden om gezamenlijk de gevaarlijke heide over te steken naar Oirschot. Na restauraties in 1937 en 1954 is het gebouw nog steeds in gebruik als café en herberg. De Mispelhoeve is een rijksmonument.
* Kerk van Sint-Antonius abt uit 1886.
* Rustiek pleintje met dorpspomp. Deze pomp is geplaatst naar aanleiding van het 700 jarig jubileum van de verstrekking van gemeenterechten, in 2003.
* Beltmolen Annemie. Dit is een bovenkruier die in 1889 is gebouwd als korenmolen. Ze bevindt zich aan de Boschdijk. In 1957 is ze geschikt gemaakt voor bewoning, waartoe het mechanisme gedeeltelijk ontmanteld werd. De rest is illegaal door een bewoner verwijderd, maar sedert 2005 kan de molen weer draaien. 
523 
102 Achterberg, Rhenen, Utrecht  5.586118698120117  51.97277873851542  Achterberg is een dorp in de gemeente Rhenen, in de Nederlandse provincie Utrecht. Het dorp heeft ca. 4000 inwoners (2007). Achterberg is een agrarisch dorp met monumentale boerderijen.
Kerken
Ook zijn er in Achterberg 3 kerken:
* een Hervormde Gemeente binnen de PKN
* een Hersteld Hervormde Gemeente
* een Oud Gereformeerde Gemeente
Eerst- en laatstgenoemde in een monumentaal kerkgebouw, de andere in een bedrijfspand omdat de hersteld hervormden buiten de PKN wilden blijven.
Evenementen
Achterberg staat regionaal vooral bekend om 2 grote evenementen: Koninginnedag en Achterbergse dag. Op Koninginnedag (30 april) worden allerlei evenmenten georganiseerd zoals een optocht, zeskamp, ringsteken, enz. Achterbergse dag is een evenement op 2e Pinksterdag waar ieder jaar tienduizenden mensen op af komen om de kraampjes te bezoeken, wc pot te gooien en andere dingen te doen.
Geschiedenis
In de Middeleeuwen werd in Achterberg aan de voet van de Grebbeberg, kasteel Ter Horst gebouwd door Bisschop Godfried van Rhenen (1156 - 1178). Het diende als gevangenis, bestuurscentrum en militaire veste. In 1543 werd dit kasteel verwoest en niet meer opgebouwd. De tufstenen werden gebruikt voor kasteel Vredenburg in Utrecht.
In de Tweede Wereldoorlog is aan de rand van Achterberg bij de Grebbeberg hard gevochten. Er zijn nog kazematten aanwezig die op gedenkdagen ook te bezichtigen zijn. Verder is er een militaire erebegraafplaats waar ieder jaar op 4 mei kransen worden gelegd en waar Prof. Mr. Pieter van Vollenhoven een toespraak houdt. 
76057 
103 Achterbos, Mol, Antwerpen, België  5.1024627685546875  51.2019641739069  Achterbos is één van de twaalf gehuchten van Mol (België). Op 31 december 2007 telde Achterbos 3752 inwoners en is hiermee na het Centrum het tweede meest bevolkte gehucht van Mol.
Het gehucht bevindt zich in een bosrijk gebied dat, net als zijn bewoners, vaak vereeuwigd werd in de etsen en schilderijen van Jakob Smits (1855-1928) en diens leerling Dirk Baksteen (1886-1971). Beide kunstenaars zijn begraven op het kerkhof van Mol-Achterbos.
In de bossen van Achterbos bevinden zich de '15 kapelletjes', een uitbeelding van de vijftien staties van de kruisweg van Jezus.
Cultureel Ambassadeur van Mol in 2008
Het gehucht Achterbos mocht in 2008 de titel "Cultureel Ambassadeur van Mol" dragen. Hierdoor werd aan het verenigingsleven in Achterbos extra aandacht geschonken in 2008. 
66818 
104 Achterbuurt, Steenwijkerwold, Overijssel  6.0833  52.8167  Achterbuurt, later genaamd Witte Paarden (1953), is een buurtschap in de gemeente Steenwijkerwold, in de Nederlandse provincie Overijssel. De buurtschap is gelegen in de Kop van Overijssel ten noordwesten van Steenwijk.
In de buurtschap was een herberg, genaamd Witte Paarden. Deze herberg vormde vroeger een overnachtingsmogelijkheid aan de weg Zwolle - Leeuwarden, waar ook de paarden voor die nacht gestald en verzorgd konden worden. In 1953 besloot de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Steenwijkerwold de buurtschap de naam van de herberg te geven.
Door het tijdens de laatste ijstijd opgestuwde zand, zogenaamde stuwwallen, is het gebied rond Witte Paarden erg heuvelachtig. 
147023 
105 Achterdiep, Sappemeer, Groningen  6.788820  53.172040  Het Achterdiep is een streek in de gemeente Hoogezand-Sappemeer in de provincie Groningen in Nederland.
De streek is genoemd naar het kanaal het Achterdiep dat parallel aan het Winschoterdiep loopt, vandaar de naam: het diep achter het Winschoterdiep.
Oorspronkelijk ging het over in het Noordbroeksterdiep dat doorliep tot aan Noordbroek. Over het diep zijn nog een aantal hoogholtjes te vinden.
Marianne Timmer groeide op aan het Achterdiep. 
32057 
106 Achterdijk, Ruinen, Drenthe  6.3875627517700195  52.75962215385432  Een gehucht of streek nabij Ruinen  146945 
107 Achterhorn, Emlichheim, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  6.853001  52.606200  Nichts bekannt von das Dorf Achterhorn, aber von der Samtgemeinde Emlichheim, ist folgendes geschrieben:
Geschichte
In der Samtgemeinde Emlichheim, die im Nordwesten des Landkreises Grafschaft Bentheim unmittelbar an der deutsch-niederländischen Grenze gelegen ist, leben auf einer Fläche von 184,50 km2 ca. 14.000 Menschen.
Diese sind zumeist heimatverbundene Grafschafter, zu denen auch jene Mitbürger geworden sind, die sich erst nach dem Kriege durch die Industrialisierung Emlichheims hier angesiedelt haben.
Das politische Gebilde der Samtgemeinde Emlichheim, die im Umkreis der Mittelpunktgemeinde Emlichheim ländlich geprägt ist, besteht erst seit der Gebietsreform am 01. März 1974.
Der Nahbereich der Samtgemeinde Emlichheim blickt jedoch auf eine sehr alte Geschichte zurück. Der Überlieferung nach bestand Emlichheim bereits um das Jahr 800 unter Karl dem Großen.Urgeschichtliche Funde lassen auf eine sehr frühe Besiedlung schließen. Anlässlich der Vechteregulierung wurde im Jahre 1961 ein sehr schön bearbeitetes Steinbeil gefunden, welches nach Ansicht von Sachverständigen mehr als 3.000 Jahre alt sein soll. Ein weiteres Zeichen aus alter Zeit ist die reformierte Kirche. Sie wurde aus Bentheimer Sandstein gebaut und ist einst direkt an der Vechte errichtet worden. Der älteste Teil der Ev.-ref. Kirche ist die Nordmauer. Sie stammt aus der Zeit um 1150. Urkundlich erwähnt wird Emlichheim erstmals im Jahre 1312.
Das Gebiet der damaligen "Herrlichkeit" Emlichheim ist nahezu mit dem Bereich der heutigen Samtgemeinde Emlichheim identisch. Es umfasste seinerzeit den Bereich des späteren Kirchspiels Emlichheim, dem auch die jetzigen Kirchspiele Laar und Arkel (Hoogstede) angehörten. Durchzogen wird die Samtgemeinde Emlichheim zum einen von der Vechte, die zwar schon um 1200 als Schifffahrtsweg von großer Bedeutung war, jedoch heute als solcher nicht mehr genutzt wird, und zum anderen von dem Coevorden-Piccardie-Kanal, der in den Jahren 1878 - 1882 ausgebaut wurde. Durch den Bau dieses Kanals sowie auch durch den Anschluss der Gemeinde Emlichheim an das Eisenbahnnetz im Jahre 1910 wurde die Gemeinde Emlichheim wirtschaftlich erschlossen.
Die Industrialisierung begann in Emlichheim mit der Errichtung einer Papier- und Strohpappenfabrik am Coevorden-Piccardie-Kanal im Jahre 1913. Diese Fabrik wurde dann im Jahre 1927 zu einer Kartoffelmehlfabrik umgebaut. Auf diesem Gelände werden zur Zeit jährlich bis zu 1 Mio. Tonnen Kartoffeln zur Stärkegewinnung von der Fa. Emsland-Stärke im Werk Emlichheim verarbeitet. Die Firma Emsland-Stärke ist damit der größte Kartoffelstärkeproduzent der Bundesrepublik Deutschland mit einer Belegschaft von zur Zeit ca. 560 Arbeitnehmern. Die Firma Emsland-Stärke stellt sowohl für viele hiesige als auch für viele auswärtige landwirtschaftliche Betriebe im gesamten Emsland und teilweise auch in den Niederlanden eine Existenzgrundlage dar.
Die eigentliche wirtschaftliche und industrielle Belebung erlebte die bis dahin überwiegend durch die Landwirtschaft geprägte Gemeinde jedoch erst nach dem Zweiten Weltkrieg. Im Jahre 1943 wurde eine Bohrung bei der Suche nach Erdöl eruptiv fündig. Weitere Bohrungen wurden abgeteuft und im Jahre 1945 quoll aus acht Bohrungen das "Schwarze Gold". Durch die einsetzende Erdölindustrie fanden etwa 1.500 Heimatvertriebene und Flüchtlinge im Bereich der Samtgemeinde eine neue Heimat. Heute ist die Erdöl- und Erdgasgewinnung überall im Samtgemeindebereich anzutreffen, insbesondere jedoch in Emlichheim-Weusten, im Ortsteil Scheerhorn der Gemeinde Hoogstede und in der Gemeinde Laar. 
35150 
108 Achterma, Ruinen, Drenthe  6.38181209564209  52.758648243117854  Een buurtje in de voormalige gemeente Ruinen  146712 
109 Achterveld, Bentelo, Overijssel  6.684179  52.225388  Bentelo (Nedersaksisch: Beantel) is een klein boerendorp in de Nederlandse gemeente Hof van Twente. Het dorp had 2110 inwoners in 2006.
De plaats is een centrum van intensieve veehouderij. Bentelo heeft de grootste wijngaard van Nederland, een vleesproeverij, een kinderspeelboerderij, diverse aspergetelers, drie kroegen en restaurants. 
21842 
110 Achterveld, Leusden, Utrecht  5.496082305908203  52.13630659522255  Achterveld is een dorp in de gemeente Leusden in de Nederlandse provincie Utrecht. Het dorp is gelegen tegen de grens van de provincie Gelderland aan, grofweg halverwege Leusden en Barneveld, in de Gelderse Vallei. Iets ten zuiden ervan ligt het jeugddorp De Glind. Achterveld heeft 2580 inwoners (2004).
Opvallend is, dat de bevolking van Achterveld voor een groot deel rooms-Katholiek is, terwijl de rest van de streek overwegend protestants is. Het meest opvallende bouwwerk is dan ook de St. Jozefkerk uit 1933, typerend voor het indrukwekkende oeuvre van de traditionalistische architect H.W. Valk (1886-1973). In 2002 is het interieur van de kerk gerestaureerd. Onder de parochianen gaf dit aanleiding tot zeer verdeelde reacties; onder buitenstaanders overheerste de lof. De kerk is nog altijd een samenbindend element in de Achterveldse gemeenschap, die zich verder onderscheidt van de rest van de gemeente door een wat grotere cohesie en een relatief bloeiend verenigingsleven. Probleem voor het dorp is het in stand houden van het voorzieningenniveau. 
474 
111 Achthuizen, Goeree-Overflakkee, Zuid-Holland  4.280376434326172  51.687802494828865  Achthuizen is een klein dorp in de gemeente Goeree-Overflakkee, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het dorp heeft 900 inwoners (2004).
In oude archieven wordt Achthuizen soms genoemd als gehucht nabij Ooltgensplaat. De naam Achthuizen zou afkomstig zijn van een gebouw dat in het dorp stond en uit acht huizen bestond, bedoeld voor landarbeiders uit Noord-Brabant.
Tussen 1966 en 2013 hoorde het dorp bij de gemeente Oostflakkee. Voor 1966 had Achthuizen 2 burgemeesters, de ene kant van de dijk hoorde bij Ooltgensplaat en de andere kant bij Den Bommel. 
463 
112 Achtkarspelen, Friesland  6.127590  53.207465  Achtkarspelen is een gemeente in het oosten van de provincie Friesland (Nederland). De gemeente telt 28.151 inwoners per 1 juli 2006 (Bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 103,98 km².
Dorpen
De gemeente Achtkarspelen omvat elf dorpen. De Nederlandse namen zijn de officiële.
NAAM INWONERS
Buitenpost 5.800
Surhuisterveen 5.700
Harkema 4.300
Kootstertille 2.500
Twijzelerheide 2.000
Drogeham 1.800
Surhuizum 1.300
Augustinusga 1.300
Boelenslaan 1.200
Gerkesklooster-Stroobos 1.200
Twijzel 1.100
Gerkesklooster en Stroobos worden doorgaans als één geheel beschouwd.
Buurtschappen
Naast deze officiële kernen bevinden zich in de gemeente de volgende buurtschappen:
* Blauwverlaat (Blauforlaet)
* Buweklooster (Bouwekleaster)
* Hamshorn (Hamsherne)
* De Kooten (De Koaten)
* Kortwoude (Koartwâld
* Kuikhorne (Kûkherne)
* Lutkepost (Lytsepost)
* Ophuis (Ophûs)
* Opperkooten (Opperkoaten)
* Rohel (Reahel)
* Roodeschuur (Reaskuorre)
* De laatste Stuiver (De léste Stuver)
* Surhuizumer Mieden (Surhuzumer Mieden)
Geschiedenis
De naam Achtkarspelen verwijst naar de acht oorspronkelijke kerspelen in de grietenij, te weten: Augustinusga, Buitenpost, Drogeham, De Kooten, Lutkepost, Surhuizum en Twijzel. Achtkarspelen nam lang een aparte plaats in in Friesland. In de Middeleeuwen behoorde Achtkarspelen tot het bisdom Münster, terwijl de rest van Friesland onderdeel was van het bisdom Utrecht.
De grietenij Achtkarspelen werd in 1851 een gemeente na de invoering van de gemeentewet van Thorbecke in Nederland. 
32190 
113 Achttienhoven, De Bilt, Utrecht  5.135013  52.149161  Westbroek is een voormalige gemeente en klein dorp in de gemeente De Bilt, in de Nederlandse provincie Utrecht. Het dorp is gelegen in een landelijk gebied ten noorden van de stad Utrecht en ten westen van Maartensdijk. Westbroek heeft 990 inwoners (2004).
De lintbebouwing van Westbroek grenst aan de polders; Polder Achttienhoven, Kerkeindse Polder en Polder Westbroek in het noorden, en Polder de Kooi en natuurreservaat de Molenpolder in het zuiden. Het uiterste oosten van Westbroek is de voormalige woonplaats Achttienhoven en iets verder richting Maartensdijk bevindt zich de kleine woonplaats Achterwetering.
Achtienhoven was een dorp waar nu de Doctor Welfferweg ligt. 
36126 
114 Ackerenden, Siddeburen, Slochteren, Groningen  6.860977  53.254585  Een streek nabij Siddeburen. Het heet nu Akkereindenweg  38505 
115 Ackley, Hardin County, Iowa, USA  -93.05316925048828  42.55359242767904  Ackley is a city in Franklin and Hardin Counties in the U.S. state of Iowa. The population was 1,589 at the 2010 census.
History
In 1852, immigrants began purchasing farms and settling in the north Hardin County area. In the fall of 1852, L.H. Artedge, a frontiers-man from Indiana staked a claim just north of the Hardin County line and built a cabin close to where Highway 57 now passes. Another settler, Thomas Downs, became the first permanent resident of Ackley. Later his widow sold a strip of land from Butler Street to the four county corner for $3.00 an acre to Minor Gallop. Gallop built a house, just east of Highway 57 which became an inn, a stopover for stagecoaches, and the first post office.
Many caravans arrived in anticipation of settling in this area. Roby Parriott and wife, Abigail, settled in Washington Township, Butler County. Parriott immediately began to acquire more land and purchased what is now the business section of Ackley.
Mills were built on the Iowa River south of the community and in 1856 a stage line was built from Cedar Falls to Fort Dodge. The Dubuque and Pacific Railroad Company received a charter from the State of Iowa in the 1850s to build a railroad. Surveying teams were sent out. One of the members was J. William Ackley. He decided Etna Township was a good place for a railroad station. The land was owned by Parriott and his wife, who had purchased it for speculation.
William Ackley purchased the land for the railroad route and discussed founding a town. He and three other land developers purchased the land which is now the town itself for $25.00 an acre. They then sold sites for developing the town. In 1857, the town of Ackley was staked out. The plan was signed December 12, 1857. Even though Ackley never lived here, he gave the town his name.0
In 1865, the Dubuque and Sioux City Railroad bought nearly all the timber at Island Grove and corded it up where the Illinois Central depot stands. By October, when the railroad reached Ackley, there were 10 business establishments and several homes. The completion of the railroad brought on a rush of settlers and businessmen and the town boomed.
The Fontaine post office was moved to Ackley and its name was changed. The town of Ackley was incorporated and William A. Francis became the first mayor. The Ackley Civic Center now stands at the site of a store once owned by Francis. As Ackley expanded more buildings were being constructed in the business area. A brick, six-room school was built at State and Second Street for $14,000. Catholics, Methodists and Presbyterians built frame churches. The population soared to 500.
The town was incorporated on August 28, 1869. By 1870, the town had a brick schoolhouse, five churches, a mayor and council, a newspaper, and many stores. In the next thirty years the town replaced the frame buildings on Main Street with brick structures, built a waterworks, established a light plant, and built hotels. The population at that time was approximately 2,000.
In the 1870s, Ackley acquired businesses such as a hardware store, furniture store, harness shop, boots and shoe store, general merchandise, jewelry and a brewery. The Ackley Independent Newspaper as well as lawyers, a doctor and fraternal organizations became part of the town.
The Hook and Ladder fire department was organized in the 1880s. The Goettels and the C.H. Doepke buildings appeared on the landscape in the 1880s. A four-year high school opened with an enrollment of 40 students. The Iowa state constitution was amended in 1882, making the production and sale of alcoholic beverages illegal within the state (i.e. Iowa became a “dry state.”) The Supreme Court declared the amendment unconstitutional in 1883, but the Iowa legislature then passed another very strict prohibition law. Due to this, the Ackley brewery closed.
In 1885, the local school district went before the Supreme Court in Ackley School Dist. v. Hall over a bond dispute.
The streets were lit with oil lamps by the late 19th century. Seven students graduated from the high school in the 1890s. Plans for the Ackley Hotel were developed in the last decade of the 19th century. The project was financed by selling shares for $25 to $1000 a share. The hotel was built on the corner of State and Railroad Street (Park). During the 1890s, water mains and sewer drains were laid. Electric lights and telephone service also appeared in Ackley.
The first rural mail route was established in 1900. The first Sauerkraut Days celebration was held September 17, 1903. A high school building was erected on the northeast corner of the playground. The wooden water tower was replaced with a steel tower at Main and Cerro Gordo Streets.
There was much excitement over the coming of the automobile. A local mechanic constructed a horseless carriage in 1905 which ran to Spencer and back but was not further promoted. Ackley did pave its main streets by 1915 and many auto dealers started business.
Marshall Canning Plant and husking shed was built in 1918 and canning began in 1919. The "Glacier Trail" (the road now designated as "County S-56") was marked through Ackley in 1922. More streets were paved. In 1927, a new school was built to house 12 grades. Ackley participated in athletic sports, music and academic activities with surrounding schools. A food processing company was established.
The 1930s brought the Great Depression and 3 banks in Ackley closed. The Municipal Building was erected in 1939. The mayor and town council, fire department, police station, library and a large meeting room were housed in the building.
School buses started running in 1946. City mail delivery was inaugurated in 1947. In 1948, the Ackley Golf Club was designed and the club house was built. In 1954, twenty-two rural school districts joined with Ackley to form the Ackley Community School. Ackley celebrated its Centennial in 1957. 
149195 
116 Acquoy, Geldermalsen, Gelderland  5.137222  51.878537  Acquoy (uitspraak: akkooi) is een dorp in de gemeente Geldermalsen. Op 1 januari 2006 telde het dorp 617 inwoners. In 1965 telde het dorp 608 inwoners, in 1993 waren dat er 615.
Historie
Volgens een overlevering zou een Jan van Arkel het dorp Acquoy gesticht hebben, nadat hij in 1133 terugkeerde van een kruistocht. Dit is echter onwaarschijnlijk, want het jaar 1133 valt in een periode dat er geen kruistochten waren. De eerste kruistocht was namelijk van 1096-99 en de tweede van 1147-49. Sommige bronnen melden dat de Jan van Arkel die hier genoemd wordt Jan van Arkel VIII is, maar die heeft een eeuw later geleefd en had de bijnaam "de Sterke".
In 1305 wordt Acquoy genoemd als behorend tot het bezit van de heren van Voorne. In 1364 verpandde Catherina van Voornenburgh haar huis met de burcht van Acquoy voor 10 jaar aan Otto van Arkel en later kocht hij het. Vanaf toen hoorde Acquoy net als Arkel zelf en Gellicum tot de heerlijkheid van Arkel. Nadat Acquoy enige malen in andere handen was overgegaan, werd het in 1513 gekocht door Floris van Egmond, graaf van Buren.
Door zijn huwelijk met de kleindochter van Floris, Anna van Egmond in 1551 kwam Acquoy samen met Leerdam in bezit van prins Willem van Oranje. In die tijd werd de heerlijkheid verheven tot Baronie. Acquoy bleef in handen van het Huis van Oranje tot 1795, waarna het samen met Leerdam, bij Holland werd ingelijfd. Toen verviel de titel Baron van Acquoy onder de de titel Graaf van Leerdam. Dit geschiedde overigens niet zonder protest van de zijde der bevolking. In 1820 werd het dorp Gelders gebied doordat het bij de gemeente Beesd werd gevoegd. Overigens is het wapenschild van Acquoy nog altijd te bewonderen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
De naam Acquoy wordt al in 1311 genoemd, maar er heerst onzekerheid aangaande de oorsprong ervan. Sommigen zeggen dat de naam is samengesteld uit het Latijnse "aqua" (water) en het Germaanse "ooi" (laag en drassig land). "Ooi" treffen we ook aan in de namen: Wadenoijen, Poederoyen en Ammerzoden (= Ammerzoyen). Uit ditzelfde denken zou de naam "Rhenoy" samengesteld zijn uit "Rhenus" = Rijn, gevolgd door hetzelfde. Anderen wijzen erop dat "Acquoy" in oude bronnen vermeld wordt als Eckoy of Echoy en dat zou als betekenis hebben laagland van heer Akko of Ekko". Het zou hier dan gaan om een Fries edelman maar dit is zeer onzeker.
Acquoy is bekend als geboorteplaats van Cornelius Jansenius, de bisschop van Ieper, uit wiens theologische geschriften de beweging van het jansenisme voortkwam. 
35499 
117 Adams County, North Dakota, USA  -102.5179098  46.0594591  Adams County is a county located in the U.S. state of North Dakota. As of 2010, the population was 2,343. The county was named after John Quincy Adams (1848 – 1919), a railroad official for the Milwaukee Road Railroad and distant relative of U.S. President John Quincy Adams (1767 – 1848). The county seat is Hettinger.
Townships
Beisigl
Bucyrus
Chandler
Clermont
Darling Springs
Duck Creek
Gilstrap
Hettinger
Lightning Creek
Maine
Orange
Reeder
Scott
South Fork
Taylor Butte
Wolf Butte
Unorganized Territories
Central Adams
East Adams
Holden
West Adams
Defunct townships
Argonne
Cedar Butte
Dakota
Holden
Holt
Jordan
Kansas City
North Lemmon
Spring Butte
Whetstone 
85129 
118 Adams Township, Union County, Pennsylvania, USA  -77.18161582946777  40.81543970411576  Union County is a county located in the U.S. state of Pennsylvania. As of 2000, the population was 44,947. Union County was created on March 22, 1813, from part of Northumberland County. Its name is an allusion to the federal Union. Its county seat is Lewisburg.  84711 
119 Adams, Gage County, Nebraska, USA  -96.508047580719  40.45962077459921  Adams is a village in Gage County, Nebraska, United States. The population was 573 at the 2010 census.
History
The area that would become the village of Adams was initially colonized by the namesake of the settlement, an Indiana pioneer named John O. Adams (1808-1887). Adams arrived in 1857; however, the village of Adams did not exist until John O. Adams negotiated deals with a railroad company that intended to set tracks through his land in 1873. 
151099 
120 Adana, Adana, Türkiye  35.316667  37.  Adana is een stad in het zuiden van Turkije, ten oosten van Tarsus, ongeveer 30 kilometer van de Middellandse Zee. Adana is de hoofdstad van de gelijknamige provincie Adana. Het is met 1.271.894 inwoners een grote stad. De grond bij Adana is vruchtbaar vanwege de rivier de Seyhan die hier stroomt.
De stad heeft een oud en een modern gedeelte. Een belangrijke bron van inkomsten is de textielindustrie. Er ligt een treinstation in de stad, en een vliegveld dichtbij de stad. De Incirlik luchtbasis van de NAVO ligt 12 kilometer ten oosten van Adana.
Bron:http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Adana_(stad)&oldid=30242430 4 apr 2012 
131072 
121 Adaville, Plymouth County, Iowa, USA  -96.40399932861328  42.75000762278239  Adavile is an unincorporated community in Plymouth County, Iowa, United States. No further information available.  84672 
122 Addis Abeba, Ethiopia  38.757500  9.008400  Addis Abeba (Amhaars voor Nieuwe bloem; Afaan Oromo: Finfinne) is de hoofdstad van Ethiopië. De bevolking van de stad telt 3.059.000 personen (2007).
Geografie
Addis Abeba is een bestuurlijk onafhankelijke stad (astedader akabibi) en is geen onderdeel van een regio (kilil of staat). Deze bestuurlijk eenheid is volledig omgeven door de regio Oromiya.
De stad ligt tussen 2200 en 3000 meter hoogte, aan de voet van de berg Entoto, en is hiermee de op twee na hoogste hoofdstad van de wereld.
Geschiedenis
De plek om de hoofdstad te bouwen was gekozen door keizerin Taytu Betul en de stad werd in 1886 gesticht door haar man keizer Menelik II.
In 1963 werd de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid gesticht, mede door Haile Selassie. Addis Abeba werd het hoofdkwartier van deze organisatie. In 2002 werd de OAE echter ontbonden en vervangen door de Afrikaanse Unie, die ook hier gevestigd is.
Bevolking
Addis Abeba is een kosmopolitische stad en er bevinden zich dan ook vele tientallen etnische groepen, die een even groot aantal talen spreken. De omvangrijkste etnische groep zijn de Amharen (48,3%) en andere grote groepen zijn de Oromo (19,2%), de Gurage (17.5%) en de Tigray/Tigrinya (7,6%).
Onderwijs
In de stad bevindt zich de Addis Abeba universiteit.
Transport
Bole International Airport ligt in de buurt van de stad. Addis Abeba heeft een spoorverbinding met Djibouti. 
63900 
123 Adegem, Oost-Vlaanderen, België  3.4865283966064453  51.2027587598892  Adegem is een deelgemeente van Maldegem in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen (arrondissement Eeklo). Adegem maakt deel uit van het Meetjesland. Het was een zelfstandige gemeente tot eind 1976. Het heeft een oppervlakte van 27,70 km² en telde einde 2007 5976 inwoners. De plaatselijke benaming luidt Oigem.
Adegem is een van de oudste dorpen in Oost-Vlaanderen. De naam duikt voor het eerst op in het jaar 840. Doch er was pas sprake van een echt dorp rond de 17e en 18e eeuw.
Bezienswaardig is de beschermde 13e eeuwse laatromaanse vieringtoren van de Sint-Adriaanskerk. 
67816 
124 Adelaide, Australia  138.601  -34.929  Adelaide is the capital and most populous city of the Australian state of South Australia, and is the fifth largest city in Australia, with a population of over 1.1 million. It is a coastal city beside the Southern Ocean, and is situated on the Adelaide Plains, north of the Fleurieu Peninsula, between the Gulf St. Vincent and the low-lying Mount Lofty Ranges. It is roughly a linear city: it is 20 km from the coast to the foothills, but it stretches 90 km from Gawler at its northern extent to Sellicks Beach in the south.
Named in honour of Queen Adelaide, the consort of King William IV, the city was founded in 1836 as the planned capital for the only freely-settled British province in Australia. Colonel William Light, one of Adelaide's founding fathers, designed the city and chose its location close to the River Torrens. Inspired by William Penn, Light's design set out Adelaide in a grid layout, interspaced by wide boulevards and large public squares, and entirely surrounded by parkland. Early Adelaide was shaped by religious freedom and a commitment to political progressivism and civil liberties, which led to world-first reforms. Adelaidean society remained largely puritan up until the 1970s, when a set of social reforms under the premiership of Don Dunstan resulted in a cultural shift. Today Adelaide is known for its many festivals as well as for its wine, arts and sports.
As South Australia's seat of government and commercial centre, Adelaide is the site of many governmental and financial institutions. Most of these are concentrated in the city centre along the cultural boulevard of North Terrace, King William Street and in various districts of the metropolitan area.
History
Aboriginal settlement
The Adelaide plains were inhabited by the Kaurna people at the time European contact was made, their territory extending from what is now Cape Jervis to Port Broughton. "Yerta" (an area of land) were the responsibility of Kaurna adults who inherited the land and had an intimate knowledge of its resources and features. The Kaurna led a nomadic existence within the Yerta confines in large family groups of around 30. The area where the City of Adelaide now stands was called "Tandanya" which translates as "place of the Red Kangaroo". Kaurna numbers were greatly reduced by at least two devastating epidemics of smallpox transported downstream by the Murray River. When European settlers arrived in 1836 the Kaurna in the Adelaide Plains area numbered around 300.
European interest
British Captain Matthew Flinders and French Captain Nicolas Baudin independently charted the southern coast of the Australian continent. In 1802 Flinders named Mount Lofty but recorded little of the area which is now Adelaide. 28 years later Charles Sturt explored the Murray River and was impressed with what he briefly saw, later writing:
"Hurried ....as my view of it was, my eye never fell on a country of more promising aspect, or more favourable position, than that which occupies the space between the lake (Lake Alexandrina) and the ranges of the St. Vincent Gulf, and, continuing northerly from Mount Barker stretches away, without any visible boundary".
Captain Collet Barker, sent by New South Wales Governor Ralph Darling conducted a more thorough survey of the area in 1831, as recommended by Sturt. After swimming the mouth of the Murray River, Barker was killed by natives who may have had contact with sealers and escaped convicts in the region. Despite this, his more detailed survey led Sturt to conclude in his 1833 report:
"It would appear that a spot has at last been found upon the south coast of New Holland to which the colonists might venture with every prospect of success ....All who have ever landed upon the eastern shore of the St. Vincent's Gulf agree as to the richness of its soil and the abundance of its pastures."
A group in Britain led by Edward Gibbon Wakefield were looking to start a colony based on free settlement rather than convict labour. After problems in other Australian colonies arising from existing settlement methods, the time was right to form a more methodical approach to establishing a colony. In 1829 an imprisoned Wakefield wrote a series of letters about systematic colonisation which were published in a daily newspaper. He suggested that instead of granting free land to settlers as had happened in other colonies, the land should be sold. The money from land purchases would be used solely to transport labourers to the colony free of charge, who were responsible and skilled workers rather than paupers and convicts. Land prices needed to be high enough so that workers who saved to buy land of their own remained in the workforce long enough to avoid a labour shortage.
Robert Gouger, Wakefield's secretary promoted Wakefield's theories and organised societies of people interested in the scheme. In 1834 the South Australian Association, with the aid of such figures as George Grote, William Molesworth and the Duke of Wellington persuaded British Parliament to pass the South Australian Colonisation act, succeeding where two previous organisations had failed. Wakefield wanted the colony's capital to be called Wellington but King William IV preferred it to be named after his consort, Queen Adelaide. The British government appointed a Board of Commissioners from people nominated by the South Australian Association, with task of organising the new colony and meeting the condition of selling at least £35,00 worth of land. The province and its capital were named, planned, advertised and largely sold before a single settler had set foot in their new home.
Free passage was given to "suitable" labourers, generally men and women under 30 years of age who were healthy and of good character, expected to carry out a promise of working for wages until they have saved enough to buy land of their own and employ others, a process taking at least 3 or 4 years. Land sales were encouraged by granting one acre (4,000 m²) of town land in Adelaide for every 80 acres (324,000 m²) of rural land sold. The largest buyer of land was the South Australia Company headed by George Fife Angas, which bought enough land for South Australia to proceed, and continued to influence the colony's future development. With the government's conditions met, King William IV signed the Letters Patent and the first settlers and officials set sail in early 1836.
European settlement
In February 1836 the John Prairie and the Duke of York set sail for South Australia. They were followed in March by the Cygnet and Lady Mary Pelham, in April by the Emma, in May by the Rapid (carrying Colonel Light) and then by the Africaine (carrying Robert Gouger) and Tam o' Shanter. Most took supplies and settlers to Kangaroo Island on the present day site of Kingscote to await official decisions on the location and administration of the new colony. By the time the Duke of York had arrived at Kangaroo Island the Buffalo (carrying Governor John Hindmarsh) was on its way.
Surveyor Colonel William Light, who had two months to complete his tasks, rejected locations for the new settlement such as Kangaroo Island, Port Lincoln and Encounter Bay. He was required to find a site with a harbour, arable land, fresh water, ready internal and external communications, building materials and drainage. Most of the settlers were moved from Kangaroo Island to Holdfast Bay with Governor Hindmarsh arriving in December 1836 to proclaim the province of South Australia. Light had to work quickly as the settlers were eager to take possession of the land they had purchased and grew impatient waiting. The Port River was sighted and deemed to be a suitable harbour, however there was no fresh water available nearby. The River Torrens was discovered to the south and Light and his team set about determining the city's precise location and layout.
Light favoured a location on rising ground along the Torrens valley between the coast and hills which would be free of floodwaters. Governor Hindmarsh upon arrival initially approved of the location, but changed his mind thinking that the site should instead be two miles closer to the harbour (an area unsuitable due to flooding). Other colonists thought Port Lincoln or Encounter Bay would be better sites. After much mud slinging, mainly directed towards Light, a public meeting of landholders was called on 10 February 1837, where a vote was held resulting in 218 to 127 in Light's favour, settling the issue for the meantime.
The survey was completed on 11 March 1837 which was a considerable achievement given the time taken to complete comparable surveys. The city plan carefully fitted the topography of the area: the Torrens Valley was kept as parklands and town acres were planned on higher land to the north and south. Adelaide was divided into two districts north and south of the river with North Adelaide composed of 342 acre (1.4 km²) blocks and (South) Adelaide 700 blocks, surrounded by 2,300 acres (9 km²) set aside as parklands for recreation and public functions. The grid pattern of Adelaide's streets featured a central square (Victoria Square) and four smaller squares (Hindmarsh, Hurtle, Light and Whitmore), North Adelaide featured Wellington Square. Space for public buildings such as Government House, government stores, botanical gardens, hospital, cemetery and an aboriginal reserve were included within the parklands.
First years
Hindmarsh
Colonists who had already purchased land before departing were given first choice on 23 March 1837, and the remaining areas were auctioned for between 2 and 14 guineas. Within a few weeks many of the same areas were selling for between 80 and 100 pounds which was seen as a healthy sign. With the town survey completed, Light's poorly paid and ill-equipped surveying team were expected to begin another massive task of surveying at least 405 km² of rural land. Light's deputy, George Kingston was sent back to London in October 1837 to ask for more staff and equipment to speed up the process, and to have the troublesome Hindmarsh recalled. Light, who was slowly succumbing to tuberculosis, managed to complete 243 km² by December 1837, by which time the population had increased to around 2,500. When Kingston returned in June 1838, 605.7 km² had been completed. Light's requests however were denied, instead he could change from the trigonometrical surveys to a faster (but inferior) "running" survey, or hand control over to Kingston and confine himself to coastal surveys. Light resigned in protest. Hindmarsh was to be replaced, and left before the next governor arrived on board the Alligator on 14 July 1838.
The first sheep and other livestock in South Australia were brought in from Tasmania. Sheep were overlanded from New South Wales from 1838, with the wool industry forming the basis of South Australia's economy for the first few years. Vast tracts of land were leased by "Squatters" until required for agriculture. Once the land was surveyed it was put up for sale and the Squatters had to buy their runs or move on. Most bought their land when it came up for sale, disadvantaging farmers who had a hard time finding good and unoccupied land.
Farms took longer to establish than sheep runs and were expensive to set up. Despite this by 1860 wheat farms ranged from Encounter Bay in the south to Clare in the north.
The city's centre was intended to develop around Victoria Square, with Grote Street and King William Road which intersect the city planned extra wide to allow for future development. Development concentrated around Rundle and Hindley Streets, two of the narrowest streets on the city plan due to their proximity to the water supply and Port Road. Many empty blocks remained until the late 1800s.
Gawler
Adelaide's second Governor was Colonel George Gawler who arrived on October 1838 to a situation of almost no public finances, underpaid officials and 4000 immigrants still living in makeshift accommodation. He was allowed a maximum of £12,000 expenditure a year, with an additional £5,000 credit for emergencies, but was given the impression by the Colonial Office back in London that self-sufficiency of the colony was of minor importance and that government support should be relied upon. Gawler's first goal was to address delays over rural settlement and agriculture. He persuaded Sturt in New South Wales to work for him as surveyor-general, overseeing the surveys himself in the meantime. He appointed more colonial officials with higher wages, set up a police force and took part in explorations of the surrounding terrain. A governor's house, jail, police barracks, hospital, and customs house and wharf at Port Adelaide were built, as well as houses for public officials and missionaries, and outstations for police and surveyors.
The land boom eased after 1839, cash and credit were scarce, explorations indicated limited good land, and British speculators became interested in New Zealand. In 1840 there were crop failures in the other Australian colonies, upon which Adelaide still relied for food, and the cost of living increased rapidly. Gawler increased public expenditure to prevent an economic collapse, which resulted in bankruptcy and later on, changes to the way the colony was run (see South Australia Act, 1842). Over £200,000 in bills had been amassed and the land fund in London had been exhausted. The British Parliament approved a £155,000 loan (later made a gift) to bailout the colony. A head had to roll and Captain George Grey was sent to replace Gawler. Despite having been recalled Governor Gawler put Adelaide on a firm footing, making South Australia agriculturally self-sufficient, building infrastructure and restoring public confidence.
Grey
Grey, 29 at the time, issued news of Gawler's recollection himself on the government house steps on 15 May 1841. He slashed public expenditure, turning public opinion against him (which Grey ignored). Silver was discovered at Glen Osmond the same year, which lifted spirits and spurred on discoveries of other finds in the Mount Lofty Ranges. Copper was discovered near Kapunda in 1842. In 1845 even larger deposits of copper were discovered at Burra which brought wealth to the Adelaide shopkeepers who invested in the mine. With a series of good harvests and expanding agriculture, Adelaide exported meat, wool, wine, fruit and wheat. John Ridley invented a reaping machine in 1843 which changed farming methods throughout South Australia and the nation at large. By 1843, 93 km² of land was growing wheat (contrasted with 0.08 km² in 1838). Toward the end of the century South Australia would become known as the "granary of Australia". From a low point in 1842 when 642 out of 1,915 houses were abandoned and there was talk of abandoning the settlement, Adelaide was a bustling city when Grey left to govern New Zealand in 1845.
Later developments
Gold discoveries in Victoria in 1851 brought a severe labour shortage which was created by the exodus of workers leaving to seek their fortunes on the goldfields. High demand for South Australian wheat was created however. The situation improved when prospectors returned with their gold finds.
South Australians were keen to establish trade links with Victoria and New South Wales, however overland transport was too slow. A £4,000 prize was offered in 1850 by the South Australian government for the first two people to navigate the River Murray in an iron steamboat as far as its junction with the Darling River. In 1853 William Randell of Mannum and Francis Cadell of Adelaide, unintentionally making the attempt at the same time, raced each other to Swan Hill with Cadell coming in first.
South Australia became a Self-governing colony in 1856 with the ratification of a new constitution by the British parliament. Secret ballots were introduced, and a bicameral parliament was elected on 9 march 1857, by which time 109,917 people lived in the province. Premier Robert Torrens devised a land title system in 1858 which adapted the principles of shipping registers, emulated in the other Australian colonies and overseas in places such as Singapore.
Further Copper discoveries were made in 1859 at Wallaroo and in 1861 at Moonta. In 1860 the Thorndon Park reservoir was opened, finally providing an alternative water source to the turbid River Torrens. During John McDouall Stuart's 1862 expedition to the north coast of Australia he discovered 200,000 km² of grazing territory to the west of Lake Torrens and Lake Eyre. South Australia was made responsible for the administration of the Northern Territory. In 1867 gas street lighting was implemented, the University of Adelaide was founded in 1874, the South Australian Art Gallery opened in 1881 and the Happy Valley Reservoir opened in 1896.
In the 1890s Australia was affected by a severe economic depression, ending a hectic era of land booms and tumultuous expansionism. Financial institutions in Melbourne and banks in Sydney closed. The national fertility rate fell and immigration was reduced to a trickle. The value of South Australia's exports nearly halved. Drought and poor harvests from 1884 compounded the problems with some families leaving for Western Australia. Adelaide was not as badly hit as the larger gold-rush cities of Sydney and Melbourne, and silver and lead discoveries at Broken Hill provided some relief. Only one year of deficit was recorded but the price paid was retrenchments and lean public spending. Wine and Copper were the only industries not to suffer a downturn.
Electric street lighting was introduced in 1900 and electric trams were transporting passengers in 1909.
28,000 men were sent to fight in World War I. Adelaide enjoyed a post-war boom but with the return of droughts, entered the depression of the 1930s, later returning to prosperity with strong government leadership. Secondary industries helped reduce the state's dependence on primary industries. The 1933 census recorded the state population at 580,949 which was less of an increase than other states due to the state's economic limitations.
World War II brought industrial stimulus and diversification to Adelaide under the leadership of Thomas Playford. 70,000 men and women enlisted and shipbuilding was expanded at Whyalla. Adelaide's transformation from an agricultural service centre to a twentieth century city was complete.
After the war, an assisted migration scheme brought 215,000 emigrants of all nationalities to South Australia between 1947 and 1973. Electrical goods were manufactured in former munitions factories and Holden cars were assembled in 1948. A pipeline from Mannum brought River Murray water to Adelaide in 1954 and an airport opened at West Beach in 1955.
The Dunstan Government of the 1970s saw something of an Adelaide 'cultural revival' - establishing a wide array of social reforms and overseeing the city becoming a centre of the arts. Adelaide hosted the Australian Grand Prix between 1985 and 1996 on a street circuit in the city's east parklands, before losing it in a controversial move to Melbourne. The 1992 State Bank collapse plunged both Adelaide and South Australia into economic recession, and its effects can still be felt today. Recent years have seen the Clipsal 500 V8 Supercar race make use of the former Formula One circuit and renewed economic confidence under the Rann Government. 
33178 
125 Adelboden, Schweiz  7.558794  46.493329  Adelboden ist eine Gemeinde im Amtsbezirk Frutigen, Berner Oberland in der Schweiz. Der Name Adelboden setzt sich zusammen aus der Pflanzenbezeichnung Adel (Gras-) und dem Wort Bode(n).
Sprachen
Sprache ist Deutsch, genau genommen Adelbodetütsch, ein sehr spezifischer, höchstalemannischer Dialekt des Berner Oberlands mit Anlehnungen an den urtümlichen Walliser Dialekt.
Geschichte
Die zu Adelboden gehörenden Alpen Engstligenalp und Silleren werden im 13. Jahrhundert erstmals erwähnt. Die Bewohner des Engstligentals werden als Waldleute bezeichnet. Im 15. Jahrhundert erhält Adelboden eine eigene Kirche und über 50 Hausväter bürgen für das Gehalt des Pfarrers. Im 16. Jahrhundert schliesst sich Adelboden der Reformation an, der katholische Pfarrer flieht über den Hahnenmoospass ins weiterhin katholische Freiburgerland. Der einzige Weg nach Frutigen führt hoch oben auf der rechten Talseite entlang, bis in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts im Engstligental eine Fahrstrasse gebaut wird.
In den Siebzigerjahren des 19. Jahrhunderts wird die erste Fremdenpension gebaut, die noch heute als Hotel im Besitz der gleichen Familie ist (Hotel Hari im Schlegeli). Um die Jahrhundertwende führt der Tourismus zu einem markanten Anwachsen der Bevölkerung. In den 1930ern wurde die Seilbahn auf die Engstligenalp gebaut. 
34494 
126 Adeline, Ogle County, Illinois, USA  -89.49076652526855  42.143537961362384  Adeline is a village in Maryland Township, Ogle County, Illinois, along the Leaf River. The population was 85 at the 2010 census, down from 139 at the 2000 census.
https://en.wikipedia.org/w/index.php?title=Adeline,_Illinois&oldid=618621030 
149035 
127 Aden, Jumhūrīyat Al-Yaman Ad-Dīmuqrāṭīyah Ash-Sha'bīyah  45.0358223899658  12.812889122533136  Aden (/ˈɑːdɛn/ AH-den; Arabic: عدن ʻAdan‎) is a seaport city in Yemen, located by the eastern approach to the Red Sea (the Gulf of Aden), some 170 kilometres east of Bab-el-Mandeb. Its population is approximately a million people. Aden's ancient, natural harbour lies in the crater of a dormant volcano which now forms a peninsula, joined to the mainland by a low isthmus. This harbour, Front Bay, was first used by the ancient Kingdom of Awsan between the 5th and 7th centuries BCE. The modern harbour is on the other side of the peninsula.
Aden consists of a number of distinct sub-centers: Crater, the original port city; Ma'alla, the modern port; Tawahi, known as "Steamer Point" in the colonial period; and the resorts of Gold Mohur. Khormaksar, located on the isthmus that connects Aden proper with the mainland, includes the city's diplomatic missions, the main offices of Aden University, and Aden International Airport (the former British Royal Air Force station RAF Khormaksar), Yemen's second biggest airport. On the mainland are the sub-centres of Sheikh Othman, a former oasis area; Al-Mansura, a town planned by the British; and Madinat ash-Sha'b (formerly Madinat al-Itihad), the site designated as the capital of the South Arabian Federation and now home to a large power/desalinization facility and additional faculties of Aden University.
Aden encloses the eastern side of a vast, natural harbor that comprises the modern port. The volcanic peninsula of Little Aden forms a near-mirror image, enclosing the harbor and port on the western side. Little Aden became the site of the oil refinery and tanker port. Both were established and operated by British Petroleum until they were turned over to Yemeni government ownership and control in 1977.
Aden was the capital of the People's Democratic Republic of Yemen until that country's unification with the Yemen Arab Republic. On that occasion, the city was declared a free trade zone. Aden gives its name to the Gulf of Aden.
History
Antiquity
A local legend in Yemen states that Aden may be as old as human history itself. Some also believe that Cain and Abel are buried somewhere in the city.
The port's convenient position on the sea route between India and Europe has made Aden desirable to rulers who sought to possess it at various times throughout history. Known as Arabian Eudaemon in the 1st century BCE, it was a transshipping point for the Red Sea trade, but fell on hard times when new shipping practices by-passed it and made the daring direct crossing to India in the 1st century CE, according to the Periplus of the Erythraean Sea. The same work describes Aden as "a village by the shore," which would well describe the town of Crater while it was still little-developed. There is no mention of fortification at this stage, Aden was more an island than a peninsula as the isthmus (a tombolo) was not then so developed as it is today.
Medieval
Although the pre-Islamic Himyar civilization was capable of building large structures, there seems to have been little fortification at this stage. Fortifications at Mareb and other places in Yemen and the Hadhramaut make it clear that both the Himyar and the Sabean cultures were well capable of it. Thus, watch towers, since destroyed, are possible. However, the Arab historians Ibn al Mojawir and Abu Makhramah attribute the first fortification of Aden to Beni Zuree'a. Abu Makhramah has also included a detailed biography of Muhammad Azim Sultan Qamarbandi Naqsh in his work, Tarikh ul-Yemen. The aim seems to have been twofold: to keep hostile forces out and to maintain revenue by controlling the movement of goods, thereby preventing smuggling. In its original form, some of this work was relatively feeble. However, after 1175 CE, rebuilding in a more solid form began, and ever since it became a popular city attracting sailors and merchants from Egypt, Sindh, East Africa and even China.
In 1421, China's Ming dynasty Yongle Emperor ordered principal envoy grand eunuch Li Xing and grand eunuch Zhou Man of Zheng He's fleet to convey an imperial edict with hats and robes to bestow on the king of Aden. The envoys boarded three treasure ships and set sail from Sumatra to the port of Aden. This event was recorded in the book Ying-yai Sheng-lan by Ma Huan who accompanied the imperial envoy.
British rule
Before British rule, Aden was occupied by the Portuguese between 1513–1538 and 1547–1548. It was ruled by the Ottoman Empire between 1538–1547 and 1548–1645.
In 1609 The Ascension was the first English ship to visit Aden, before sailing on to Mocha during the Fourth voyage of the East India Company.
After Ottoman rule, Aden was ruled by the Sultanate of Lahej, under suzerainty of the Zaidi imams of Yemen.
Aden was at this time a small village with a population of 600 Arabs, Somalis, Jews and Indians—housed for the most part in huts of reed matting erected among ruins recalling a vanished era of wealth and prosperity. Haines stated that it could become a major trading centre and the latter part of the British period proved him correct with Aden growing to become one of the busiest ports in the world. In 1838, Sultan Muhsin bin Fadl of the nearby state of Lahej ceded 194 km² (75 sq. miles) including Aden to the British. On 19 January 1839, the British East India Company landed Royal Marines at Aden to occupy the territory and stop attacks by pirates against British shipping to India. The port lies about equidistant from the Suez Canal, Bombay (now Mumbai), and Zanzibar, which were all important British possessions. Aden had been an entrepôt and a way-station for seamen in the ancient world. There, supplies, particularly water, were replenished. So, in the mid-19th century, it became necessary to replenish coal and boiler water. Thus Aden acquired a coaling station at Steamer Point. Aden was to remain under British control until 1967.
Until 1937, Aden was ruled as part of British India and was known as the Aden Settlement. Its original territory was enlarged in 1857 by the 13 km² island of Perim, in 1868 by the 73 km² Khuriya Muriya Islands, and in 1915 by the 108 km² island of Kamaran.
In 1937, the Settlement was detached from India and became the Colony of Aden, a British Crown colony. The change in government was a step towards the change in monetary units seen in the stamps illustrating this article. When the Indian Empire went its independent way, Indian rupees (divided into annas) were replaced in Aden by East African shillings. The hinterland of Aden and Hadhramaut were also loosely tied to Britain as the Aden Protectorate which was overseen from Aden.
Aden's location also made it a useful entrepôt for mail passing between places around the Indian Ocean and Europe. Thus, a ship passing from Suez to Bombay could leave mail for Mombasa at Aden for collection.
After the loss of the Suez Canal in 1956, Aden became the main base in the region for the British.
Aden sent a team of two to the 1962 British Empire and Commonwealth Games in Perth, Western Australia.
Little Aden 1955 to 1967
Little Aden is still dominated by the oil refinery built for British Petroleum. Little Aden was well known to seafarers for its tanker port with a very welcoming seaman's mission near to the BP Aden tugs' jetties, complete with swimming pool and air conditioned bar. The accommodation areas for the refinery personnel were known by the original Arabic names of Bureika and Ghadir.
Bureika was wooden housing bunkhouses built to accommodate the thousands of skilled men and labourers imported to build the refinery, later converted to family housing, plus imported prefabricated houses "the Riley-Newsums" that are also to be found in parts of Australia (Woomera). Bureika also had a protected bathing area and Beach Club.
Ghadir housing was stone built, largely from the local granite quarry; much of this housing still stands today, now occupied by wealthier locals from Aden. Little Aden also has a local township and numerous picturesque fishing villages, including the Lobster Pots of Ghadir. The army had extensive camps in Bureika and through Silent Valley in Falaise Camp, these successfully protected the refinery staff and facilities throughout the troubles, with only a very few exceptions. Schooling was provided for children from kindergarten age through to primary school, after that, children were bussed to The Isthmus School in Khormaksar, though this had to be stopped during the Aden Emergency.
Federation of South Arabia and the Aden Emergency
In order to stabilize Aden and the surrounding Aden Protectorate from the designs of the Egyptian backed republicans of North Yemen, the British attempted to gradually unite the disparate states of the region in preparation for eventual independence. On 18 January 1963, the Colony of Aden was incorporated into the Federation of Arab Emirates of the South against the wishes of the communists of North Yemen who claimed the city and south Yemen as part of their territory. The city's populace as the State of Aden and the Federation was renamed the Federation of South Arabia (FSA).
An insurgency against British rule known as the Aden Emergency began with a grenade attack by the communist's National Liberation Front (NLF), against the British High Commissioner on 10 December 1963, killing one person and injuring fifty, and a "state of emergency" was declared.
In 1964, Britain announced its intention to grant independence to the FSA in 1968, but that the British military would remain in Aden. The security situation deteriorated as NLF and FLOSY (Front for the Liberation of Occupied South Yemen) vied for the upper hand.
In January 1967, there were mass riots between the NLF and their rival FLOSY supporters in the old Arab quarter of Aden town. This conflict continued until mid February, despite the intervention of British troops. During the period there were as many attacks on the British troops by both sides as against each other culminating in the destruction of an Aden Airlines DC3 plane in the air with no survivors.
On 30 November 1967 the British finally pulled out, leaving Aden and the rest of the FSA under NLF control. The Royal Marines, who had been the first British troops to occupy Aden in 1839, were the last to leave—with the exception of a Royal Engineer detachment.
Independence
Aden became the capital of the new People's Republic of South Yemen which was renamed the People's Democratic Republic of Yemen in 1970. With the unification of northern and southern Yemen in 1990, Aden was no longer a national capital but remained the capital of Aden Governorate which covered an area similar to that of the Aden Colony.
On 29 December 1992, Al Qaeda conducted its first known terrorist attack in Aden, bombing the Gold Mohur Hotel (/ˌɡoʊld ˈmɔər/), where U.S. servicemen were known to have been staying en route to Somalia for Operation Restore Hope. A Yemeni and an Austrian tourist died in the attack.
Aden was briefly the centre of the secessionist Democratic Republic of Yemen from 21 May 1994 but was reunited by Republic of Yemen troops on 7 July 1994.
Members of al Qaeda attempted to bomb the US guided-missile destroyer The Sullivans at the port of Aden as part of the 2000 millennium attack plots. The boat that had the explosives in it sank, forcing the planned attack to be aborted.
The bombing attack on destroyer USS Cole took place in Aden on 12 October 2000.
In 2007 growing dissatisfaction with unification led to the formation of the secessionist South Yemen Movement. According to the New York Times, the Movement's mainly underground leadership includes socialists, Islamists and individuals desiring a return to the perceived benefits of the People's Democratic Republic of Yemen. 
131148 
128 Adinkerke, West-Vlaanderen, België  2.5985240936279297  51.07409162894105  Adinkerke is een dorp in de Belgische provincie West-Vlaanderen en een deelgemeente van de kustgemeente De Panne. Het dorp ligt in de Westhoek, dicht bij de grens met Frankrijk. Adinkerke ligt op een drietal kilometer van de kust, aan het kanaal Nieuwpoort-Duinkerke. Ten westen van de dorpskern, richting Frankrijk, ligt een duinengordel, de rest van het grondgebied is poldergrond.
Adinkerke is vooral gericht op wonen. Naast lokale winkels heeft de plaats vanwege zijn ligging dichtbij de grens een opmerkelijk hoog aantal tabakswinkels en tankstations, die vooral geconcentreerd zijn rond het kanaal Nieuwpoort-Duinkerke.
Geschiedenis
De regio was al bewoond in de 5de eeuw v.Chr. In de Late IJzertijd werd er veeteelt en zoutwinning gedaan, en ook uit de Romeinse tijd zijn sporen teruggevonden. Ook tijdens de Frankische tijd en in de middeleeuwen bestond er een nederzetting.
De eerste vermelding van Adinkerke was in 1123, als Adenkercka. "Adin" is waarschijnlijk afgeleid van een mansnaam, Audo. Het gebied was opgenomen in de kasselrij Veurne-Ambacht. De parochie van Adinkerke hoorde voor 1553 bij het bisdom Terwaan, vanaf 1553 bij het bisdom Ieper, vanaf 1801 bij het Bisdom Gent en tenslotte bij het Bisdom Brugge sinds 1834.
In 1782, tijdens Oostenrijks bewind, werd een kleine nederzetting opgericht door vooraanstaande burgers uit Veurne. Dit omdat Keizer Jozef II de visserij wou bevorderen. De nederzetting werd gebouwd tussen de duinen en de zee en het werd Sint-Jozefsdorp genoemd, later noemde het Kerckepanne. Dit gehucht zou uitgroeien tot het latere centrum van La Panne (De Panne). Het gehuchtje werd in 1789 bij de parochie van Adinkerke gevoegd, en werd vanaf 1799 ook administratief een deel van de gemeente Adinkerke.
Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw groeide het gehucht De Panne uit tot een toeristische badplaats. Het gehucht werd op 24 juli 1911 opnieuw afgescheiden van Adinkerke, en werd een zelfstandig gemeente. Uiteindelijk werden tijdens de gemeentelijke fusies van 1977 beide gemeentes weer samengevoegd, maar ditmaal werd Adinkerke bij het ondertussen grotere De Panne gevoegd.
Bezienswaardigheden
* In Adinkerke bevindt zich het pretpark Plopsaland, voorheen de Meli.
* De Militaire begraafplaats Adinkerke, bestaande uit een Belgische militaire begraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog en een Brits militair kerkhof met graven uit beide wereldoorlogen.
* De rooms-katholieke parochie en kerk zijn genoemd naar Sint Audomarus. De Sint-Audomaruskerk is een neogotische hallenkerk. De romaanse kerktoren dateert deels uit de 12de eeuw. 
67809 
129 Adlitz, Marloffstein, Bayern, Deutschland  11.063811779022217  49.629797209899515  Marloffstein ist eine Gemeinde im mittelfränkischen Landkreis Erlangen-Höchstadt und Mitglied der Verwaltungsgemeinschaft Uttenreuth.
Sehenswert sind die Schlösser Schloss Marloffstein, Schloss Adlitz, Schloss Atzelsberg und Schloss Rathsberg sowie der alte Ziehbrunnen.
Ortsteile
Schloss Marloffstein
* Marloffstein
* Adlitz mit Schneckenhof
* Atzelsberg
* Rathsberg
Geschichte
Bereits 1288 wurde ein Graf Herman Celarius de Marrolstein urkundlich erwähnt. 
69265 
130 Adorf, Twist, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  7.033333  52.616667  Twist (gesprochen mit langem "i") ist eine Gemeinde des niedersächsischen Landkreises Emsland und liegt im Naturpark Bourtanger Moor-Bargerveen direkt an der Niederländischen Grenze.
Ortsteile im Gemeindegebiet
1. Adorf
2. Hebelermeer
3. Hesepertwist (Twist-Siedlung)
4. Neuringe
5. Rühlermoor/Rühlerfeld
6. Rühlertwist (Twist-Bült)
7. Schöninghsdorf 
37020 
131 Adorp, Groningen  6.53444444444444  53.2747222222222  Adorp (Gronings: Oadörp) is een dorp gelegen in de gemeente Winsum in de provincie Groningen in (Nederland). Adorp is ook de naam van de voormalige gemeente die in 1990 is opgegaan in Winsum.
Adorp is een wierdedorp, gelegen op de uitloper van de Hondsrug en gelegen aan een voormalige bocht (meander) van het Selwerderdiepje (de Hunze).
Op de wierde staat een kerk uit de 13e eeuw. Het interieur stamt uit de 17e eeuw. Het dorp heeft verder een molen, Aeolus genaamd.
De naam Adorp zou kunnen betekenen:
1. dorp (terp) aan de A,
2. dorp in het bouwland (arth) of
3. dorp van Arn (persoonsnaam).
Even ten zuiden van het dorp mondde de Drentsche Aa uit in de Hunze.
Voormalige gemeente
De voormalige gemeente Adorp bestond naast het dorp zelf uit de dorpen, buurtschappen en gehuchten:Arwerd, Groot Wetsinge, Harssens, Hekkum, Klein Wetsinge, Sauwerd en Wierum. Het gemeentehuis stond in Sauwerd. 
34235 
132 Adrian, Nobles County, Minnesota, USA  -95.9340763092041  43.63303746542345  Adrian is a city in Nobles County, Minnesota, United States. The population was 1,209 at the 2010 census.  135016 
133 Aduard, Groningen  6.46  53.2547222222222  Aduard (Gronings: Auwerd) is een dorp in de gemeente Zuidhorn in de Nederlandse provincie Groningen met 2.468 inwoners (2005). Tot 1990 was Aduard een zelfstandige gemeente. In dat jaar werd het samen met de voormalige gemeenten Grijpskerk en Oldehove bij Zuidhorn gevoegd.
Het dorp is ontstaan rond het cisterciënzersklooster dat hier in 1192 werd gesticht. Dit klooster van Aduard groeide uit tot het grootste en invloedrijkste van de Ommelanden. Op zijn toppunt bezat het meer dan 10.000 ha aan gronden, waarvan een deel in Friesland en Drenthe. Zie ook Kloosterkaart Groningen
De voornaamste reden voor de enorme bloei van het klooster was dat het de ontginning en afwatering van de woeste gronden serieus ter hand nam. De monniken groeven het Aduarderdiep, legden de Aduarderzijl aan en stichtten verschillende voorwerken (uithoven), de boerderijen die bij het klooster behoorden.
Het klooster besloeg een groot deel van het huidige dorp, dat ooit groter was dan de toenmalige stad Groningen. In de 15e eeuw had het een eigen, zij het kleine academie, de Aduarder Kring. Op 11 september 1575 werd het klooster grotendeels verwoest. Alleen het hospitium (de ziekenzaal), tegenwoordig in gebruik als kerk, bleef tot op de dag van vandaag bestaan.
Voormalige gemeente
De voormalige gemeente Aduard bestond naast het hoofddorp uit de dorpen, gehuchten en buurtschappen: Aduardervoorwerk, Den Ham, Den Horn, Fransum, Fransumervoorwerk, Gaaikemadijk, Hoogemeeden, Lagemeeden, Nieuwklap, Steentil en Wierumerschouw (gedeeltelijk). 
33015 
134 Aduarder Voorwerk, Aduard, Groningen  6.4740800857543945  53.26096592084243  Aduarder Voorwerk is een buurtje in de Groningse gemeente Zuidhorn. Het ligt aan de noordzijde van het van Starkenborghkanaal, iets ten oosten van Aduard en iets ten westen van Steentil. Er staan vier boerderijen op een rij langs de weg.
De naam voorwerk verwijst naar het voormalige klooster van Aduard. Een voorwerk, elders ook wel uithof genoemd, was een buitenbezitting van het klooster. Het Aduarder voorwerk werd ook wel het 'Oude Voorwerk' genoemd, waar het iets noordelijker gelegen Fransumer Voorwerk ook wel het 'Nieuwe Voorwerk' werd genoemd. De vroegere aanwezigheid is nog terug te zien in het feit dat het terrein enigszins verhoogd ligt. Dit is echter alleen aan noordoostzijde (nabij Steentil) goed te zien vanaf de weg. De vier boerderijen werden na de reductie gebouwd. De meest westelijke is de kop-hals-rompboerderij Rekamp. 
87700 
135 Aduarderzijl, Ezinge, Groningen  6.466  53.318  Aduarderzijl (Gronings: Auwerderziel) is een gehucht in de gemeente Winsum in de provincie Groningen in (Nederland).
Het dorp heet naar de gelijknamige spuisluis (zijl) die is aangelegd door de monniken van het klooster Aduard. Deze hebben (± 1400) ook het Aduarderdiep aangelegd, het water waarin de zijl is gelegen.
Naast de Aduarderzijl is een tweede sluis, de Kokersluis, in de 1867 aangeleg toen de zijl te klein bleek te zijn.
Pal naast de sluis staat het bij iedere Groninger fietser bekende Waarhuis, de voormalige sluiswachterswoning (waren = bewaren, bewaken). 
238 
136 Aegum, Idaarderadeel, Friesland  5.827855467796326  53.13049040828175  Aegum (officieel, Fries: Eagum) is een dorpje in de gemeente Boornsterhem (Boarnsterhim) in de Nederlandse provincie Friesland.

Het dorpje is met ongeveer 30 inwoners van zes boerderijen en met een oude kerktoren een van de kleinste dorpjes van Friesland, maar is volgens een oud Fries rijmpje wel het middelpunt van Friesland (en dus de wereld).

Aegum leit mids yn'e wrâld.
trije hoannestappen fan de toer dêr is it middelpuntsje
en dy't it net leauwe wol, kin't neitrêdzje.

Het plaatsje heeft zelfs een gedenksteentje dat dit middelpunt vastlegt en door onder andere door Groningse studenten nog wel eens bezocht wordt in verband met hun ontgroeningsrituelen
Geschiedenis

Hoe oud het dorpje Aegum (Eagum) is, is niet bekend, maar gezien de bouwstijl van de oude kerktoren die in het dorpje gelegen is, werd de toren in de 13e eeuw gebouwd. In het begin van de 16e eeuw kreeg de toren een zaal. De kerk zelf was in 1777 zo slecht geworden, dat deze afgebroken werd, en vervangen door een nieuwe die in 1778 gereed was. Die kerk werd vervolgens in 1838 verkocht om afgebroken te worden, wat in 1856 ook gebeurd is, maar de toren is wel blijven staan en is in 1983 gerestaureerd. In Aegum gaat het verhaal dat de stenen van het kerkgebouw destijds zijn hergebruikt voor het bouwen van een kroeg in Opeinde.

Aegum kwam voor het eerst voor in de geschiedenis in 1450, als Aghem, destijds vaak geschreven als Ægum. In 1511 waren in het Register van Aanbring voor het dorpje 6 adressen geregistreerd. Eagum lag aan het Wargaastermeer en de visserij was naast het boeren dan ook een belangrijke bron van inkomsten. Maar in 1633 werd het meer drooggemaakt door Paulus Jansz Cley. Hij en zijn zoon Wilhelm Cley werden later in de kerk begraven. Paulus Janz. Cley zijn grafzerk ligt nu als monument aan de Wergeaster zijde in de Wergeastermarpolder, ook is in Wergea een straat naar hem vernoemd. Aegum heeft ook zonder de visserij bestaan, en in de 17e en 18e eeuw had Aegum negen boerderijen. In de 20e eeuw was het aantal ongeveer wederom rond de vijf, waarbij op de meeste plaatsen niet meer gewoond wordt.

Ten zuiden van het dorp staat een Amerikaanse windmotor.

Bestuurlijk maakte Aegum tot de gemeentelijke herindeling in 1984 deel uit van de gemeente Idaarderadeel, die toen samen met Rauwerderhem en een groot deel van Utingeradeel opgegaan is in de nieuwe gemeente Boornsterhem. Sinds januari 1989 is de officiële naam van het dorpje het Friestalige Eagum.
http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Aegum&oldid=32365216 
132528 
137 Aerdenhout, Bloemendaal, Noord-Holland  4.59722222222222  52.3644444444444  Aerdenhout is een plaats in de gemeente Bloemendaal in de provincie Noord-Holland. De naam Aerdenhout komt van 'Den AndEren Hout'.
Aerdenhout is bekend om zijn prachtige villa's en lustoorden, die gelegen zijn in de bossen rond Aerdenhout. Hierdoor heeft Aerdenhout landelijk gezien de naam een chique plaats te zijn. Niet verwonderlijk, want het aantal makelaars en notarissen ligt in Aerdenhout ver boven het landelijk gemiddelde.
De plaats heeft een eigen spoorwegstation welke op de grens met de gemeente Heemstede ligt. Het station is in het spoorboekje dan ook opgenomen als 'Heemstede-Aerdenhout'. 
35546 
138 Aerdt, Herwen en Aerdt, Gelderland  6.08531999605475  51.893710643084106  Aerdt is een van de dorpen in de gemeente Rijnwaarden, in de Nederlandse provincie Gelderland. Het dorp ligt ten oosten van de buurtschap Aerdenburg en ten westen van Herwen. Aerdt bestaat voornamelijk uit vrijstaande huizen. De centrale straat is de Schoolstraat. Ten noorden van het dorp ligt de Jezuitenwaai, en ten noordoosten van Aerdt ligt de Duitse-Nederlandse grens. Het inwonersaantal ligt rond de 950 inwoners. Het Huis Aerdt ligt ten westen van de plaats Herwen.
Tot 1984 vormde Aerdt, samen met Herwen de gemeente Herwen en Aerdt. 
138246 
139 Aeschi, Schweiz  7.683331  46.649995  Aeschi ist eine Gemeinde im Amtsbezirk Frutigen des Kantons Bern in der Schweiz. Sie liegt oberhalb von Spiez. Im Jahre 2000 zählte die Gemeinde noch 2'025 Einwohner.
Der Name Äschi beruht auf einer althochdeutschen Grundform "ascahi" (Eschengehölz). Bezeichnet einen Ort an dem Eschen in grosser Zahl vorkommen.
Ein bisschen oberhalb von Aeschi liegt Aeschiried, mit Blick auf den Thunersee. 
34467 
140 Aetna Township, Falmouth, Michigan, USA  -85.92010259628296  43.56843780643637  Lincoln Township is a civil township of Newaygo County in the U.S. state of Michigan. The population was 1,338 at the 2000 census.
Communities
* Aetna is an unincorporated community on M-20 in the southwest corner of the township along the boundary with Denver Township 
69943 
141 Aetna Township, Missaukee County, Michigan, Michigan, USA  -85.0375  44.284444  Aetna Township is a civil township of Missaukee County in the U.S. state of Michigan. As of the 2000 census, the township population was 491.
Communities
Dinca is a small unincorporated community in the township at 44°16′44″N 85°03′15″W near the junction of E. Lotan and S. 8 Mile Roads. A rural post office operated from October 20, 1906, until May 31, 1914.
Barger 44°16′17″N 85°00′10″W was a rural post office in the township, named for farmer Martin S. Barger, that operated from April 5, 1902, until April 29, 1905.
Mynnings 44°19′20″N 85°04′30″W was a post office and lumber settlement named for lumberman Christen F. Mynning. The post office operated from January 15, 1900, until December 31, 1907.
The city of Lake City is to the east, and the Lake City post office with ZIP code 49651 also serves the northern portion of Aetna Township.
The community of Falmouth is to the south, and the Falmouth post office with ZIP code 49632 also serves the southern portion of Aetna Township. 
134905 
142 Afden, Herzogenrath, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.082941  50.867936  Herzogenrath besteht aus den drei Ortsteilen Herzogenrath, Merkstein und Kohlscheid:
* Stadt Herzogenrath
o Straß
o Kohlberg
o Gasse
o Hegge(n)
o Pesch
o Maubach
o Beckenberg
o Afden
o Niederbardenberg
o Ruif
o Berg / Noppenberg
o Bierstraß
o Thiergarten (auch Merkstein)
o Dahlen
* Ehemalige Gemeinde Merkstein
o Streiffeld
o Neumerbern
o Nordstern
o Magerau
o Ritzerfeld
o Thiergarten (auch Herzogenrath)
o Alt-Merkstein
o Worm
o Wildnis
o Nivelstein
o Finkenrath
o Rimburg
o Hofstadt
o Herbach
o Ophoven
o Plitschard
o Floes / Floss
o Noppenberg
o Schleypenhof
* ehemalige Gemeinde Pannesheide, ab 1908 Kohlscheid
o Pannesheide
o Schützenheide
o Schweyerhof
o Roland
o Spidell
o Kessels
o Klinkheide
o Vorscheid
o Bank
o Rumpen
o Dornkaul
o Berensberg
o Hasenwald
o Mitteluersfeld
o Pley
o Kircheich
o Forensberg
o Neu-Forensberg
o Feld
Merkstein
Im 11. Jahrhundert gehörten Merkstein ebenso wie die Festung Rode,
Kirchrath und Afden zum Besitz des Grafengeschlechtes
Saffenberg.
Der Mittelpunkt der Stadt Herzogenrath
hat eine weit zurückreichende Besiedlungsgeschichte ;
der heutige Ortsteil Afden, bereits 1116 in den „annales rodenses“ erwähnt
ist eine Siedlung keltischen Ursprungs.
Der Ursprung von Herzogenrath kann in der Burg nachvollzogen werden,
die 1104 in den Klosterrather Jahrbüchern als „castrum rodense“ erwähnt wird. 
39473 
143 Afferden, Bergen, Limburg  6.009092330932617  51.63597519370935  Afferden (Noord-Limburgs: Offere) is een plaats in het noordelijk deel van Nederlands Limburg en hoort bij de gemeente Bergen. Dit kerkdorp ligt vlak langs de Maas, hemelsbreed zo'n 15 kilometer ten noorden van Venray en 25 kilometer ten zuiden van Nijmegen.
Geschiedenis
Aan het einde van de 13e of het begin van de 14e eeuw werd Kasteel Afferden gebouwd. In eerste instantie was dit een omgrachte boerderij die in het begin van de 15e eeuw door een volwaardig kasteel werd vervangen.
Afferden behoorde bij het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd het door Pruisische troepen bezet, en zo bleef het als deel van Pruisisch Opper-Gelre ongeveer een eeuw lang Duits (tot 1814).
Wapen van Afferden
De oudste vermelding van de schepenen van Afferden is al op 21 maart 1363. Pas vanaf 1534 heeft de schepenbank een eigen zegel, met de heiligen Cosmas en Damianus. Cosmas houdt in de linkerhand een balsemkruik en Damianus in zijn rechterhand een boek. In latere versies staan ze voor een gemetselde muur en is er geen boek, maar geeft Damianus een balsemkruik aan Cosmas.
Gebouwen
Al voor de 13e eeuw stond in Afferden een kerk. De toren stamt uit de 13e eeuw. In de 16e eeuw en de 19e eeuw vonden ingrijpende verbouwingen plaats.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte de oude kerk totaal verwoest. De toren bleef staan, en is later gerestaureerd.
In 1957-1958 werd een nieuwe kerk gebouwd naar ontwerp van Jules Kayser.
Niet alleen de kerk, maar ook de plaatselijke korenmolen werd verwoest. De molen Nooit Gedacht is in 1958 gebouwd als vervanging van de oude molen.
Naast deze gebouwen is er ook nog Kasteel Blijenbeek. Deze is tevens in de Tweede Wereldoorlog helemaal verwoest. Het is tot op heden een Ruïne. 
78970 
144 Afferden, Druten, Gelderland  5.633175373077393  51.880161586945746  Afferden is een dorp in de gemeente Druten in het Land van Maas en Waal in de Nederlandse provincie Gelderland. Het telt circa 1620 inwoners (per 1 januari 2005).
In de loop der eeuwen is de dorpskern verplaatst. De oude kern wordt heden nog gemarkeerd door de toren van een verder gesloopte kerk. Elders in het dorp staat de huidige parochiekerk St. Victor en Gezellen uit 1890-1891, die werd gebouwd naar een ontwerp van architect Carl Weber. De kerk is grotendeels in neogotische stijl maar heeft een toren die invloeden uit de romaanse stijl vertoont. Oorspronkelijk had deze toren de hoogste van de streek moeten worden, in elk geval hoger dan die van het naburige Druten. Omdat de kerk echter is gebouwd op grond die te weinig draagkracht heeft om een zware toren te kunnen dragen, is de toren niet voltooid.
Overstromingsgevaar
In 1995 werden alle bewoners van Afferden en omliggende dorpen geëvacueerd omdat het water in de Waal gevaarlijk hoog stond. Als dit het water de dijk zou overspoelen, zou deze opgeblazen worden om de Betuwe te beschermen. Het water zakte echter tijdig en daarom bleef de dijk gespaard. Wanneer de dijk zou worden opgeblazen, zou Afferden ongeveer drie meter onder water liggen. 
64768 
145 Affligem, Vlaams-Brabant, België  4.10666666666667  50.91  Affligem is een plaats en een gemeente in de Belgische provincie Vlaams-Brabant. De gemeente telt bijna 12.000 inwoners.  35340 
146 Agde, Languedoc-Roussillon, France  3.4727761746762553  43.309540070695604  Agde (en occitan : Agde, prononcer ˈate) est une commune française située dans le département de l'Hérault et dans la région Languedoc-Roussillon.
La ville d'Agde, surnommée parfois « la perle noire de la Méditerranée »N à cause de ses monuments construits en pierre basaltique, a une longue histoire. Fondée au VIe siècle av. J.-C. par des Phocéens venus de Marseille, elle a été dès l'an 500 et jusqu'à la Révolution le siège d'un évêché. Face à l'évêque, qui détint dès le XIIe siècle le pouvoir temporel du vicomté d'Agde, la ville fut très tôt, vers le début du XIIIe siècle administrée par des Consuls, préfiguration des municipalités modernes.
Ville portuaire depuis l'Antiquité, favorisée vers le fin du XVIIe siècle par l'ouverture du canal du Midi, Agde retira longtemps l'essentiel de ses revenus du commerce maritime et de la pêche. La ville a subi le déclin de son port sur l'Hérault, à cinq kilomètres de la mer, surclassé par celui de Sète dès l'arrivée des navires à vapeur. Au début du XXe siècle, la commune vivait principalement de la pêche et de l'agriculture (viticulture). Elle connaît une nouvelle phase de développement depuis la construction dans les années 1970-1980 de la station balnéaire du Cap d'Agde dans le cadre de l'aménagement touristique du littoral du Languedoc-Roussillon. Elle est devenue l'un des principaux ports de plaisance de la Méditerranée, la première station touristique de France par sa capacité d'hébergement, et bénéficie d'une renommée internationale, en partie due à son quartier naturiste. La commune souffre cependant d'un taux de chômage élevé et son économie est marquée par l'importance des emplois saisonniers liés au tourisme estival.
La population de la commune, qui compte 21 000 résidents permanents, peut atteindre 200 000 habitants pendant la saison estivale.
Étymologie
Le nom d'« Agde » dérive de celui de la colonie grecque d'origine, Αγαθή Τύχη (Agathé Tyché), la « bonne fortune », ou Αγαθή Polis, la « bonne ville ».
Les habitants sont appelés Agathois ou Agathais. Toutefois, seul le gentilé Agathois subsiste dans l'usage courant. Les habitants du Grau-d'Agde sont les Grauléens ou Graulens (l'usage ne semble pas fixé) et ceux du Cap-d'Agde, les Capagathois.
Histoire
Articles détaillés : Histoire d'Agde et Chronologie d'Agde
Préhistoire
L'homme est présent dans la région depuis le début du Paléolithique (environ un million d'années avant notre ère), toutefois les vestiges retrouvés dans la commune sont très rares. Ce territoire a été affecté au cours des temps préhistoriques par des éruptions volcaniques (entre -1 000 000 et -700 000 ans) à Agde et dans les environs (Vias, Portiragnes, Saint-Thibéry), ainsi que par de fortes fluctuations de la ligne de rivage, liées aux alternances des périodes glaciaires et interglaciaires.
Plusieurs gisements plus récents attestent de la présence d'habitats au Néolithique, puis à l'époque protohistorique (âge du cuivre et âge du bronze)
Antiquité
Les premiers occupants historiques de la région d'Agde furent les Ligures et les Ibères, puis vers le IIIe siècle av. J.-C. s'établit un peuple celtique, les Volques Tectosages.
Le site d'Agde fut fréquenté par des Phocéens venus de Marseille vers 600 av. J.-C.. À partir de 400 avant J.-C. la ville devient colonie massaliote. L'habitat phocéen est construit dans un quadrilatère de 150 et 200 mètres de côté à l'emplacement de la vieille ville actuelle. Le territoire (chora) de la cité est rapidement cadastré par les nouveaux habitants. Le comptoir devient rapidement prospère et prend contact avec les oppidums de la région et plus largement de la Celtique méditerranéenne, afin de commercer avec eux (Ensérune, Saint-Thibéry, Castelnau…). Les Grecs se procurent des céréales, de la laine, des meules en basalte et peut-être des esclaves. Ils introduisent les techniques de la production de l'huile d'olive et la vigne. Ils tirent aussi de gros bénéfices du trafic du sel abondant le long des étangs de la région. Les relations avec Marseille sont constantes et la cité d'Agathé Tyché y envoie des émissaires (théores) lors des grandes occasions.
Au IVe siècle av. J.-C., Agathé Tyché est un entrepôt permettant un trafic important et lointain. Les autorités grecques élaborent une cadastration du territoire qui s'étend au-delà des murailles de la cité et qui ne sera revue que trois siècles plus tard. L'activité de la cité est alors en plein essor. La présence de basalte permet aux Grecs de produire des meules qui seront par la suite vendues dans une bonne partie du bassin méditerranéen. En 118 avant l'ère chrétienne, le consul Cneus Domitius Ahenobarbus s'empare de tout le sud de la France actuelle et fonde la province de la Narbonnaise. Pour structurer cette zone et faciliter la pénétration romaine, il fait construire la fameuse via Domitia. Cette dernière passe à une vingtaine de kilomètres au nord du comptoir grec. De plus, pour concurrencer celui-ci, les Romains fondent Forum domitii (Montbazin) sur leur voie.
Vers 475, Agde, incluse dans la Septimanie, tombe aux mains des Wisigoths, déjà installés en Espagne. La période wisigothique durera environ trois siècles jusqu'à l'invasion musulmane au VIIe siècle.
Très tôt, Agde fut le siège d'un évêché qui dura pendant quatorze siècles jusqu'à sa suppression à la Révolution. Le premier évêque connu fut Venustus, ou saint Venuste, qui fut martyrisé par les Alamans probablement au début du Ve siècle (408). Le dernier évêque et comte d'Agde, Charles François de Saint Simon Sandricourt fut guillotiné à Paris le 26 juillet 1794.
Moyen Âge
En 506, du temps du règne du roi wisigoth Alaric II (bien qu'il fût de religion arienne), se tint en l'église Saint-André le concile d’Agde sous la présidence de saint Césaire d'Arles.
Les Sarrasins, commandés par le général Zama, envahissent la Septimanie et après avoir occupé Narbonne en 720, ils prennent Agde en 725. La ville est reprise et détruite en 737 par Charles Martel.
En 859, Agde est pillée par les Vikings du chef Hasting, qui venaient de Nantes et avaient hiverné en Camargue.
Au Moyen Âge, la vicomté d'Agde appartint à la maison Trencavel, avant d'être annexée par les rois de France à la suite de la croisade des Albigeois. Bernard-Aton VI fut le dernier vicomte d'Agde. Après l'échec de son alliance avec le roi d'Aragon contre le comte de Toulouse, il se donna au mois de juin 1187 comme chanoine à l'église Saint-Étienne d'Agde, et transféra à l'évêque Pierre-Raymond l'entière vicomté ou comté d'Agde. Cette donation, confirmée en juillet de la même année par le comte de Toulouse, fit de l'évêque le comte d'Agde. Dès lors les évêques exercèrent jusqu'en 1790 à la fois le pouvoir temporel et le pouvoir spirituel.
Comme d'autres villes du Languedoc, Agde bénéficia très tôt d'une certaine émancipation avec le statut d'« université », équivalent de la « commune » dans les régions du nord de la France, dirigée par un collège de « consuls ». L'existence de ces derniers est attestée depuis 1206 mais est sans doute beaucoup plus ancienne. D'abord au nombre de six, réduits à quatre à partir de 1550, ils avaient un mandat annuel et étaient choisis par l'évêque sur une liste de douze (ultérieurement huit) notables de la bourgeoisie élus par la communauté. Les consuls assuraient l'administration de la ville et défendaient les intérêts de la communauté face à l'évêque, seigneur féodal, et face à l'autorité royale, représentée par la sénéchaussée de Béziers. L'institution des consuls dura jusqu'à la Révolution.
En 1206, le pont de pierre à plusieurs arches qui traversait l'Hérault s'écroula. Ce pont, dont l'époque de construction est inconnue, fut probablement reconstruit et disparut à une date indéterminée, mais par la suite la traversée du fleuve s'effectua grâce à un pont de bateaux. Celui construit en 1678 fut emporté par une crue en 1705. Il fut reconstruit à plusieurs reprises, à nouveau emporté par des crues et périodiquement remplacé par un service de bacs, jusqu'à ce que le dernier pont de bateaux mis en service en 1808 soit remplacé par un pont suspendu en 1837.
Le 23 août 1400, le port d'Agde est assailli par des marins d'Aigues-Mortes qui s'emparent de plusieurs navires et de leurs équipages. Ceux d'Aigues-Mortes prétendaient maintenir leurs monopole sur le commerce maritime en Languedoc en vertu de privilèges accordés par le roi Charles VI. Cependant, la même année le roi confirma le droit d'Agde de commercer librement au moins pour deux ans.
La cathédrale Saint-Étienne, église fortifiée construite en lave basaltique, est consacrée le 8 juillet 1453 par l'évêque d'Agde, Messire Étienne de Roupy de Cambrai.
Époque moderne
En 1524 est institué le « Conseil général » qui compta 27 membres, puis 57 à partir de 1554. Constitué de notables de la ville, désignés à vie par les Consuls, il avait notamment pour fonction d'élire chaque année lesdits Consuls.
En mai 1562, les protestants menés par Jacques Baudiné, baron de Crussols, s'emparent de la ville. Le vicomte de Joyeuse, lieutenant général, tenta en vain de la reprendre en octobre de la même année. La ville revint aux catholiques en 1563 grâce à l'édit de Pacification qui mit fin à la première guerre de religion. D'autres attaques ont lieu jusqu'en 1567 mais sans succès.
Le cardinal de Richelieu, par ordonnance du conseil du roi datée du 10 janvier 1630, ordonna la création d'un grand port sur la côte languedocienne en s'appuyant sur le cap d'Agde. En octobre 1632, il vint reconnaître les lieux et lança la construction de la jetée qui devait rejoindre l'îlot de Brescou. Sa mort en 1642 provoqua l'abandon du projet alors qu'un tiers de la jetée avait été réalisé. En 1651, les États du Languedoc cessèrent de financer le projet. Ce port de mer, initialement prévu à Sète, y sera finalement réalisé par Colbert en 1666.
En 1675, la canal du Midi est mis en service entre Béziers et l'étang de Thau. L'écluse ronde d'Agde est construite l'année suivante notamment pour protéger le canal contre les crues du fleuve. L'inauguration officielle du canal a lieu le 15 mai 1682.
Le 27 juillet 1710, la flotte britannique débarque à Sète et après s'être emparée de la ville, et la ville d'Agde, mal défendue, signe un traité avec les Britanniques. Ceux-ci se retirent le 28 juillet devant l'arrivée de troupes françaises venues du Roussillon.
Époque contemporaine
En 1837 est mis en service, en remplacement d'un service de bacs, le pont suspendu qui nécessite le percement du bâtiment de l'évêché. Ce pont sera remplacé par un pont métallique en 1926.
Le 12 juillet 1858, la ligne de chemin de fer Bordeaux-Sète, raccordée à Sète au réseau du PLM, est mise en service par la Compagnie du Midi. La gare d'Agde ouvre de nouveaux marchés aux produits locaux, en premier lieu le vin, et de nouvelles surfaces sont plantées en vignes. En 1897, une ligne d'intérêt local des chemins de fer de l'Hérault est ouverte entre Agde et Mèze, via Marseillan, Florensac, Pomérols et Pinet. Son exploitation s'est poursuivie jusqu'en 1952.
L'arrivée du chemin de fer coïncide avec le début du déclin du port de commerce d'Agde. Port d'embouchure à faible tirant d'eau (limité à 3,5 mètres), le port d'Agde est concurrencé par celui de Sète, mieux équipé pour recevoir les navires à vapeur, et se limite progressivement au cabotage Marseille-Agde. Les deux derniers bateaux à voile et à moteur sont restés en service sur cette ligne jusqu'en 1939.
Dans la deuxième moitié du XIXe siècle, la viticulture, alors principale activité économique de la commune, est frappée par plusieurs fléaux successifs venus des États-Unis. L'oïdium, arrivé en 1851 par la région parisienne est rapidement maîtrisé grâce au soufre, puis en 1872 c'est l'invasion du phylloxéra (petit insecte parasite des racines, apparu pour la première fois en 1863 à Pujaut - Gard). Le phylloxéra provoque la destruction d'une grande partie du vignoble, mais on découvre rapidement que les vignes plantées dans le sable ou submergées résistent à l'insecte. Le vignoble s'étend alors dans les basses zones sablonneuses, mais c'est le recours aux plants américains qui permet la reconstitution du vignoble à partir des années 1890. Il s'ensuit, à cause aussi du développement du sucrage des moûts, une nouvelle crise, de surproduction, entraînant un effondrement des cours du vin. À la même époque, apparaissent le mildiou et le black-rot (reconnu pour la première fois à Ganges - Hérault) en 1885), heureusement traités par le sulfate de cuivre.
En 1907, lors de la révolte des vignerons, des soldats du 17e régiment d'infanterie de ligne cantonnés à Agde se mutinent le 20 juin au soir et se rendent à Béziers où ils fraternisent avec les vignerons. Le 24 juin, les mutins, qui se sont rendus après une harangue du général Bailloud, sont envoyés dans un régiment disciplinaire à Gafsa (Tunisie).
La même année, à l'époque des vendanges, une crue soudaine de l'Hérault cause d'important dégâts dans le vignoble et dans la ville. Cette crue, qui ne fit pas de victimes, est considérée comme la crue de référence pour Agde.
En 1925, la ville fait ériger un monument aux morts en hommage aux 300 soldats tués pendant la Première Guerre mondiale. Ce monument, œuvre du sculpteur agathois Antoine Cassagne, se trouve dans le cimetière.
Seconde Guerre mondiale
En 1939, à la fin de la guerre d'Espagne, un camp d'internement est construit à Agde pour recevoir des républicains à partir du mois de février. Ce camp, constitué de baraques légères, est prévu pour 20 000 personnes, mais en reçoit plus de 24 000 dans des conditions précaires, en particulier sur le plan sanitaire. À partir du mois de septembre, après le départ des Espagnols, il reçoit des volontaires tchèques qui participent aux combats contre l'armée allemande en juin 1940 avant d'être démobilisés. Il devient ensuite un centre de recrutement de l'armée belge, mais après la capitulation de leur pays, les jeunes recrues présentes seront internées jusqu'à la fin août. Fin 1940, le régime de Vichy le transforme en Centre de rassemblement des étrangers. Environ 6 000 étrangers, de trente nationalités, y sont internés, dont un millier de juifs étrangers rafflés dans l'Hérault en juillet 1942. Le camp fut démantelé à l'automne 1943 et détruit en août 1944.
Le 13 novembre 1942, la ville est occupée par l'armée allemande à la suite de l'invasion de la zone libre. Pour prévenir un hypothétique débarquement, les Allemands fortifièrent la côte, notamment en y construisant des blockhaus, dont certains sont encore visibles sur la plage de la Tamarissière, et bloquèrent l'embouchure de l'Hérault en y coulant une drague en 1943. Le 21 août 1944 un Comité de libération de la ville d'Agde se met en place au lendemain du départ précipité des troupes allemandes.
Après guerre
En 1956, les frères Paul et René Oltra créent le camping naturiste (centre héliomarin).
Le 12 septembre 1964 des plongeurs amateurs du GRASPA (groupe de recherches archéologiques subaquatiques et de plongée d’Agde), Jacky Fanjaud et Denis Fonquerle, découvrent dans l'Hérault, non loin de la cathédrale, une statue de bronze antique. Cette statue, à laquelle il manquait un bras, retrouvé quelques mois plus tard, est connue sous le nom d'« éphèbe d'Agde ». Conservée au musée du Cap d'Agde depuis 1987, après avoir été exposée au musée du Louvre, elle est devenue l'emblème de la commune.
Dans les années 1960 commence l'aménagement touristique du littoral languedocien sous la direction d'une mission interministérielle dirigée par Jean Racine, conseiller d'État. Celle-ci établit le plan général d'aménagement et le plan d'urbanisme des huit nouvelles stations balnéaires programmées. Dans le cas du Cap d'Agde, l'aménagement est confié à la Société d’équipement du Biterrois et de son littoral (SEBLI) et Jean Le Couteur est désigné comme architecte en chef. La construction de la station du Cap d'Agde donne un élan décisif au développement de la commune, entraînant un quasi-doublement de la population entre 1968 et 1999.
En 1976 est lancé, sous forme d'une ZAC, l'aménagement de la troisième tranche du Cap-d'Agde. Celle-ci concerne le secteur Richelieu-Rochelongue sur 200 hectares et prévoit de créer 20 000 lits.
Le 11 mai 1987, c'est l'inauguration de la nouvelle mairie installée dans l'ancienne caserne Mirabel, qui permet de faire face au développement des services administratifs de la commune consécutif à l'expansion démographique.
Élu en 1989, le maire socialiste, Régis Passérieux, confie à l'architecte Jean-Michel Wilmotte l'aménagement du quartier de Rochelongue, dernière phase de la construction du Cap-d'Agde. Le mail de Rochelongue, inspiré des ramblas de Barcelone, est construit en 1991, mais n'aura finalement que le tiers de la longueur initialement projetée.
En 1993, Agde reçoit les XIIe Jeux méditerranéens. La cérémonie d'ouverture, présidée par François Mitterrand, se déroule au Cap d'Agde le 16 juin, dans un bassin devant l'Aqualand. Le village des athlètes est également installé dans la station. Certaines épreuves (tennis, golf) se déroulent à Agde.
Au cours de l'été 1995, des incidents sont provoqués au Cap d'Agde par des jeunes issus de quartiers difficiles qui y avaient été envoyés dans le cadre de l'opération « Ville Vie Vacances », organisée par le ministère de la Ville. Par la suite, des pratiques discriminatoires auraient été mises en place par des agents immobiliers avec la complicité de l'office de tourisme, entrainant en 2003 une plainte de SOS-Racisme contre celui-ci. Condamné en première instance en 2006, l'office de tourisme d'Agde a été définitivement relaxé en cassation en janvier 2008,
Du 16 au 19 décembre 1997, la commune subit une forte inondation provoquée par une nouvelle crue de l'Hérault. Un nouvel épisode d'inondation se produit en décembre 2003, l'Hérault atteint un débit de 1 500 m3⋅s-1. 
70150 
147 Agency, Wapello County, Iowa, USA  -92.307532  40.995432  Agency is a city in Wapello County, Iowa, USA. The population was 622 at the 2000 census. It is the historic site of an Indian trading post and the grave of Chief Wapello.
Geography
Location of Agency, Iowa
Agency is located at 40°59′44″N, 92°18′27″W (40.995432, -92.307532)GR1.
According to the United States Census Bureau, the city has a total area of 1.5 km² (0.6 mi²), all land.
Demographics
As of the censusGR2 of 2000, there were 622 people, 272 households, and 178 families residing in the city. The population density was 414.1/km² (1,074.6/mi²). There were 286 housing units at an average density of 190.4/km² (494.1/mi²). The racial makeup of the city was 99.20% White, 0.16% African American, 0.48% Asian, 0.16% from other races. Hispanic or Latino of any race were 0.80% of the population.
There were 272 households out of which 23.9% had children under the age of 18 living with them, 58.5% were married couples living together, 5.9% had a female householder with no husband present, and 34.2% were non-families. 31.6% of all households were made up of individuals and 17.6% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.29 and the average family size was 2.89.
In the city the population was spread out with 22.5% under the age of 18, 5.1% from 18 to 24, 26.0% from 25 to 44, 24.3% from 45 to 64, and 22.0% who were 65 years of age or older. The median age was 43 years. For every 100 females there were 92.0 males. For every 100 females age 18 and over, there were 84.7 males.
The median income for a household in the city was $36,912, and the median income for a family was $44,306. Males had a median income of $29,107 versus $26,750 for females. The per capita income for the city was $16,896. About 2.2% of families and 5.3% of the population were below the poverty line, including 8.7% of those under age 18 and 5.9% of those age 65 or over. 
36819 
148 Agimont, Namur, België  4.793901443481445  50.164572787815935  Agimont (en wallon Nådjumont) est une section de la commune belge d'Hastière située en Région wallonne dans la province de Namur.
C'était une commune à part entière avant la fusion des communes de 1977.
Agimont is een dorp in de Belgische provincie Namen en een deelgemeente van Hastière. Het dorp heeft een oppervlakte van 10,27 km².
Agimont is gelegen in de Fagne tegen de Franse grens, zo'n 20 kilometer ten zuidwesten van Dinant. In het oosten grenst het dorp aan de Maas en ligt spoorlijn 154 tussen Namen en Givet. Aan het voormalige station Heer-Agimont op de grens tussen Agimont en Heer ontstond het gehucht Heer-Agimont en ligt er een brug over de Maas die beide dorpen verbindt. Aan de andere kant van de Franse grens ligt de stad Givet.
Agimont is een landbouwdorp (vooral veeteelt) en bijna de helft van de oppervlakte bestaat uit bos. In de bebouwde kom is er enige handelsactiviteit in functie van het toerisme in de streek. Er wonen ook grensarbeiders die werken in de industriezone van Givet.
Geschiedenis
De naam Agimont is een samentrekking van Au Givet Mont wat letterlijk hoogte die uitkijkt op Givet betekent. Er was reeds vroeg een versterkte burcht om de streek te beschermen. Reeds vroeg ontstond het graafschap Agimont dat onder de vleugels stond van het prinsbisdom Luik en het was bezit van verscheidene opeenvolgende families. Het kasteel van Agimont werd vernield tijdens de gevechten met het Franse leger onder bevel van Hendrik II. Keizer Karel kocht daarna het graafschap in 1555 om er een bolwerk tegen Frankrijk van te maken. Hij richtte daarom op de hoogte van Givet de vesting Charlemont op en Agimont ging deel uitmaken van de heerlijkheid Charlemont. In 1678 werd Charlemont aan Frankrijk afgestaan maar in 1773 werd het gebied terug aan de Oostenrijkse Nederlanden gegeven en kwam Agimont in handen van de industriële familie Puissant die de titel d'Agimont zal voeren. Bij de oprichting van de gemeenten in 1795 werd Agimont een zelfstandige gemeente en zou ze snel groeien door de landbouw en de ontginning van marmergroeven. In 1977 werd Agimont een deelgemeente van Hastière. Hierbij verhuisde Agimont van het arrondissement Philippeville naar het arrondissement Dinant.
Kerkelijk was Agimont reeds sinds lang een parochie. In 1842 werd Vodelée een zelfstandige parochie en in 1858 verhuisde het gehucht Petit-Doische, dat tot de gemeente Doische behoort, van de parochie Doische naar de parochie Agimont. In 1949 werd in het gehucht Heer-Agimont een kapel opgericht. 
67521 
149 Agra, Schweiz  8.914313119048984  45.968007432845624  Agra (in einheimischer Mundart: aːgra) ist ein Dorf am Monte Croce auf der Collina d’Oro im Süden des Schweizer Kantons Tessin. Bis zur Vereinigung mit Gentilino und Montagnola im April 2004 war Agra eine eigene politische Gemeinde, die auch den Weiler Bigogno umfasste.
Agra ist seit dem späten 13. Jahrhundert urkundlich belegt. Der Ortsname entspricht wahrscheinlich dem in der Tessiner Mundart verbreiteten Worte agra/agru ‚(Berg-)Ahorn‘.
In Agra wurde 1912 ein Sanatorium für Tuberkulosepatienten erbaut, das durch den Aufenthalt vieler deutschsprachiger Berühmtheiten als Deutsches Haus bekannt wurde; es wurde 1969 geschlossen und Ende 2009 vollständig abgebrochen. 
131565 
150 Ágreda, Castilla y León, España  -1.920437  41.855076  Ágreda is een gemeente in de Spaanse provincie Soria in de regio Kastilië-Leon met een oppervlakte van 165 km2. In 2001 telde Ágreda 3351 inwoners.
Ágreda es un municipio y villa española de la provincia de Soria (comunidad autónoma de Castilla y León, España).
La villa ejerce de centro comarcal de servicios del Noreste de la provincia de Soria, también conocido como comarca de Tierra de Ágreda.
Monumentos
* Muralla árabe.
* Barrio árabe.
* Puerta del Barrio.
* Puerta del Alcázar.
* Iglesia de San Miguel.
* Iglesia de la Virgen de la Peña.
* Iglesia de Ntra. Sra. de los Milagros.
* Palacio de los Castejones.
* Jardín Renacentista de Don Diego de Castejón.
* Museo de Arte Sacro de Ntra. Sra. de la Peña. 
37338 
151 Agterhorn, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  6.753288132263151  52.617981010116544  Gemeindegliederung
Die Gemeinde Laar besteht aus sechs Ortsteilen: Agterhorn, Echteler, Eschebrügge, Heesterkante, Laar und Vorwald. 
131610 
152 Ahaus, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  52.066667  Die Stadt Ahaus liegt im westlichen Münsterland im Nordwesten des Bundeslands Nordrhein-Westfalen und ist eine Mittlere kreisangehörige Stadt des Kreises Borken im Regierungsbezirk Münster.
Geschichte
Die erste schriftliche Erwähnung des Adelssitzes "Haus an der Aa" datiert um 1030. Zu Beginn des 14. Jahrhunderts erhielt Ahaus die Stadtrechte. Die so genannte Herrschaft Ahaus fiel 1406 an die Fürstbischöfe von Münster.
Auf den 4. Oktober 1650 datiert der Besuch des neuen Fürstbischofs von Münster Christoph Bernhard von Galen. Auf dessen Veranlassung wurde auch 1653 die erste deutsche Fayence-Manufaktur in Ahaus gegründet. Diese wurde bereits 1657 wieder geschlossen. Es kam 1688 zum Abriss der alten Burg auf Veranlassung des Fürstbischofs Friedrich Christian von Plettenberg. Der Neubau des barocken Wasserschlosses nach den Plänen des Ambrosius von Oelde wurde 1690 fertiggestellt. Die Gesamtanlage mit Gartenareal war 1718 fertig. 1763 bis 1767 datiert die Modernisierung des Schlosses unter der Leitung von Johann Conrad Schlaun. Errichtet wurden der gartenseitige Mittelrisalit und die Gartentreppe. Das barocke Wasserschloss zählt noch heute zu den zentralen Sehenswürdigkeiten der Stadt.
Nach dem Sieg über Napoleon fiel die Herrschaft Ahaus 1803 durch den Reichsdeputationshauptschluss an die Fürsten Salm-Salm und Salm-Kyrburg. Die Stadt kam 1813 unter preußische Herrschaft. Die Ahauser sind dafür bekannt, dass sie sehr eigenständig waren. So versuchten sie, lange von anderen Fürstentümern unabhängig zu bleiben. 1829 wurde Schloss Ahaus an Hermann Oldenkott aus Amsterdam verkauft. Nun wurde in der gesamten Anlage eine Tabakfabrik eingerichtet.
Der Stadtbrand vom 13. Oktober 1863 zerstörte die Stadt fast völlig.
Im Jahre 1881 erfolgte die Gründung einer Zündwarenfabrik. Zwei Jahre später wurde die Westfälische Jutespinnerei und Weberei gegründet. Im Jahre 1886 errichtete die Jutefabrik ihre Arbeitersiedlung, die Kolonie und das heutige Stadtgebiet Oldenburg. Es entstand in einem Teil der damaligen Bauerschaft Ammeln. Der Name Oldenburg führt auf die alte Flurbezeichnung "die Ollenburg" zurück.
Im Zweiten Weltkrieg wurde das Wasserschloss durch einen Bombenangriff zerstört. 1949 wurde es durch Kreis und Stadt Ahaus wiederaufgebaut. Das Dorf Wüllen wurde 1969 zu Ahaus eingemeindet. Im Zuge der Kommunalen Neugliederung wurde Ahaus im Jahre 1969 zunächst mit dem Amt Wüllen (bestehend aus den Gemeinden Wüllen und Ammeln) zusammengeschlossen. Zum 1. Januar 1975 wurde dann, ausgelöst durch das Münster-Hamm-Gesetz, das Amt Wessum mit den Gemeinden Alstätte, Ottenstein und Wessum (einschl. Graes) eingemeindet. Die Stadt verlor dabei den Kreissitz an Borken.
Am 17. September 1879 wurde an der Wüllener Straße erstmals eine evangelische Kirche in Ahaus eingeweiht. Im März 1945 wurde der oben genannte Kirchenbau durch Kriegseinwirkungen stark beschädigt, nach dem Wiederaufbau dann 1954 weitestgehend umgestaltet. U.a. wurde der Glockenturm erneuert und in den Westgiebel des Kirchenschiffes ein neues Rundfenster eingebaut.
Überregionale Bekanntheit erlangte der Ort durch den Widerstand gegen den Bau und Betrieb eines umstrittenen Brennelementezwischenlagers (auch Transportbehälterlager Ahaus genannt) und die damit verbundenen Castortransporte. 
34092 
153 Ahlbershausen, Niedersachsen, Deutschland  9.65  51.616667  Ahlbershausen ist ein südlicher Stadtteil von Uslar im Landkreis Northeim, Niedersachsen (Deutschland).
Im Dorf leben 173 Einwohnern (Stand 31. Dez. 2005).
Lage
Ahlbershausen liegt in Südniedersachsen rund 5 km südlich der Kernstadt von Uslar und 8 km (jeweils Luftlinie) südöstlich des Fleckens Bodenfelde. Die Kreisstadt Northeim liegt 25 km (Luftlinie) nordöstlich, die Großstadt Göttingen rund 20 km ost-südöstlich.
Ahlbershausen befindet sich an den äußersten Südausläufern des Sollings bzw. den äußersten Nordausläufern des Bramwalds südwestlich oberhalb des Tals der Schwülme, die einen östlichen Nebenfluss der Weser darstellt. Auf etwa 160 m ü. NN in einer kleinen Tal gelegen ist das Dorf von Wiesen und Feldern umgeben. Die überwiegend bewaldeten Höhenzüge, die sich rund um Ahlbershausen erstrecken, erreichen mit dem westlich im Höhenzug Kiffing gelegenen Heuberg bis 344,1 m und mit dem östlich im Südostteil des Sollings befindlichen Berg Bramburg (nicht zu verwechseln mit der Bramburg) bis 461 m Höhe.
Der Ort hat die Postleitzahl 37170, das KFZ-Kennzeichen NOM und die Vorwahl 05571.
Geschichte
Ahlbershausen wurde erstmals im Jahr 1071 urkundlich erwähnt. Seit der Gebietsreform vom 1. März 1974 gehört die ehemals selbstständige Gemeinde zur neu gegründeten Großgemeinde „Stadt Uslar“. 
37138 
154 Ahlde, Emsbüren, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  7.304692  52.354883  Emsbüren ist eine Gemeinde im Landkreis Emsland in Niedersachsen. Der Name der Gemeinde wird auf der zweiten Silbe betont
Ortsteile
Ahlde - flächenmäßig größter Ortsteil. 
36977 
155 Ahlen, Kluse, Niedersachsen, Deutschland  7.317538261413574  52.939030640749756  Kluse ist eine Gemeinde in der Samtgemeinde Dörpen im Landkreis Emsland im westlichen Niedersachsen.
Geografische Lage
Die Gemeinde Kluse liegt nahe der Ems und nur 10 km östlich der niederländischen Grenze, etwa auf der Hälfte der Strecke zwischen der Kreisstadt Meppen im Süden und der Stadt Leer im Norden. Die Gemeinde ist selbst heute noch zu einem nicht unbedeutenden Grad landwirtschaftlich geprägt.
Nachbargemeinden
Nachbargemeinden sind im Norden die Gemeinde Dörpen, im Osten die Gemeinde Wippingen, im Süden die Gemeinden Renkenberge, Fresenburg und Sustrum in der Samtgemeinde Lathen, im Westen die Gemeinden Walchum und Dersum.
Geschichte
Kluse entstand bei der Gemeindereform, die am 1. Januar 1973 in Kraft tratt, aus den Gemeinden Ahlen und Steinbild. Die Burg zu Ahlen (ab 1387 n. Chr.) Die Burg zu Ahlen war der Stammsitz eines gleichnamigen Geschlechts. Otto von Ahlden (= Ahlen), seines Zeichens Ritter zu Düthe, ist als erster aus dem Geschlecht per 5. Februar 1387 urkundlich bezeugt. Das noch vorhandene Urkundenma­terial ergibt folgendes: 1387, (Februar 5.)
Sehenswürdigkeiten
Nahe der Ortschaft verläuft die Transrapid-Teststrecke. 
35354 
156 Ahlen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.89093017578125  51.76428626931282  Die Stadt Ahlen liegt im westfälischen Münsterland im Norden des Bundeslandes Nordrhein-Westfalen in Deutschland. Sie ist eine mittlere kreisangehörige Stadt und die größte und wirtschaftlich bedeutendste Stadt des Kreises Warendorf im Regierungsbezirk Münster.
Sie ist nicht zu verwechseln mit der Stadt Aalen in Baden-Württemberg.
Geschichte
Frühzeit
Der Name der Stadt wird erstmals um 850 in der Vita Liudgeri II erwähnt. Seine Bedeutung und die auf den Namen Bezug nehmende Darstellung des Stadtwappens mit einem „geflügelten Aal“ sind nicht geklärt. Als Ursprung der Stadtsiedlung wird ein Siedlungsansatz an einem Übergang über die Werse angenommen, der zum Schnittpunkt zweier wichtiger Straßen wurde und gleichzeitig Ausgangspunkt für eine dritte Straße war (Hamm–Ahlen–Warendorf, Beckum–Ahlen–Herbern, Ahlen–Münster). Die in den ersten Jahrhunderten langsam wachsende Siedlung bildete sich um einen bischöflichen Amtshof. Im Schutze dieser Kirchenburg ließen sich zunächst Handwerker und Händler nieder, um mit den Bauern und Bewohnern des Amtshofes Handel zu treiben. In der zweiten Hälfte des 12. Jahrhunderts begann der Fernhandel in der Stadt, so tauchten die Namen Ahlener Kaufleute beispielsweise im 13. Jahrhundert in den Rechnungen Lübecker Kaufleute auf. In diese Zeit fällt auch die Errichtung einer Stadtmauer (1271) mit fünf Tortürmen. Ahlen war Mitglied der norddeutschen Hanse. Die Beseitigung der Stadtbefestigungen begann 1765 und seit 1929 sind die letzten Reste davon verschwunden.
Die Stadt scheint sich im 13. Jahrhundert rasch entwickelt zu haben. Um 1285 war die Bevölkerung soweit angewachsen, dass man neben der „Alten Pfarre“ (St. Bartholomäus) eine „Neue Pfarre“ (St. Marien) gründete. Hierdurch entstanden ein Alt- und ein Neukirchspiel. Diese Entwicklung lässt den Schluss zu, dass Ahlen zu dieser Zeit zu den 18 größten Städten in Westfalen zählte. Das Wachstum der Stadt beruhte bei hoher Sterblichkeit, niedrigerer Geburtenquote als auf dem Lande und einem zeitweilig hohen Frauenüberschuss vor allem auf der ländlichen Zuwanderung. In der Neustadt bildete sich durch diese Zuwanderung eine Ackerbürgerschicht. Das Aufblühen der Stadt wurde im 14. Jahrhundert durch die in ganz Europa wütende Pest gestoppt. Im Bürgerbuch des Jahres 1389 waren nur noch 63 Familien verzeichnet. Erst 1454 enthielt eine Bürgerliste wieder 212 Familien, woraus sich eine Einwohnerzahl von etwa 1300 errechnet. Zu diesem Zeitpunkt existierten in der Stadt vier Stadtviertel, die nach den jeweils benachbarten Stadttoren benannt waren und etwa gleiche Größen hatten. Die einzelnen Stadtviertel waren für die Verteidigung der Tore und Teile der Stadtmauern verantwortlich und bildeten darüber hinaus Hudegenossenschaften für die Hudenutzung der gemeinen Mark. Um 1454 lebten in Ahlen sieben Adelsfamilien sowie deren Bedienstete auf bischöflichen Burgmannshöfen.
Zu Beginn der Neuzeit entbrannte ein jahrzehntelang andauernder Erbstreit um die in und um Ahlen gelegenen, sagenumwobenen Mechelnschen Güter. Die Familie von Mecheln wird erstmals 1246 mit Konrad von Mecheln erwähnt. Gegen Ende des 15. Jahrhunderts starb Konrad von Mecheln, der letzte derer von Mecheln aus dieser Linie, und hinterließ die Güter seiner Mutter, Gysela von der Sünger, verwitwete von Mecheln, geb. von Gimpte. Die Witwe verkaufte die Güter, deren Besitzungen und Gerechtigkeiten von Ahlen, über Vorhelm bis nach Hoetmar und Oelde reichten, im Jahre 1491 an Lambert von Oer zu Kakesbeck. Es kam zu einem Erbstreit zwischen den Familien von Oer und von Ascheberg, der erst nach einer blutigen Fehde am 1. Mai 1528 durch einen Vergleich zwischen Berndt von Oer und Gottfried von Harmen zu Horne beendet wurde. Lambert von Oer übertrug die Mechelnschen Güter im Jahre 1519 seinem Sohn Hermann von Oer zu Bruch. Von diesem Geschlecht zeugt noch heute der Oershof, in dem sich das Heimatmuseum der Stadt befindet.
Im gleichen Zeitraum wurde die Stadt durch drei Pestepidemien (1505, 1551, und 1592) dezimiert. Auch die Lepra raffte viele Menschen dahin. Im Jahre 1571 sahen sich Bürgermeister und Rat veranlasst, ein besonderes Leprosen-Hospital zu bauen. Verheerende Stadtbrände (1483, 1668 und 1744) verhinderten ein weiteres Aufblühen der Stadt.
Von 1574 bis 1652 sind für die Stadt Ahlen Dokumente von ca. 20 Hexenprozessen erhalten geblieben. Die Hexenverfolgungen begannen 1574 mit dem Tod von vier Frauen. 1615 wurde Peter Kleikamp als Werwolf angeklagt, gefoltert und lebendig auf dem Scheiterhaufen verbrannt. 1616 wurde Christian zum Loe, wegen Hexerei angeklagt, im Gefängnis wahnsinnig und starb. Der letzte bekannte Prozess fand 1652 gegen Anna Sadelers statt. Sie wurde gefoltert, enthauptet und auf dem Scheiterhaufen verbrannt.
Bei der ersten Erfassung des Bevölkerungsstandes durch die preußische Verwaltung im Jahre 1803 wurden 1.854 Personen registriert. Zu diesem Zeitpunkt waren die Stadtbefestigungen auf Grund der veränderten Kriegsmethoden bereits wirkungslos und teilweise beseitigt. Im Jahre 1803 fiel die Stadt erstmals mit dem Fürstbistum Münster an Preußen. Mit dem endgültigen Übergang an Preußen im Jahre 1816 setzte für die Stadt eine neue Entwicklung ein, die zu einem raschen Bevölkerungswachstum führte. Aus der Ackerbürgerstadt, in der im Jahre 1871 nur 3.535 Menschen wohnten, war bis zum Jahr 1964 eine mittelgroße Industriestadt mit 44.203 Einwohnern geworden. Hierzu trugen mehrere technisch-wirtschaftliche Entwicklungen bei, die für die Stadt von besonderer Bedeutung waren: In den Jahren 1846/1847 wurde die Cöln-Mindener Eisenbahn durch Ahlen gebaut. Hierdurch erhielt die Stadt gegenüber anderen Städten ihrer Umgebung einen erheblichen Standort- und Mobilitätsvorteil. Auch der Bau der Eisenbahn selbst trug vorübergehend durch eine Vielzahl zugewanderter Eisenbahnarbeiter, vor allem aus dem südlichen Westfalen und der Eifel, zu einer Belebung der Stadt bei. Es sind jedoch auch soziale Konflikte belegt, die durch die fremden Arbeiter ausgelöst wurden. Nach dem Abschluss des Eisenbahnbaus blieb nur eine geringe Zahl der zugewanderten Arbeiter in der Stadt, unter ihnen auffallend viele aus dem Ravensberger Land.
Erste Industrialisierung
Die erste Industrialisierungsphase setzte mit dem Strontianitbergbau um 1880 und der Begründung der metallverarbeitenden Industrie (Blechschmiede und Verzinnerei der Gebrüder Kerkmann, 1863) ein. Vor allem der Strontianitbergbau, der jedoch lediglich etwa zehn Jahre blühte, bescherte den Ahlenern eine äußerst bewegte Zeit, die „Strunz“-Zeit. Die zahlreichen Arbeiter (ca. 650), die der Bergbau nach Ahlen gelockt hatte, kehrten überwiegend in ihre Heimat – auch hier wieder viele in die Eifel – zurück oder fanden in der aufblühenden metallverarbeitenden Industrie Arbeit. Durch die Anwerbung tüchtiger Fachkräfte aus dem Rheinland, aus Sachsen, dem Vogtland, Thüringen, dem Harz, Böhmen, Schlesien, der Oberpfalz, Franken und Oberbayern gelang es der metallverarbeitenden Industrie, sich auf die Herstellung emaillierter Geschirre zu spezialisieren und so eine Stanz- und Emailleindustrie aufzubauen, die schließlich den Ruf der Stadt bestimmte. Im Jahr 1892 waren es bereits fünf Werke und 1968 bereits 20 Werke. Die Arbeit in diesen „Pöttkesfabriken“ wurde überwiegend von Arbeitern aus der zugewanderten Landbevölkerung verrichtet. Neben der Emailleindustrie etablierten sich aber auch Maschinen- und Werkzeugfabriken, Schuhfabriken und holzverarbeitende Werke. Auf Grund der aus verschiedenen Wanderungswellen entstandenen Beziehungen zur Eifel entwickelte sich ein reger Handel mit Emaillegeschirren aus den Ahlener Werken, der von ehemaligen Wanderarbeitern aus der Eifel getragen wurde. 1904 erhielt die „Neue Pfarre“ einen neuen Kirchenbau im neugotischen Stil. Die Marienkirche ist noch heute die größte Kirche in Ahlen und mit ihrem fast 75 m hohen Westturm ein Wahrzeichen der Stadt. Historisch bedeutsam sind das romanische Südportal sowie der Taufbrunnen und das Pestkreuz aus dem Kloster Maria Rose.
Zweite Industrialisierung
Die zweite Industrialisierungsphase begann mit der Erschließung der Kohlevorkommen am östlichen Rand des Ruhrgebiets durch die „Bergwerksgesellschaft Westfalen“ und war für die Entwicklung der Stadt von prägender Bedeutung. Der Grunderwerb für die erforderlichen Flächen wurde im Jahr 1907 getätigt.
Nachdem im Jahr 1909 die Zechenbahn fertiggestellt war, begannen die eigentlichen Abteufarbeiten für eine Doppelschachtanlage, die 1913 fertiggestellt war. Gleichzeitig wurden Werkssiedlungen (auch „Kolonie“ oder „Zechensiedlung“ genannt) für die zugewanderten Arbeiter gebaut. Allein in den Jahren 1912 und 1913 verzeichnete die Stadt einen Wanderungsgewinn von knapp 5.000 Personen. Die Belegschaft der Zeche Westfalen bestand aus ca. 1.200 Beschäftigten. Ihre Herkunft war sehr breit gestreut: zu 36 % stammten sie aus Westdeutschland mit dem Schwerpunkt Westfalen, zu 31 % aus Ostdeutschland und zu 19 % aus dem Ausland. Nur ein geringer Teil stammte aus Nord-, Mittel- und Süddeutschland. Unter den Ausländern fanden sich vor allem Polen, Tschechen, Slowenen, Kroaten, Ungarn, Italiener und Holländer. Während des ersten Weltkriegs wurden darüber hinaus auch 410 Kriegsgefangene im Bergbau eingesetzt. In den folgenden Jahrzehnten wurde die Zeche zu einem wirtschaftlichen Magneten für die Stadt; verschiedene Erweiterungen ihres Betriebes hatten weitere Zuwanderungen zur Folge. In den Jahren 1936 und 1937 wurde ein dritter Schacht in Dolberg errichtet. Der Wanderungsgewinn führte bis zum Jahr 1939 zur Ansiedlung von insgesamt 8.298 Personen aus allen Teilen Deutschlands und 21 anderen Ländern. Unter ihnen entwickelte insbesondere die starke Gruppe der Polen ein kulturelles Eigenleben.
Die raschen und tief greifenden Veränderungen der Bevölkerungsstruktur beeinflussten das politische Leben der Stadt. In dem bis zum Beginn der „Steinkohlenära“ als „schwarz“ bezeichneten Ahlen, wo 1870 eine wichtige Gründungsversammlung der Deutschen Zentrumspartei stattgefunden hatte, erhielten bei der Kommunalwahl 1919 die Sozialdemokraten ein Drittel aller Wählerstimmen. Als Folge der Zersplitterung der bürgerlichen Parteien und nach der Entstehung der kommunistischen Partei verlor die Zentrumspartei – aber auch die Sozialdemokraten – rasch an Einfluss. 1921 übernahm der als Bergarbeiter auf der Ahlener Zeche tätige und in der politischen Arbeit erprobte Max Reimann die Leitung der örtlichen KPD. Aufgrund der schlechten sozialen Lage der Bergleute kam es in dieser Zeit zu häufigen Streiks und Demonstration. Das blieb auch für die politischen Kräfteverhältnisse in der Stadt nicht ohne Folgen: Im Jahr 1929 rückten die Kommunisten in der Stadtverordnetenversammlung mit 24,4 % der Stimmen auf den ersten Platz vor. Aus dieser Zeit ist der Ausspruch überliefert: „Wenn es in Ahlen und Hamborn ruhig ist, ist es in ganz Deutschland ruhig“.
Nationalsozialismus und Zweiter Weltkrieg
Für die Zeit der nationalsozialistischen Herrschaft soll die Inschrift auf der Gedenkstele am Platz der ehemaligen jüdischen Schule ein markantes Zeugnis ablegen. Sie lautet:
„Der nationalsozialistische Rassenwahn führte zu jener Nacht vom 9. zum 10. November 1938, die von den Nationalsozialisten „Reichskristallnacht“ genannt wurde.“
In dieser Nacht wurde die Synagoge in Ahlen von Nazihorden geschändet und in Brand gesteckt. Menschen wurden geschlagen, ihre Wohnungen zerstört, ihre Geschäfte zertrümmert, Siegmund Spiegel kam als einziger Ahlener Jude in dieser Nacht in Ahlen zu Tode.
Nach der Pogromnacht im November 1938 meldeten viele Bürgermeister in Deutschland ihre Stadt als „judenfrei“; aber erst ein Jahr später, am 14. November 1939, teilte in der „Sitzung der Ratsherren der Stadt Ahlen“ der Verhandlungsführer – den Vorsitz hatte Erster Beigeordneter Heinert – unter „Punkt 3: Judenfrage“ mit, „dass die Juden nunmehr Ahlen verlassen hätten, bis auf die beiden Jüdinnen Frau U... und Frau N...“.
In seiner Veröffentlichung „Der Weg nach Auschwitz begann auch in Ahlen“ – Vergessene Spuren der jüdischen Gemeinde einer westfälischen Stadt stellt der Autor H.-W. Gummersbach fest: „Noch im September 1944 wird die letzte Jüdin in Ahlen verhaftet“ und ergänzt: „Dieser Brief erzählt den Leidensweg einer Ahlener Jüdin, die mit einem Ahlener Arzt verheiratet war. Sie hatte Ahlen nicht nach der Anweisung der Stadtführung im November 1939 verlassen, sondern war bei ihrer Familie geblieben. Grete U. wurde schließlich im September 1944 verhaftet und konnte sich nur durch eine abenteuerliche Flucht vor der Deportation retten.“
Einige Menschen entkamen den Verfolgungen, wenige überlebten den Holocaust, die meisten wurden Opfer des Völkermordes. Heute leben nur noch zwei Mitglieder der Ahlener jüdischen Gemeinde – allerdings nicht mehr in Ahlen. Einer von ihnen ist der Autor, Regisseur und Schauspieler Imo Moszkowicz. Seine Familie wurde nach Auschwitz deportiert. Dort kamen seine Mutter und seine Geschwister um. Er selbst wurde zur Zwangsarbeit für die I.G. Farben verurteilt und ins KZ Buna/Monowitz verschleppt.
Im Kriegsjahr 1943 wurde Ahlen in eine Lazarettstadt verwandelt und war bei Kriegsende mit 1.800 Verwundeten belegt. Das Lazarett befand sich im Gebäude des Klosters St. Michael, heute das bischöfliche Gymnasium der Stadt. Mit Zunahme des Luftkrieges suchten viele Ausgebombte Schutz in unzerstörten Kleinstädten und Landgemeinden. Ahlen wurde im Rahmen dieser Hilfe Patenstadt für Gelsenkirchen und Aachen. Am 9. September 1944 zogen insgesamt 1.461 Evakuierte in Großtransporten in die Stadt ein. Doch Ahlen hatte selbst Verluste durch den Krieg zu beklagen: Durch 45 Luftangriffe seit 1940 kamen in der Stadt nahezu 300 Menschen um. Ungefähr 5 % der Stadtfläche waren zerstört.
Schlimmeres konnte in den letzten Kriegswochen durch das mutige Handeln des Oberfeldarztes Dr. Paul Rosenbaum verhindert werden. Er übergab das zur offenen Stadt erklärte Ahlen am 31. März 1945 kampflos an amerikanische Truppen. Zum Dank für diesen Einsatz wurde ein zentraler Platz nach ihm benannt. Durch den Zweiten Weltkrieg sank die Stammbelegschaft der Zeche um 27 % ab, während die Gesamtbelegschaft jedoch um 36 % stieg. Der Grund hierfür war der Austausch deutscher Bergleute, die zum Militärdienst eingezogen wurden, gegen Kriegsgefangene und Zivilverschleppte (siehe Verschleppung), die in Ausländerlagern am Stadtrand untergebracht waren. Bei Kriegsende gab es in Ahlen 5.971 Fremdarbeiter in 26 Lagern. Bis zur Rückführung der Zwangsarbeiter und Gefangenen im Herbst 1945 kam es zu zahlreichen Racheakten an der Zivilbevölkerung.
Nach dem Zweiten Weltkrieg
Im Winter 1946/1947 tagte der Zonenausschuss der CDU für die britische Zone im Ahlener Kloster St. Michael (heute Bischöfliches Gymnasium) zur Beratung der programmatischen Ausrichtung der Partei. Damit in Verbindung standen wichtige personelle Weichenstellungen für die Bildung einer neuen politischen Elite in Deutschland (Konrad Adenauer – Jakob Kaiser). Es war wohl mehr Zufall als bewusste Anknüpfung an politische Traditionen in der Stadt (Zentrumspartei), dass es gerade die Stadt Ahlen war, mit deren Namen dieses Programm verknüpft ist. Dennoch ist das Tagungsgebäude selbst sicher nicht ohne Anspielung auf den Inhalt des Programms zu deuten.
In seiner Tagung vom 1. bis 3. Februar 1947 in Ahlen erließ der Zonenausschuss folgende programmatische Erklärung (Einleitung):
„Das kapitalistische Wirtschaftssystem ist den staatlichen und sozialen Lebensinteressen des deutschen Volkes nicht gerecht geworden. Nach dem furchtbaren politischen, wirtschaftlichen und sozialen Zusammenbruch als Folge einer verbrecherischen Machtpolitik kann nur eine Neuordnung von Grund aus erfolgen. Inhalt und Ziel dieser sozialen und wirtschaftlichen Neuordnung kann nicht mehr das kapitalistische Gewinn- und Machtstreben, sondern nur das Wohlergehen unseres Volkes sein. Durch eine gemeinwirtschaftliche Ordnung soll das deutsche Volk eine Wirtschafts- und Sozialverfassung erhalten, die dem Recht und der Würde des Menschen entspricht, dem geistigen und materiellen Aufbau unseres Volkes dient und den inneren und äußeren Frieden sichert.“
Am 3. Februar 1997 wurde die Bedeutung des Ahlener Programms für die heutige CDU mit dem Abstand von 50 Jahren in einer Feier am Entstehungsort durch den damaligen CDU-Generalsekretär Peter Hintze wie folgt gewürdigt (Auszug):
„Es fällt schwer, sich die ersten Februartage des Jahres 1947 zu vergegenwärtigen, als die Männer des CDU-Zonenausschusses der britischen Zone nach Ahlen reisten. Es war ein Katastrophenwinter, der Rhein war auf 40 Kilometer mit einer Eisdecke überzogen. die Lebensmittelversorgung war in eine extrem kritische Situation geraten. Die Menschen froren und hungerten. Im Ruhrgebiet sanken die täglichen Lebensmittelrationen auf 700 bis 800 Kalorien. St. Michael in Ahlen war nicht zuletzt deswegen als Tagungsort ausgewählt worden, weil hier die Tagungsräume – wenn auch unter Mühen – beheizt werden konnten und eine Verpflegung der Tagungsteilnehmer möglich war. Die Schwestern von St. Michael wendeten all ihre Organisationskunst auf, um der Tagung eine Grundlage zu geben. In der materiellen und moralischen Trümmerlandschaft, die die Nazidiktatur hinterlassen hatte, machten sich Frauen und Männer ans Werk, eine neue freiheitliche Ordnung zu begründen, die sie aus dem christlichen Verständnis vom Menschen heraus entwickelten. Im ersten Programm der CDU in der britischen Zone, dem Programm von Neheim-Hüsten vom 1. März 1946 ist dieser Gedanke in aller Klarheit formuliert: Die christliche Weltauffassung allein gewährleistet Recht, Ordnung und Menschenwürde und Freiheit der Person und damit eine wahre Demokratie, die sich nicht auf die Form des Staates beschränken darf, sondern das Leben des Einzelnen wie das des Volkes und der Völker tragen und durchdringen soll. Die Ideengeschichtliche Bedeutung des Ahlener Programms liegt in der Formulierung einer Wirtschaftsordnung, die jenseits von Kapitalismus und Sozialismus einen dritten Weg suchte. Die moralische Bedeutung des Ahlener Programms liegt in der bis auf den heutigen Tag gültigen Feststellung, dass die Würde des Menschen sich auch im Wirtschaftsleben widerspiegeln muss. Der Leitsatz des Ahlener Programms ist daher von ungebrochener Aktualität: Die Wirtschaft hat der Entfaltung der schaffenden Kräfte des Menschen und der Gemeinschaft zu dienen.“
Das Leben in der Stadt war jedoch von anderen Ereignissen bestimmt: Vom 5. November 1945 bis 15. August 1946 war Ahlen Auffang- und Durchgangslager für den damaligen Kreis Beckum. In dieser Zeit erreichten 70 Flüchtlingstransporte die Stadt. Bis 1950 nahm die Stadt in mehreren großen Schüben ca. 4.000 Heimatvertriebene auf, besonders Schlesier und Ostpreußen. Die Zuwanderung der Flüchtlinge wurde neben der Zeche der wichtigste Faktor für den inneren und äußeren Strukturwandel. Die vorhandenen Industriebetriebe konnten ihre Belegschaften stark vermehren und es entstanden aus der Initiative der Flüchtlinge neue Betriebe, die vorhandene Nischen im Wirtschaftsbesatz nutzten.
Mit der Verbesserung der Wirtschaftslage Ende der 1950er Jahre kam es auch zu umfangreichen Bautätigkeiten. Im Süden der Stadt entstand ein ausgedehntes „Ostdeutsches Viertel“ in dem die Straßennamen auf die Herkunft der Bewohner deuten. Die Bautätigkeit wurde durch die Abteufarbeiten an Schacht V der Zeche Westfalen (1953–1956), den Bau der Westfalenkaserne (1958–1961) und die Errichtung kommunaler und kirchlicher Gebäude (städtisches Gymnasium, Hallenbad, Christuskirche, Pauluskirche) mitgeprägt. Das deutsche Wirtschaftswunder führte auch in Ahlen zu einem Überangebot von Arbeitsplätzen. Durch die Vermittlung staatlicher Institutionen und durch eigene Initiativen der Wirtschaft kamen zwischen 1960 und 1965 insgesamt ca. 1.000 „Gastarbeiter“ nach Ahlen. Die Einwohnerzahl war so von 1945 (29.322) bis 1964 auf 44.203 gestiegen. Durch die Eingemeindung des Amtes Ahlen mit den Gemeinden Altahlen, Dolberg und Neuahlen wurde 1969 die Einwohnerzahl von 50.000 überschritten.
Der Ahlener Fußballverein LR Ahlen, der 1996 aus der Fusion zweier kleiner Vereine entstand, spielte von 2000 bis 2006 in der 2. Bundesliga. Nach dem Abstieg wurde – wegen Rückzug des Hauptsponsors – im Rahmen einer außerordentlichen Mitgliederversammlung am 31. Mai 2006 der Verein in Rot Weiss Ahlen umbenannt. 1999 schafften die Handballer der Ahlener SG den Aufstieg in die 2. Bundesliga, in der Saison 2005/2006 belegten die Handballer den 2. Tabellenplatz, in der Relegation zur 1. Bundesliga scheiterten sie.
Ahlen ist durch die Zeche Westfalen bekannt, die 2000 stillgelegt wurde. 
82919 
157 Ahmsen, Lähden, Niedersachsen, Deutschland  7.6251983642578125  52.78319453649358  Lähden ist eine nördliche Mitgliedsgemeinde in der Samtgemeinde Herzlake im Osten des Landkreises Emsland in Niedersachsen (Deutschland).
Gemeindegliederung
Zur Gemeinde Lähden gehören neben der Ortschaft Lähden die Ortsteile Ahmsen, Herßum, Holte-Lastrup und Vinnen.
* Ahmsen
In Ahmsen hatten sich etwa 1920 die Maristen ein Kloster erbaut. Während des zweiten Weltkrieges wurde dieses Kloster von den Nazis beschlagnahmt. Die Ahmser richteten sich in einer Scheune eine Notkirche ein, da der Weg nach Holte zur Pfarrkirche zu beschwerlich war. Nach dem Krieg wurde in Ahmsen eine eigene Kirche erbaut, diese gehört aber weiterhin zur Pfarrgemeinde Holte. Ihre Toten werden in Holte auf dem Friedhof beerdigt. 
689 
158 Ahrweiler, Rheinland-Pfalz, Deutschland  7.0952  50.542278  Ahrweiler ist ein Stadtteil der Stadt Bad Neuenahr-Ahrweiler im Landkreis Ahrweiler in Rheinland-Pfalz und zählt etwa 8500 Einwohner.  35492 
159 Ahsen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.30715274810791  51.70070949718415  Ahsen (12,28 km², ca. 1100 Einwohner) ist ein Stadtteil von Datteln im Kreis Recklinghausen. Ahsen liegt zwischen dem Wesel-Datteln-Kanal und der Lippe, nördlich der Haard.
Der Ort wurde zuerst im 13. Jahrhundert im Zusammenhang mit der Kirchengründung und einer Lippefähre erwähnt. Seit Anfang des 19. Jahrhunderts gehörte die Landgemeinde zum Amt Datteln; im Zuge der kommunalen Neugliederung wurde der Ort am 1. Januar 1975 nach Datteln eingemeindet.
In Ahsen gibt es eine Doppelschleuse, die Schleuse Ahsen, und den Fußballverein SV Borussia Ahsen e.V.. Die Grundschule Ahsen wurde mit Ablauf des Schuljahres 2012/13 wegen sinkender Schülerzahlen geschlossen. 
140149 
160 Ahun, Creuse, Limoges, France  2.044229507446289  46.08654306731308  Ahun is een gemeente in het Franse departement Creuse (regio Limousin) en telt 1568 inwoners (2004). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Guéret. In de gemeente ligt spoorwegstation Busseau-sur-Creuse.  140959 
161 Aibes, Nord-Pas-de-Calais, France  4.093351364135742  50.23669568262712  Aibes est une commune française, située dans le département du Nord et la région Nord-Pas-de-Calais.
Histoire
Village du canton de Solre-le-Château, désigné sous le nom d’Alba, Albes, dans un cartulaire de l’Abbaye d'Aulne, qui y possédait des biens importants, entre autres la ferme de Coulmy, à laquelle étaient annexés un moulin et une brasserie. Cette abbaye y partageait le produit des dimes de l’abbaye de Lobbes, et le chapitre de Maubeuge, qui y était collateur de la paroisse. À cette paroisse se rattachait, l’église de Quiévelon.
Le village d’Aibes était le siège d’une seigneurie dont les possesseurs sont cités dans un grand nombre de titres anciens. Parmi eux, on trouve des lettres datées du 9 novembre 1292 par lesquelles Gilles, sire d’Aibes, chevalier, déclare que lui et ses hoirs tiendront dorénavant en fief et hommage de Jean d’Avesnes, comte de Hainaut, et de ses successeurs, la ville de Montigny, qu’il possédait auparavant comme franc-alleu.
Aibes renfermait 18 feux en 1469, et 30 en 1791.
Ce village a été pendant une suite de siècles la résidence du doyen de chrétienté du décanat de Maubeuge, au centre duquel il se trouvait mieux placé que la ville chef-lieu. Au milieu du XIXè siècle, on trouvait au sud-ouest du village une ferme qui a été donnée à l’abbaye d’Aulne par Jacques d’Avesnes, et qui, comme beaucoup d’exploitations rurales isolées, s’appelait le Mesnil, du latin mansilum.
En 1848, 13 squelettes et des armes blanches ont été découverts sur le territoire de la commune. 
67687 
162 Aigai, Vergina, Makedonía, Ellás  22.3077392578125  40.4866485205608  Vergina (in Greek Βεργίνα) is a small town in northern Greece, located in the prefecture of Imathia, Central Macedonia. The town became internationally famous in 1977, when the Greek archaeologist Manolis Andronikos unearthed what he claimed was the burial site of the kings of Macedon, including the tomb of Philip II, father of Alexander the Great.
Vergina is about 13km south-east of the district centre of Veroia and about 80km south-west of Thessaloniki, the capital of Greek Macedonia. The town has a population of about two thousand people and stands on the foothills of Mount Pieria, at an elevation of 120m (360 ft) above sea level.
History
The modern town of Vergina was founded in 1922 near the two small agricultural villages of Koutles (Greek: Κούτλες; Turkish: Kütles, Kütleş; Slavic: Kutlesh - Кутлеш) and Barbes (Greek: Mπάρμπες, Turkish: Barbeş, Slavic: Barbesh - Барбеш) previously owned by the Turkish bey of Palatitsi and inhabited by 25 Greek families in his employ as serfs. After the Treaty of Lausanne and the eviction of the Bey landlords, the land was distributed in lots to the existing inhabitants, and to 121 other Greek families from Bulgaria and Asia Minor after population exchange agreements between Greece, Bulgaria and Turkey. The name for the new town was suggested by the then Metropolitan of Veria, who named it after a legendary queen of ancient Beroea (the modern Veria) who had supposedly lived in the vicinity.
Archaeological finds
Archaeologists were interested in the hills around Vergina as early as the 1850s, knowing that the site of Aigai was in the vicinity and suspecting that the hills were burial mounds. Excavations began in 1861 under the French archaeologist Leon Heuzey, sponsored by the Emperor Napoleon III. Parts of the Macedonian royal palace of Palatista were discovered. However, the excavations had to be abandoned because of the risk of malaria. Vergina is situated close to the site of ancient Aigai (or Aegae), once the royal capital of ancient Macedon, ruled by the Argead dynasty from about 650 BC onwards. (The ruins of another Aigai, one of the Aeolian dodecapolis, lie 35 km south of ancient Pergamon in ancient Aeolis, now in Turkey).
In 1937, the University of Thessaloniki resumed the excavations. More ruins of the ancient palace were found, but the excavations were abandoned on the outbreak of war with Italy in 1940. After the war the excavations were resumed and during the 1950s and 1960s the rest of the royal capital was uncovered. The Greek archaeologist Manolis Andronikos became convinced that a hill called the "Great Tumulus" (in Greek, Μεγάλη Τούμπα) concealed the tombs of the Macedonian Kings. In 1977, Andronikos undertook a six-week dig at the Tumulus and found four buried chambers which he identified as hitherto undisturbed tombs. Three more were found in 1980. Excavations continued through the 1980s and 1990s. Andronikos claimed that these were the burial sites of the kings of Macedon, including the tomb of Philip II, father of Alexander the Great. Andronikos maintained that one of the tombs was of Philip II, and another was of Alexander IV of Macedon, son of Alexander the Great and Roxana and this has now become the firm view of archaeologists and the Greek government.
The museum and the artifacts
The museum which was inaugurated in 1993 was built in a way to protect the found tombs, exhibit the artifacts and show the tumulus as it was before the excavations. Inside the museum there are four tombs and one small temple the "Heroon" which was built as the temple of the great tomb of Philip II. The two most important graves were not sacked and contained the main treasures of the museum.
* The tomb of Philip II was discovered in 1977 and was separated in two rooms. The main room included a marble sarcophagus and in it was the golden larnax made of 24 carat gold and weighing 11 kilograms. Inside the golden larnax the bones of the dead were found and a golden wreath representing 313 leaves and 68 fruits of oak tree which weighs 717 grams. In the room were also found the golden-ivory panoply of the dead, the burial bed on whom he was burned and silver utensil for symposia. The ivory burial bed is a masterpiece of microsculpture. In the antechamber there were another sarcophagus with another smaller golden larnax and in it the bones of a woman in a golden-purple cloth and a golden diadem decorated with flowers and enamel. There was one more partially destroyed by the fire burial bed and on it a golden wreath representing leaves and flowers of myrtle. Above the doric order entrance of the tomb there is a wall painting measuring 5.60 metres which represents a hunting scene.
* n 1978 another burial site was also discovered near the tomb of Philip. It was slightly smaller than the previous and was not sacked too. It was also arranged in two parts but only the main room contained a cremated body this time. On a stone pedestal was found a silver hydria which contained the bones and on it a golden wreath representing oak branches. There were also utensil and weaponry. A narrow frieze with a chariot race decorated the walls of the tomb. The tombs belongs to Alexander IV of Macedon son of Alexander the Great and Roxana.
The other two tombs were found sacked. The "tomb of Persephone" was discovered in 1977 and although it contained no valuable things found, at its walls was found a marvellous wall painting showing the abduction of Persephone by Pluto. The other tomb was discovered in 1980, is heavily damaged and may have contained valuable treasures while it had an impressive entrance with four doric columns. It was built in the 4th century BC and the archaeologists believe that the tomb belonged to Antigonus II Gonatas.
Vergina Sun
On the lid of the larnax of Philip II there a symbol of a sun or star and this Vergina Sun has been adopted as a symbol of Greek Macedonia. It became the subject of international controversy in 1991 when the newly independent Republic of Macedonia used the symbol on its flag. This outraged Greek public opinion, which saw the use of the symbol as an insult to its historical heritage and implying a territorial claim on Greece. In 1995 the Republic of Macedonia was forced to change its flag. 
61267 
163 Aigueperse, Auvergne, France  3.2  46.0166666666667  Aigueperse is een gemeente in het Franse departement Puy-de-Dôme (regio Auvergne) en telt 2504 inwoners (1999). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Riom. De inwoners worden Aiguepersois genoemd.  37659 
164 Aire-sur-la-Lys, Nord-Pas-de-Calais, France  2.395588  50.637990  Ariën of Ariën aan de Leie (Frans: Aire-sur-la-Lys) is een stad en gemeente in het Franse departement Nauw van Calais, aan de Leie. De gemeente ligt op de grens van Frans-Vlaanderen en Artesië. Ze heeft ongeveer 9700 inwoners, die Airois worden genoemd.
Aire-sur-la-Lys (en néerlandais : Ariën) est une commune française, située dans le département du Pas-de-Calais et la région Nord-Pas-de-Calais. Chef-lieu d'un canton qui compte 23 256 habitants. Ses habitants sont appelés les Airois.
Situation
À 230 km de Paris, à 58 kms d'Arras (le chef lieu de département) à 65 km de Lille, 60 km de Calais, 58 km de Boulogne-sur-Mer, Aire-sur-la-Lys est presque à égale distance des grands centres urbains du Nord-Pas-de-Calais. La cité est la première ville traversée par la Lys qui se jette dans l'Escaut à Gant, elle est également ceinturée par la Lacquette (affluent de la Lys), par la Liauwette et par le canal de Neufossé.
Histoire
Aire-sur-la-Lys est citée une première fois en 857. La ville se développera autour du Castrum que Baudoin II, comte de Flandre, fait construire pour résister aux invasions normandes et autour de la collégiale Saint-Pierre édifiée par Baudoin V. La cité sera assiégé dix fois entre 1127 et 1710. Elle sera séparée de la Flandre et attachée au Comté d'Artois en 1196. Elle sera ensuite bourguignone, puis espagnole jusqu'au 14 Avril 1713 où par le traité d'Utrecht, elle est définitivement rattachée à la France. Cette place forte, dont Vauban fera l'une des positions stratégiques de son Pré Carré, sera démantelée en 1893. 
33860 
165 Aiseau, Hainaut, België  4.585461616516113  50.410079210340236  Aiseau (en wallon Åjhô) est un village sur la Biesme, non loin de son embouchure dans la Sambre. Il fait partie de la commune de Aiseau-Presles, dans la province de Hainaut (Région wallonne de Belgique). C'était une commune à part entière avant la fusion des communes de 1977.
Aiseau is een dorp in de Belgische provincie Henegouwen en een deelgemeente van Aiseau-Presles. Aiseau heeft een oppervlakte van 7,73 km².
Aiseau ligt 12 kilometer ten oosten van de stad Charleroi in de streek Tussen-Samber-en-Maas. Er is reeds vanouds industrie aanwezig, maar sinds de jaren 1960 ontwikkelde Aiseau zich vooral door lintbebouwing tot een woonplaats. In het noorden grenst Aiseau aan de Samber waar ook het gehucht Oignies ligt.
Geschiedenis
Er was reeds zeer vroeg bewoning te Aiseau. Getuige daarvan zijn verscheidene vondsten uit de Gallo-Romeinse periode.
In de middeleeuwen bestond de heerlijkheid Aiseau uit de dorpen Aiseau, Le Roux en Moignelée, samen met de priorij van Oignies een twistgebied tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Namen. In 1357 werd het gebied erkend als grondgebied van het hertogdom Brabant.
De heerlijkheid was vervolgens eigendom van verscheidene families om tenslotte in 1566 definitief over te gaan in handen van de familie Gavre. Ten gunste van deze familie verhief Filips IV van Spanje in 1625 de heerlijkheid tot een markgraafschap. De Ferrariskaart uit de jaren 1770 toont het dorp Aiseau in een enclave van hertogdom Brabant binnen het prinsbisdom Luik.
Het gebied bleef in handen van de familie tot het eind van het Ancien Régime en de vorming van de gemeenten in 1795, toen het dorp Aiseau samen met Oignies een zelfstandige gemeente werd. Moignelée en Le Roux werden zelf ook zelfstandige gemeenten. In 1977 werd Aiseau met Pont-de-Loup, Presles en Roselies samengevoegd tot de nieuwe fusiegemeente Aiseau-Presles, waarvan Aiseau de hoofdkern werd.
Kerkelijk waren Aiseau en Oignies reeds zeer lang onafhankelijke parochies. Ook de andere dorpen uit de heerlijkheid vormden aparte parochies. 
88662 
166 Aisne, Picardie, France  3.638157  49.563107  Aisne (02) is een Frans departement, dat zijn naam ontleent aan de rivier met dezelfde naam.
Geschiedenis
Het departement was 1 van de 83 departementen die werden gecreëerd tijdens de Franse Revolutie, op 4 maart 1790 door uitvoering van de wet van 22 december 1789.
Het werd samengesteld uit gebieden die behoorden tot Île-de-France (Laonnois, Soissonnais, Noyonnais, Valois) en Picardië (Thiérache, Vermandois).
L'Aisne (02) est un département français, qui doit son nom à la rivière du même nom. Il appartient à la région Picardie.
Histoire
L'Aisne fut l'un des 83 départements créés en 1790. Il fut constitué de territoires issus de l'Île-de-France (Laonnois, Soissonnais, Noyonnais, Valois) et de la Picardie (Thiérache, Vermandois). 
33515 
167 Aitkin, Aitkin County, Minnesota, USA  -93.70994567871094  46.53453945673014  Aitkin is a city in Aitkin County, Minnesota, United States. The population was 1,984 at the 2000 census. It is the county seat of Aitkin County6. The mayor is Gary Tibbitts. The Chief of Police is Terry Thompson.
There is an airport called Aitkin Municipal Airport which is at the northeastern side of the town.
Demographics
As of the census2 of 2000, there were 1,984 people, 892 households, and 434 families residing in the city. The population density was 445.4/km² (1,150.3/mi²). There were 969 housing units at an average density of 217.5/km² (561.8/mi²). The racial makeup of the city was 97.33% White, 0.15% African American, 1.31% Native American, 0.25% Asian, 0.05% Pacific Islander, 0.35% from other races, and 0.55% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 0.76% of the population.
There were 892 households out of which 22.5% had children under the age of 18 living with them, 36.5% were married couples living together, 9.8% had a female householder with no husband present, and 51.3% were non-families. 46.5% of all households were made up of individuals and 30.2% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.03 and the average family size was 2.90.
In the city the population was spread out with 20.8% under the age of 18, 7.5% from 18 to 24, 21.6% from 25 to 44, 17.6% from 45 to 64, and 32.4% who were 65 years of age or older. The median age was 45 years. For every 100 females there were 76.2 males. For every 100 females age 18 and over, there were 69.8 males.
The median income for a household in the city was $24,574, and the median income for a family was $38,071. Males had a median income of $30,577 versus $21,641 for females. The per capita income for the city was $17,471. About 13.1% of families and 14.2% of the population were below the poverty line, including 11.0% of those under age 18 and 20.9% of those age 65 or over.
History and culture
* The city and county were named for "William Alexander Aitken", a partner of the American Fur Company and chief factor of the company's regional operations in the early 1800s.
* Aitkin is home of the "World Famous Fish House Parade" which occurs annually on the day after Thanksgiving. This event was noted on a 2003 documentary which was aired on the HGTV channel and an interview from an Aitkin resident, Jason Kazar took place.
* The city's annual festivals includeRiverboat Heritage Days, which occurs in July, and "Festival of Adventures and Mud River Music Fest" in September. "Moonlight Madness" occurs around Labor Day weekend. The Aitkin County Fair occurs annually at the beginning of August.
* Judy Garland performed at the opera house in Aitkin as a young child. A small display related to Judy can be found in the converted opera house, now Butler's store, in downtown Aitkin. 
893 
168 Aix-en-Provence, Provence-Alpes-Côte d'Azur, France  5.453889  43.531111  Aix-en-Provence is een stad in Zuid-Frankrijk. Aix ligt in het departement Bouches-du-Rhône en is daarvan een onderprefectuur. Het aantal inwoners (Aixois) is ongeveer 130.000. De stad heeft een universiteit met ongeveer 30.000 studenten.
Ligging
Aix ligt ten westen van de montagne Sainte-Victoire en ten noorden van Marseille. Met deze laatste stad vormt Aix een agglomeratie.
Geschiedenis
Op de plaats van het huidige Aix lag ooit een Keltisch-ligurisch oppidum. Nadat dit verwoest werd, werd Aix gesticht in 123 of 122 v. Chr. door consul Sextius Calvinus, vanwege de verschillende bronnen van warm en koud water.
Aix wordt in de Geographia van Claudius Ptolemaeus genoemd als Aquae Sextiae Colonia.
In 102 v. Chr. vond de Slag bij Aquae Sextiae plaats, een gevecht tussen de Teutonen en de Ambronen enerzijds en de Romeinen anderzijds. Eerst werden de Ambronen verslagen. De Teutonen werden door de Romeinen afgeslacht, nadat zij de hete middagzon niet meer konden verdragen.
Onder Diocletianus werd Aix-en-Provence het belangrijkste politieke centrum van de provincie Narbonensis Secunda. In 477 werd Aix bezet door de Visigoten. In de eeuw daarna werd Aix verscheidene keren geplunderd door de Franken en de Lombarden, totdat het werd bezet door de Saracenen in 731.
Gedurende de Middeleeuwen was Aix de hoofdstad van het graafschap Provence. Vanaf de 13e eeuw, onder de huizen Aragón en Anjou werd het een belangrijk artistiek en intellectueel centrum. In 1409 werd de universiteit gesticht door Lodewijk II van Anjou.
Samen met de rest van de Provence werd Aix toegevoegd aan het koninkrijk Frankrijk in 1481. De stad weigerde echter 2 eeuwen lang het gecentraliseerde gezag van de monarchie te erkennen. In 1501 vestigde Lodewijk XII er het parlement van de Provence, dat zou bestaan tot 1789. Omdat Marseille steeds meer tot een regionaal centrum werd, verloor Aix zijn politieke invloed. Sinds 1970 is de stad uitgegroeid tot een centrum voor technologie (universiteit) en toerisme.
Bezienswaardigheden
Cours Mirabeau
Cours Mirabeau
De beroemdste straat van Aix is de Cours Mirabeau, een laan met platanen, oude herenhuizen en twee fonteinen. Ten noorden van de Cours Mirabeau ligt het oude centrum met de kathedraal Saint-Sauveur uit de 15e en 16e eeuw en het Hôtel de Ville. Ten zuiden van de Cours Mirabeau bevindt zich de Mazarin-wijk met woningen van de aristocraten, magistraten en andere notabelen uit de 17e eeuw. 
36751 
169 Aix-les-Bains, Rhône-Alpes, France  5.908997999999997  45.692341  Aix-les-Bains (prononcé ɛks.lɛ.bɛ̃) est une commune française, située dans le département de la Savoie en région Rhône-Alpes.
S'élevant sur les rives du plus grand lac naturel d'origine glaciaire de France, le lac du Bourget, Aix-les-Bains fait partie des importantes villes thermales françaises, et est dotée du plus grand port de plaisance en eau douce de France1. 2e ville savoyarde en termes de population, elle compte 28 585 habitants au dernier recensement et fait partie de sa propre aire urbaine : l'aire urbaine d'Aix-les-Bains.
Ville-phare de la Belle Époque de renommée internationale, Aix-les-Bains fut un haut-lieu de villégiature pour les familles princières et les gens fortunés. Si aujourd'hui elle confirme plus que jamais son statut de ville d'eau, il n'en demeure pas moins que le thermalisme n'est plus la principale activité du bassin aixois. La cité compense en partie la perte de ses curistes en développant le tourisme ; la ville, entre lac et montagne, a de nombreux atouts dans ce domaine. La commune est dotée de 4 fleurs et de la fleur d'or (plus haute distinction) au Conseil national des villes et villages fleuris. Durant l'année 1992, la ville se voit décerner le « grand prix européen du fleurissement ». Elle a obtenu le label station touristique en cette fin octobre 2013. Elle possède aussi le label ville internet avec 3 @.
Mais Aix-les-Bains est aussi une ville industrielle, avec quelques grosses entreprises : Alstom (ex Areva, ex Savoisienne) en plein développement, une importante zone industrielle (Savoie Hexapole), les sièges des entreprises Léon Grosse, ABB Cellier, Aixam, une manufacture de haute maroquinerie, etc.
Localement appelée « Aix », ses habitants sont pour leur part appelés les Aixois.
Histoire
Aquae : Aix la romaine
Les historiens s’accordent à dire qu’Aix est née de ses sources d’eau à l’époque romaine, sur les restes d’un habitat celtique. Les premières occupations du site ont été datées par Alain Canal23 du premier siècle avant notre ère, cependant rien ne permet d’attribuer ces vestiges à un habitat fixe. Il ne nous reste que les ruines d’établissements publics et l’on serait bien en peine d’établir une esquisse de « l’Aquae » antique. La situation administrative du lieu est connue par l’épigraphie, qui nous apprend qu’Aix était au Ier siècle de notre ère un « vicus », doté d’un conseil de « decemlecti » (conseil municipal de dix membres)24, faisant administrativement parti de la cité de Vienne. Quelques citoyens vivaient là avec, semble-t-il, des moyens assez importants pour offrir aux dieux un bois sacré, une vigne ou se faire construire un arc funéraire pour le cas de la famille des Campanii.
Les archéologues nous ont fait découvrir au cours de leurs fouilles25, un important complexe thermal, à proximité immédiate des sources. Sur une terrasse inférieure, à l’ouest, se trouvait l’arc de Campanus, probablement construit au Ier siècle et, plus en aval, une seconde terrasse portait le temple dit de « Diane », qui avait remplacé au IIe siècle un édifice circulaire plus ancien, probablement contemporain de l’arc. Des vestiges de nécropoles ont été dégagés au nord du temple. Le Parc des Thermes, différents autres lieux éparpillés en ville, renferment de nombreux vestiges très divers : restes de nécropoles, poteries… Mais aucune pièce maîtresse qui aurait conduit à des fouilles archéologiques approfondies. À défaut, rien ne nous permet de connaître le vicus gallo romain d’Aquae, ni dans son étendue, ni dans la disposition de son habitat. Où les «Romains» habitaient-t-ils ? Où se situaient leurs exploitations agricoles, les villages de leur personnel ; qu’elles étaient les activités du vicus… ? Le mystère est encore complet. Les seuls indices sont issus de la carte archéologique des vestiges dressée par les services archéologiques de la Drac, et l'archéologue Alain Canal de conclure, «Paradoxalement, si Aix à livré de nombreux documents illustrant l’ancienneté du site et la qualité de l’urbanisme monumental dès le début de l’Empire, nous n’avons aucune connaissance précise sur l’ordonnance de cette bourgade».
En guise de synthèse26, l'histoire de la période peut se résumer à l’occupation du site du centre ville depuis le Ier siècle avant notre ère, puis par un aménagement progressif de la zone entre les Ier et IIe siècles. L’occupation semble s’être faite à partir de l’édification progressive du complexe thermal, autour duquel rayonnaient des édifices monumentaux présentés sur un système de terrasses, qui ont évolué plusieurs fois au cours de la période romaine. Si les sources chaudes furent à l’origine de l’emplacement choisi d’autres facteurs, comme la qualité du site, ont peut-être été déterminant.
Du Moyen Âge à la Renaissance
La connaissance de l’histoire d’Aix déjà bien pauvre à l'époque romaine, s’obscurcie encore par suite du manque de sources concernant la fin de l’Empire romain et le haut Moyen Âge. Nous en sommes réduits à des conjectures en étudiant les destructions dues aux invasions barbares qui ont laissé des traces d’incendies sur les villas gallo romaines des environs (Arbin…). Toujours est-il que les Thermes romains d’Aix tombent en ruine à partir du Ve siècle et que la trace des aménagements urbains se perd.
Aix n'est de nouveau mentionné dans les sources qu’au IXe siècle, en 867, puis en 1011 au travers de chartes. Dans la seconde, le roi de Bourgogne Rodolphe III fait don de la villa d’Aix, qualifiée de siège royal, avec ses colons et ses esclaves à sa femme Ermengarde qui, à son tour, les transmets à l’Evêché de Grenoble27. Cette charte nous apprend qu’Aix est une bourgade, possédant une église et des domaines agricoles. Le Grand Saint Hugues, évêque de Grenoble, en fit ensuite don au monastère Saint-Martin de Miséréré, au début du XIIe siècle. Celui-ci érigea l’église en prieuré cure, sous le vocable de Sainte Marie. Le cartulaire de Saint Hugues révèle, à la fin du XIIe siècle, l’existence de deux autres paroisses, celle de Saint Simond avec son église et celle de Saint Hippolyte (actuel faubourg de Mouxy) portant aussi un petit prieuré. La géographie urbaine commence à s’éclaircir : Il faut imaginer la petite bourgade, enserrée dans ses remparts, dont personne ne sait quand ils ont été construits. Le point central de la cité est le prieuré, à proximité de l’ancien temple romain. Ce centre pourrait être aussi le centre administratif puisqu’au moins depuis le XIIIe siècle, Aix est une seigneurie inféodée à la famille de Seyssel, qui y possède un château qui, même si nous ne savons pas le situer avec certitude était probablement à l’emplacement du château actuel28. Deux hameaux sont attestés, Saint Hyppolite, à proximité immédiate de la ville mais hors les remparts, avec comme centre un petit prieuré et à son côté, actuellement sous la villa Chevalley, une maison forte dépendant de la famille de Savoie29 que les dernières études datent du XIIIe siècle. Un second village d’importance apparaît, Saint Simond (Saint Sigismond) doté lui aussi d’une église et d’un cimetière, érigée en paroisse, membre dépendant de Saint Hyppolite.
Les textes laissent supposer l’existence des autres villages dont la trace certifiée qu’à partir de 1561, lors du dénombrement général de la population pour la gabelle du sel30. À cette époque, sur les 1095 habitants d’Aix, 46 % logent dans le bourg ; Saint Simond compte 125 habitants, Puer 91, Choudy 87, Lafin 86, et le reste des hameaux, soit une dizaine, se partagent le reste. (Marlioz ayant échappé à nos sources)31. Cette géographie de l’habitat semble figée jusqu’à la fin du XIXe siècle. L'abbaye voisine d'Hautecombe possédait à Aix un assez grand domaine sur le haut de Saint Simond.
Au début du XVIe siècle, l'antique église Sainte Marie fut victime d'un incendie dévastateur. Pour la reconstruire les aixois firent appellent à Claude de Seyssel, un membre de la famille seigneurial de la ville, qui s'était élevé à la dignité épiscopale. Il était en effet évêque d'Albi, et surtout conseiller particulier du roi de France Louis XII. Il est aussi l'auteur d'un certain nombre de traités de droit. Grâce à son appui les De Seyssel purent faire édifier une église collégiale, dotée d'un chapitre de douze chanoines, commandé par un doyen, dont la nomination revenait au comte. Une église fut édifiée sur la place, voisine du cimetière, qui comportait un chœur de style gothique flamboyant. Si le chœur appartenait à la collégiale, la nef elle, appartenait aux paroissiens et présentait un aspect plus sommaire. D'ailleurs la voûte mal construite s'écroula en 1644. Parmi les chapelles latérales, l'une était réservée aux De Seyssel d'Aix qui y enterraient leurs morts. La collégiale, devenu entièrement paroissiale après la Révolution, fut démolie en 1909, après la construction de la nouvelle église. Cette église était connue pour abriter une relique de la vraie croix, que l'on venait vénérer d'assez loin32. C'est aussi à la fin du Moyen Âge que le château seigneurial d'Aix fut reconstruit. Le plafond de la grande salle du rez-de-chaussée est daté de 1400 quant au magnifique escalier d'honneur, il fut construit vers 1590.
Le XVIIIe siècle aixois
Le 9 avril 1739, un gigantesque incendie se déclare au centre-ville et détruisit 80 maisons, soit près de la moitié de la ville. Pour la reconstruction on fait appel aux subsides du roi, qui imposa un plan d’alignement dont la réalisation fut confiée à l’ingénieur Garella. Ce plan allait plus loin qu’un simple plan de reconstruction puisqu’il prévoyait un véritable alignement des rues, et imposait certaines règles d’urbanisme comme, par exemple la construction de maisons de deux étages et d’un rez-de-chaussée; il interdisait également les toits en chaume. Toutefois il était très limité dans son périmètre puisqu’il ne concernait que le quartier incendié, soit la rue principale (rue Albert Ier), la place centrale (Place Carnot) et la rue des Bains. Au début du XVIIe siècle, les aixois et le monde médical avaient commencé à être sensibilisés à la valeur des sources d’eau chaude d’Aix, grâce aux célèbres écrits du médecin dauphinois Jean Baptiste Cabias, qui fut suivi en ce domaine par d’autres médecins de renommée. En effet, depuis l’antiquité l’exploitation des sources d’eau chaude n’avait jamais totalement oubliée. On se baignait à Aix au Moyen Âge et jusqu’à la fin du XVIIIe siècle, soit dans la seule piscine romaine existant encore, à l’air libre, soit chez l’habitant où l’on se faisait apporter l’eau thermale par porteur. Le roi de France Henri IV passe pour avoir fortement apprécié son bain aixois, selon Jean Baptiste Cabias33. En 1737, afin de protéger les eaux thermales des infiltrations d’eau du ruisseau qui traversaient la ville, un important chantier fut programmé par l’Intendance Générale. Cela modifia la distribution urbaine du centre ville, puisqu’il fallut creuser un nouveau lit au ruisseau des moulins, à l’extérieur des remparts. Il fallut aussi reconstruire les quatre moulins du marquis d’Aix, jusque là en centre ville, le long du nouveau canal (actuellement montée des moulins). C’est au duc de Chablais, fils du roi Victor Amédée III, qu’Aix doit sa renaissance, car c’est lui qui après avoir goûté au bienfait des sources et s’y être trouvé mal logé, suggéra au roi, la construction d’un établissement thermal. Par billet royal du 11 juin 1776 le roi Victor Amédée III chargea le comte de Robiland de dresser les plans d’un établissement de bains. Celui-ci fut construit de 1779 à 1783 sous la direction de l’ingénieur Capellini34. Cette date marque aussi le début de la démolition de l’ancien centre ville, car à la suite de cette construction imposante, on commença à dégager les alentours des maisons pour créer une place. Ce premier établissement thermal devint un facteur important de développement.
Pendant toute cette période et jusqu’à la Révolution, la ville accueillie un nombre à peu près stable d’environ 600 curistes l’an, dont une majorité de français. Consécutivement la population augmenta pour atteindre 1700 habitants en 1793. En 1783, pour agrémenter la vie des curistes, le Conseil de la Commune fait édifier une promenade publique paysagée : le Gigot, actuellement Square A.Boucher. Elle était alors bordée de marronniers et avait été dessinée par l’architecte Louis Lampro. Mise à part les jardins privés, c’est là la naissance du premier acte d’urbanisme concernant les espaces verts, qui donna un coup de pouce au développement de la ville de ce côté des remparts, le long de la route de Genève. En 1792 les troupes révolutionnaires françaises, sous le commandement de Montesquiou, entre en Savoie. Le thermalisme marque alors le pas. Les Thermes sont réquisitionnés par les armées de la République, qui y envoie les soldats blessés en convalescence. Mais c’est par ailleurs une occasion de faire connaître Aix au plus grand nombre. Aix devient alors Aix-les-Bains. La Révolution aboutie, abolit les privilèges de la noblesse locale, et permet surtout à la ville de ne pas payer au seigneur marquis d’Aix l’importante somme d’argent qu’elle lui devait à la suite du rachat des droits seigneuriaux (la ville n’avait pas de charte de franchise). En outre la liberté du commerce instauré donne un nouveau souffle à la création d’une économie basée sur l’exploitation des sources thermales, dès la paix retrouvée. On assiste alors au développement de pensions, d’hôtels, de cabarets… En revanche, la Révolution laisse ses marques sur les biens d’église : abandon de la collégiale, destruction du clocher et du mobilier d’église…
C’est au bord du lac qu’il faut se déplacer pour trouver la nouveauté. Le petit môle portuaire de Puer, construit sous l’Ancien Régime (1720) devient un véritable port. D’abord fréquenté par les bateaux ravitaillant les troupes de l’Armée des Alpes, doté d’un magasin militaire, il est progressivement aménagé pour l’exportation de marchandises et notamment de la verroterie issue des ateliers installés au bord du lac. Désormais l’on l’appelle le Port de Puer. Le développement de ce quartier impliqua la mise en état de « l’avenue du lac » et toute cette activité attira les premières constructions en alignement le long de cette voie fréquentée, hors du centre et des villages existants.
Négociations de l'indépendance du Maroc
Les négociations concernant l'indépendance du Maroc se sont déroulées à Aix-les-Bains35. Lors de la conférence de septembre 195536, le président du Conseil français, en la personne d'Edgar Faure, résuma publiquement, le compromis proposé au Maroc, selon l'expression « L'indépendance dans l'interdépendance ». Jusqu'alors, le territoire marocain était juridiquement sous protectorat français et avait pour sultan l'exilé Mohammed Ben Youssef. Les négociations furent organisées en la présence de nombreuses personnalités et organisations françaises et marocaines. Il figurait à la table des pourparlers du côté marocain le Parti pour la Démocratie et l'Indépendance (P.D.I.) ainsi que le parti de l'Istiqlal, représenté notamment par Mehdi Ben Barka, Omar Benabdejlil, Abdelhadi Boutaleb, Abderrahim Bouabid ou encore M'Hamed Boucetta. Du côté français, on trouva une délégation française composée d'Edgar Faure37, Pierre July, Robert Schuman ainsi que d'autres membres du gouvernement. Voilà pour ce qui est des principaux protagonistes. En marge de ceux-ci, on convia également des invités de tous horizons capables de donner des avis éclairés sur la condition du Maroc et de son indépendance. Des alliés fidèles du protectorat et des chefs traditionnels marocains furent également invités. Ainsi, ils purent également négocier eux aussi en présence des partis concernés. Il leur sera accordé la préséance, si tant est, à la déception des istiqlaliens.
Bien que ces négociations organisées à Aix-les-Bains aient joué un rôle important dans la marche vers l'indépendance du Maroc, il n'en demeure pas moins que la France avait, au préalable, pris soin de préparer en grande partie cette transition. En effet, l'État français d'alors était convaincu de la nécessité de permettre l'indépendance à ce territoire nord-africain. Cependant, de nombreux intérêts économiques en jeu et de nombreuses relations d'affaires, avec notamment les pachas et les caïds, pousseront la France à prendre soin de ne pas brusquer cette transition et d'amorcer en douceur ce changement. La destinée de la souveraineté du Royaume du Maroc se sera dessinée durant cette conférence d'Aix-les-Bains. Officiellement, les négociations permirent de dégager un accord en vue de donner naissance à un État indépendant. Le Maroc fut définitivement proclamé indépendant lors de la déclaration de la Celle Saint-Cloud le 6 novembre 1955. Il y eut, en 2005, la commémoration du cinquantenaire de la négociation des accords de l’Indépendance du Maroc. Pour cette occasion, il fut réalisé une fontaine, avec un bassin en zellige marocain38,39. Des mâalems-artisans40 sont venus tout spécialement de leur capitale spirituelle pour réaliser cet ouvrage dans le parc de verdure d'Aix-les-Bains. Le projet a été pris en charge par le conseil régional du tourisme de la ville de Fès (CRT-Fès) et l’office du tourisme. 
141395 
170 Ajaccio, Corse, France  8.738159894855926  41.917900254931666  Ajaccio (en corse Aiacciu, prononcé a.ˈjaː.t͡ʃu, ou Aghjacciu par les Corses de l'intérieur) est une commune française, préfecture du département de la Corse-du-Sud, préfecture de la région Corse et siège de la collectivité territoriale de Corse.
Les habitants d'Ajaccio sont appelés les Ajacciens (Aiaccini ou Aghjaccinchi par les Corses de l'intérieur. On note egalement "Ajacciotti" pour -habitants du bourg- dans une correspondance de P.Paoli : "Avrebbero potuto entrare nel Borgo; ma gli Ajacciotti non si meritano da noi violenze". Pasquale Paoli al Conte Rivarola, Corti, 2 dicembre 1763. In, Lettere di Pasquale Paoli : con note e proemio di N. Tommaseo. G. P. Vieusseux ed. Firenze, 1846.)
Ajaccio, cité impériale, est aussi connue pour être la première ville française libérée durant la Seconde Guerre mondiale, le 9 septembre 1943. La Corse sera totalement libérée de l'occupation le 4 octobre 1943 avec la libération de Bastia.
Histoire
Antiquité
La ville n'est pas mentionnée par le géographe grec Ptolémée d'Alexandrie au IIe siècle après Jésus Christ, malgré la présence d'une localité nommée Ourkinion dans la Cinarca voisine. Or c'est vraisemblablement à cette époque que la ville d'Ajaccio connut son premier développement. En cette période de prospérité au sein du bassin méditerranéen (la Pax Romana), le besoin d'un véritable port à même d'accueillir de grands bâtiments à l'aval des différentes vallées qui aboutissent dans le golfe se fit probablement sentir (d'importantes découvertes archéologiques sous-marines récentes d'embarcations romaines tendent à le confirmer).
D'autres fouilles menées récemment ont permis la découverte d'importants vestiges paléochrétiens de nature à considérablement réévaluer à la hausse la taille de l'agglomération ajaccienne dans la deuxième partie de l'Antiquité et au début du Moyen Âge. La ville était en tous cas suffisamment notable pour être déjà le siège d'un diocèse, mentionné par le pape Grégoire le Grand en 591. La cité était alors située plus au nord que l'emplacement choisi plus tard par les génois, à l'emplacement des quartiers actuels de Castel Vecchio et Sainte-Lucie.
Époque médiévale et génoise
Il est établi qu'à partir du VIIIe siècle la ville, à l'instar de la plupart des autres communautés côtières corses, déclina fortement et disparut presque complètement. Néanmoins, on sait qu'un château et une cathédrale étaient toujours en place en 1492 et que cette dernière ne fut démolie qu'en 1748.
À la fin du XVe siècle, les Génois désireux d'affirmer leur domination sur le sud de l'île décidèrent de rebâtir la ville d'Ajaccio. Plusieurs sites furent alors considérés : la Pointe de la Parata (non retenue car trop exposée aux vents), l'ancienne ville (considéré finalement comme insalubre à cause de la proximité de l'étang des Salines), enfin la Punta della Lechia sur laquelle le choix a été arrêté.
Les travaux débutèrent le 21 avril 1492. La ville se développa rapidement et devint la capitale administrative de la province de l'Au Delà Des Monts (plus ou moins l'actuelle Corse-du-Sud), Bastia demeurant la capitale de l'île entière.
D'abord une colonie peuplée exclusivement de Génois, la ville s'ouvre lentement aux Corses, même si pratiquement jusqu'à la conquête française, les Ajacciens légalement citoyens de Gênes, se distingueront très volontiers des paesani insulaires, ces derniers habitant principalement le Borgu, faubourg à l'extérieur des remparts de la cité (l'actuelle rue Fesch en était l'artère principale).
Le rattachement à la France
Ajaccio fut occupée par les Français de 1553 à 1559, puis passa définitivement à la France en 1769 : après avoir vaincu l'armée royale à Borgo en octobre 1768, les patriotes de Pascal Paoli sont écrasés en mai 1769 à Ponte-Novu.
La ville fut faite par Napoléon Ier, qui en était originaire, la capitale de l'unique département de l'île au détriment de Bastia. C'est au cours des XIXe et XXe siècles qu'Ajaccio rattrapa son retard sur cette dernière et devint la ville la plus peuplée de l'île.
Au XIXe siècle, Ajaccio est une station d'hivernage très prisée de la haute société de l'époque, particulièrement anglaise, à l'instar de Monaco, Cannes, Nice. Une église anglicane fut même bâtie.
Le premier bagne pour enfants de France fut construit à Ajaccio en 1855 : la colonie horticole de Saint Antoine. C'était une colonie correctionnelle pour jeunes délinquants, (de 8 à 20 ans) établie en vertu de l'article 10 de la loi du 5 août 1850. Près de 1200 enfants venus de toute la France y séjournèrent jusqu'en 1866, date de sa fermeture. Cent soixante d'entre eux y périrent, victimes des conditions sanitaires déplorables, et de la malaria qui infestait les zones insalubres, qu'ils étaient chargés d'assainir13.
En 1862, Ajaccio cède une partie de son territoire, conjointement avec Alata, pour former la nouvelle commune de Villanova14.
Époque contemporaine
Le 9 septembre 1943, Ajaccio se soulève massivement contre l'occupant nazi15 et devient ainsi la première ville française libérée de la domination allemande. Le général de Gaulle se rend à Ajaccio le 8 octobre 1943, et déclare : "Nous devons sur le champ tirer la leçon de la page d'histoire que vient d'écrire la Corse française. La Corse a la fortune et l'honneur d'être le premier morceau libéré de la France; Ce qu'elle a fait éclater de ses sentiments et de sa volonté, à la lumière de sa libération, démontre que ce sont les sentiments et la volonté de la Nation tout entière".
Durant toute cette période, aucun juif n'a été exécuté ni déporté en Corse grâce à la protection accordée par ses habitants et son administrationréf. souhaitée. Cette particularité permet aujourd'hui à la Corse de prétendre à devenir juste parmi les nations, titre qu'aucune région n'a encore eu (en France, la seule collectivité territoriale à avoir obtenu ce titre est la commune altoligérienne du Chambon-sur-Lignon). Le dossier est en 2010 en cours d'étude16.
Depuis le milieu du XXe siècle, Ajaccio a connu un développement important. La cité impériale a connu un accroissement démographique et un étalement urbain considérable. Aujourd'hui capitale de la Corse et principale agglomération de l'île, elle cherche à s'affirmer comme une véritable métropole régionale17. 
141072 
171 Aker, Norge  10.759736  59.905467  Aker is a former municipality in Akershus, which lends its name to a municipality and a county in Norway. The name originally belonged to a farm which was located near the current Old Aker Church. The church in turn became the source of the name for the municipality and county.
History
Akers Herred had 6,375 inhabitants in 1769, and this number increased to 7,600 in 1801.Aker was established as a municipality January 1, 1838 (see formannskapsdistrikt). It was subdivided in 1861 into Østre and Vestre Aker, and in 1906 was further subdivided into Ullern and Nordstrand. On 1 January 1948 Aker municipality was incorporated into the city of Oslo. The municipality had 135,000 inhabitants and included the residential areas of Ullern, Vestre Aker, Østre Aker and Nordstrand, as well as the outlying areas were all incorporated into Oslo.
Since the city of Christiania was founded in 1624, Aker had been the source of territory for expansion of the city. The first expansion came as early as 1629, when a number of farms were transferred into the Bymarken area of the city. Bymarken was the land that surrounded Christiania until the city expansion in 1859. Bymarken was a commons in which citizens could engage in agriculture to their own housekeeping, and provide summer and winter fodder for livestock. Bymarken lay under the city’s civil administration, but for ecclesiastical purposes remained part of Aker's parish. Aker borders Bymarken on the west side of the Skillebekken, a former suburb of Oslo and on the east side, the river Akerselva. The entirety of Bymarken and portions of the Akerselva were incorporated into the city in 1859. Adjustments were made again in 1878 and Aker was finally fully incorporated into Oslo in 1948.
The name
The municipality (originally the parish) is named after the old Aker farms (Store Aker and Lille Aker) (Old Norse: Akr), since the first church was built there (see Gamle Aker kirke). The name is identical with the word akr m 'field, acre'. Many acres was considered holy in Norse times, and several was dedicated to the old Norse gods - see for instance Torsåker, Ullensaker and Ringsaker. 
129325 
172 Akersloot, Noord-Holland  4.731502532958984  52.561536709871845  Akersloot is een dorp in de gemeente Castricum, in de provincie Noord-Holland.
Het ligt tussen Uitgeest en Heiloo aan het Alkmaardermeer. Tot 1 januari 2002 was Akersloot een zelfstandige gemeente. Op die datum zijn de gemeenten Akersloot, Castricum en Limmen gefuseerd tot de nieuwe gemeente Castricum.
Voor 1 januari 1993 viel het zuidelijk deel van de polder de Schermer (met onder andere Zuidschermer) ook onder de gemeente Akersloot. 
712 
173 Akkerwoude, Dantumadeel, Friesland  5.974706  53.290680  Akkerwoude (Fries: Ikkerwâld) is een voormalig dorp in de Friese gemeente Dantumadeel. Op 1 januari 1971 werd het, samen met Dantumawoude en Murmerwoude samengevoegd tot Damwoude. Akkerwoude was het meest westelijk gelegen dorp van de drie.
Akkerwoude is gebouwd rond een kerk. De huidige kerk dateert uit 1849, deze is gebouwd op dezelfde plaats waar al eerder een kerk stond die vermoedelijk rond de 13e eeuw is gebouwd.
Eertijds was hier de coöperatieve zuivelfabriek "Dokkumer Wâlden en omstreken" gevestigd. Deze zuivelfabriek werd in 1899 opgericht op initiatief van dokter Van der Sluis en schoolmeester Woudstra. In 1969 fuseerde de zuivelfabriek met “Noordoostergo” te Dokkum en de fabriek in Akkerwoude sloot haar deuren. 
35577 
174 Akko, Israel  35.081667  32.927778  The city of Acre also pronounced Akko עַכּוֹ (Hebrew) or Akka عكّا (Arabic) - city names is in the Western Galilee district in northern Israel.
According to the Israel Central Bureau of Statistics (CBS), at the end of 2003 the city had a total population of 45,600. It stands on a low promontory at the northern extremity of the Bay of Acre, 152 kilometers (95 miles) N.N.W. from Jerusalem.
It was long regarded as the "Key of Palestine," on account of its commanding position on the shore of the broad coastal plain that joins the inland plain of Esdraelon, and so affords the easiest entrance to the interior of the country.
Notable sights and places in Acre
The old city of Acre has been designated by UNESCO as a World Heritage Site and contains, among other sites, a tunnel leading to a 13th century fortress of the Knights Templar.
Since the 1990s, there are vast works of archeological excavations and preservations of ancient structures in progress. The works are carried out by the Old Acre Development Company (OADC).
The walls
In 1750, Daher El-Omar, the ruler of Acre, utilized the remnants of the Crusader walls as a foundation for his walls. They were reinforced between 1775 and 1799 by Jezzar Pasha and survived Napoleon's siege. The wall was thin: its height was 10 to 13 metres (33 to 43 feet) and its thickness only one metre (3 feet).
A heavy land defense wall was built north and east to the city in 1800-1814 by Jezzar Pasha (called by the locals Al-Jezzar) and his Jewish advisor Haim Farkhi. This wall is the first notable thing to come into sight when coming to Acre. It is a modern counter artillery fortification which includes a thick defensive wall, a dry moat, cannon outposts and three Burges (large defensive towers).
The sea wall, which remains mostly complete, is the original El-Omar's wall that was reinforced by al-Jezzar.
The Great Mosque
Hamam is a hot Turkish bath. Acre's Hamam is notable mainly because it was used by the Irgun as a bridge to break into the citadel's prison.
The Citadel
The current building which consists the citadel of Acre is an Ottoman fortification, built on the foundation of the Hospitallerian citadel. The citadel was part of the city's defensive formation, reinforcing the northern wall.
During the 20th century the citadel was used mainly as a prison and as the site for a gallows. During the British mandate period, activists of Jewish Zionist resistance movements were held prisoner there; some were executed there. In 1947, members of the Irgun broke into the citadel and released many prisoners.
Today, the citadel of Acre contains the following:
* The Ottoman fortifications (including the tower and the moat).
* Acre Old City Visitor Centers.
* The "enchanted garden": a new garden that is planted according to historical description of the garden that was there during the Crusades period.
* Acre's British prison and the gallows.
* Memorial for Jewish resistance fighters executed during the British mandate.
* A Museum for the Jewish resistance prisoners, מוזיאון אסירי המחתרות .
* Prison cell of Bahá'u'lláh, Founder of the Bahá'í Faith.
* Knights' Halls (see below).
As of August 2004, the citadel is partly closed due to preservation work.
The Knights' Halls
Under the citadel and prison of Acre, archeological excavations revealed a complex of halls, which was built and used by the Hospitallers Knights. This complex was a part of the Hospitallers' citadel, which was combined in the northern wall of Acre.
The complex includes:
* Six semi-joint halls.
* One large hall, recently excavated.
* Dungeon.
* Dining room (with a tunnel).
* Posta and Crypta (remains of an ancient Gothic church).
(Those interested in medieval European remains should also visit the Church of Saint George and adjacent houses at the Genovese Square (called Kikar ha-Genovezim or Kikar Genoa in Hebrew). There were also residential quarters and marketplaces run by merchants from Pisa and Amalfi in Crusader and medieval Acre, so today there are also Pisa and Amalfi Squares in the old city.)
Bahá'í holy places
There are many Bahá'í holy places in and around Acre. They originate from Bahá'u'lláh's imprisonment in the Citadel during Ottoman Rule. The final years of Bahá'u'lláh's life were spent in the Mansion of Bahjí, just outside Acre, even though he was still formally a prisoner of the Ottoman Empire.
Bahá'u'lláh died on May 29, 1892 in Bahjí, and his shrine is the most holy place for Bahá'ís — their Qiblih, the location that Bahá'ís should face when saying their daily obligatory prayers. It contains the remains of Bahá'u'lláh and is near the spot where he died in the Mansion of Bahjí.
Other Bahá'í holy places in Acre include the House of `Abbúd (where Bahá'u'lláh and his family resided) and the House of `Abdu'lláh Páshá (where later 'Abdu'l-Bahá resided with his family), and the Garden of Ridván where Bahá'u'lláh enjoyed spending the later part of his life.
History
Few towns have had a more chequered or calamitous history. Of great antiquity, Acre is probably to be identified with the Aak of the tribute-lists of Thutmoses III (c. 1500 B.C.), and it is certainly the Akka of the Amarna letters. To the Hebrews it was known as Akko, but it is mentioned only once in the Old Testament, namely Judges 1:31, as one of the places from which the Israelites did not drive out the Canaanite inhabitants. Theoretically it was in the territory of the tribe of Asher, and Josephus assigns it by name to the district of one of Solomon's provincial governors. Throughout the period of Hebrew domination, however, its political connections were always with Syria rather than with the Philistines: thus, about 725 BC it joined Sidon and Tyre in a revolt against Shalmaneser V. It had a stormy experience during the three centuries preceding the Christian era.
The Greek and Roman periods
The Greek historians name it Ake (Josephus calls it also Akre); but the name was changed to Antiochia Ptolemais shortly after Alexander the Great's conquest, and then to Ptolemais, probably by Ptolemy Soter, after the partition of the kingdom of Alexander the Great.
Strabo refers to the city as once a rendezvous for the Persians in their expeditions against Egypt. About 165 BC Simon Maccabaeus defeated the Syrians in many battles in Galilee, and drove them into Ptolemais. About 153 BC Alexander Balas, son of Antiochus Epiphanes, contesting the Syrian crown with Demetrius, seized the city, which opened its gates to him. Demetrius offered many bribes to the Maccabees to obtain Jewish support against his rival, including the revenues of Ptolemais for the benefit of the Temple in Jerusalem, but in vain. Jonathan threw in his lot with Alexander, and in 150 BC he was received by him with great honour in Ptolemais. Some years later, however, Tryphon, an officer of the Syrians, who had grown suspicious of the Maccabees, enticed Jonathan into Ptolemais and there treacherously took him prisoner.
The city was also assaulted and captured by Alexander Jannaeus, by Cleopatra VII of Egypt and by Tigranes II of Armenia. Here Herod built a gymnasium, and here the Jews met Petronius, sent to set up statues of the emperor in the Temple, and persuaded him to turn back. St Paul spent a day in Ptolemais (Acts 21:7). A Roman colonia was established at the city, Colonia Claudii Cæsaris.
Arab rule and the Crusades
The Arabs captured the city in AD 638, and held it until they lost it to the crusaders in 1104. The latter made the town their chief port in Palestine. It was re-taken by Saladin in 1187, besieged by Guy of Lusignan in 1189 at the Siege of Acre, and again captured by Richard the Lionheart in 1191. It then became the capital of the remnant of the Kingdom of Jerusalem. In 1229 it was placed under the control of the Knights Hospitaller (whence came one of its alternative names). It was the final stronghold of the Crusader state, and fell to a bloody siege to the Mameluks in 1291. The Ottomans under Sultan Selim I captured the city in 1517, after which it fell into almost total decay. Maundrell in 1697 found it a complete ruin, save for a khan (caravanserai) occupied by some French merchants, a mosque and a few poor cottages.
(The Crusaders called the city "Acre" or "Saint-Jean d'Acre" since they mistakenly identified it with the Philistine city of Ekron, in southern Israel (Tel Miqne-Ekron). Josephus' mention of "Akre" should be checked to see exactly which city he was referring to.)
Ottoman rule
Towards the end of the 18th century it revived under the rule of Daher El-Omar, the local sheikh: his successor, Jezzar Pasha, governor of Damascus, improved and fortified it, but by heavy imposts secured for himself all the benefits derived from his improvements. About 1780 Jezzar peremptorily banished the French trading colony, in spite of protests from the French government, and refused to receive a consul.
In 1799 Napoleon, in pursuance of his scheme for raising a Syrian rebellion against Turkish domination, appeared before Acre, but after a siege of two months (March--May) was repulsed by the Turks, aided by Sir Sidney Smith and a force of British sailors. Having lost his siege cannons to Smith, Napoleon attempted to lay siege to the walled city defended by Ottoman troops on 20 March 1799, using only his infantry and small-caliber cannons, a strategy which failed, leading to his retreat two months later on May 21.
Jezzar was succeeded on his death by his son Suleiman, under whose milder rule the town advanced in prosperity till 1831, when Ibrahim Pasha besieged and reduced the town and destroyed its buildings. On November 4, 1840 it was bombarded by the allied British, Austrian and French squadrons, and in the following year restored to Turkish rule.
The British Mandate
The citadel of Acre was used by the British as a prison mainly for political prisoners, and as a location for a gallows. Jewish underground movement activists, such as Zeev Jabotinsky and Shlomo Ben-Yosef, an Irgun activist, were jailed in the citadel-prison of Acre. Ben-Yosef was the first Jew to be executed under the British mandate. According to the first census afte the British rule over Acre, the province's population was 100,000 inhabitants, most of who were Shiite Turks, Turkmen, Azeris, Persians, Bosnians, Albanians, and Circassians, and Greeks. it included modern cities of Sidon, Tyre, Nabatiye, Nahariye, and some other inner villages and towns such as Ummi Faraj, Mazraa, Dir Qasi...etc.
On May 4, 1947, the Irgun broke into the Acre citadel prison in order to release Jewish activists imprisoned there by the British. Some 255 inmates escaped, the majority Arab . Twenty-seven prisoners from armed Jewish groups escaped (20 from Irgun, seven from Lehi). In the immediate aftermath of the raid, nine were killed, five attackers and eight escapees were captured.
Despite the heavy toll in human lives, the action was described by foreign journalists as "the greatest jail break in history." The London Ha'aretz correspondent wrote on May 5:
"The attack on Acre jail has been seen here as a serious blow to British prestige... Military circles described the attack as a strategic masterpiece."
The New York Herald Tribune wrote that the underground had carried out "an ambitious mission, their most challenging so far, in perfect fashion." Of the five captured attackers, three who had been carrying weapons were tried and sentenced to death; the other two, minors who were unarmed when captured, received life sentences.
Israeli rule
Acre fell under territory assigned by the 1947 UN Partition Plan to a future Arab State in Palestine. The plan was rejected by the Palestinian Arabs. The town was captured by the Jewish Haganah on May 17, 1948, during the 1948 Arab-Israeli War. About three-fourths of its Arab population (1944 est. pop. 13,000) fled from the city during this time.
The old city of Akko has been designated by UNESCO as a World Heritage Site and contains a tunnel leading to a 13th century fortress of the Knights Templar. Since the 1990s, there are vast works of archeological excavations and preservations of ancient structures in progress. Akko has one of the higher proportions of non-Jews of any of Israel's cities, including roughly 45 percent Christians, Muslims, Druze and Bahá'ís. The city is a magnet for tourists and the home of the country's steel industry. It also produces exports including iron, chemicals, and textiles.
Notes
1. ^ Modern spellings:
Arabic: عكّا ‘Akká
Hebrew עַכּוֹ
Standard Hebrew ʻAkko
Tiberian Hebrew ʻAkkô
Bahá'í orthography `Akká
Other spellings and historical names of the city include Accho, Acco, and formerly Aak, Ake, Akre, Akke, Ocina, Antiochia Ptolemais (Greek: Αντιόχεια της Πτολεμαΐδος), Antiochenes, Ptolemais Antiochenes, Ptolemais or Ptolemaïs, Colonia Claudii Cæsaris, and St.-Jean d'Acre (Acre for short) 
36425 
175 Akkrum, Utingeradeel, Friesland  5.83555555555556  53.0488888888889  Akkrum is een van de achttien dorpen in de gemeente Boornsterhem (Boarnsterhim) in de Nederlandse provincie Friesland. Het ligt naast het dorpje Nes, waardoor er ook gesproken wordt van Akkrum-Nes. Het dorp Akkrum telt 3156 inwoners (1 januari 2005).
Het dorp is gelegen aan het riviertje de Boorne, dichtbij de Leppa Akwadukt, waarbij de autosnelweg A32 tussen Heerenveen en Leeuwarden toebehoort. Tot Akkrum behoort ook de buurtschap Oude Schouw.
Een monument in het dorp is de hervormde kerk uit de 18de eeuw met gebrandschilderde ramen uit dezelfde bouwperiode. 
38380 
176 Akmarijp, Utingeradeel, Friesland  5.788078308105469  53.00525525813331  Akmarijp (Fries: Eagmaryp) is een dorp in de gemeente Scharsterland in de Nederlandse provincie Friesland. Het dorp telt ongeveer 115 inwoners.
Tot de gemeentelijke herindeling in 1984 maakte Akmarijp deel uit van de voormalige gemeente Utingeradeel. Op de begraafplaats staat ook één van de Klokkenstoelen in Friesland.
Bevolkingsontwikkeling
* 2004 - 115
* 2003 - 115
* 2002 - 114
* 1999 - 123 
225 
177 Akron, Summit County, Ohio, USA  -81.51529312133789  41.07794069267729  Akron (pronounced /ˈækrən/) from the Greek word Acropolis, meaning city at high point, is the fifth largest city in the U.S. state of Ohio and the county seat of Summit County. It is located in the Great Lakes region approximately 39 miles south of Lake Erie along the Little Cuyahoga River. As of the 2010 census, the city proper had a total population of 199,110. The Akron Metropolitan Statistical Area, covers both, Summit and Portage counties. In 2010, the area had a population of 703,200. Akron is also part of the larger Cleveland-Akron-Elyria Combined Statistical Area, which in 2010 had a population of 2,780,440.
Co-founded by Paul Williams and surveyor of the Connecticut Western Reserve General Simon Perkins, Akron was settled in 1825 as a strategic point at the summit of the developing Ohio and Erie Canal. Williams arrived in the area during 1811 and suggested the settlement to Perkins whom been in Ohio since 1807. Due to Eliakim Crosby founding "North Akron"(Cascade) in 1833, "South" was added to Akron's name until they unified in 1836 becoming incorporated later that year. In 1840 Summit County formed from portions of Portage, Medina, and Stark counties. Akron replaced Cuyahoga Falls as its county seat a year later and opened a canal connecting to Beaver, Pennsylvania helping to birth the stoneware, sewer pipe, fishing tackle, and farming equipment industries. In 1844 Abolitionist John Brown moved into the John Brown House across the street from business partner Colonel Simon Perkins whom lived in the Perkins Stone Mansion. Numerous Congregational, Baptist, and Presbyterian churches erected between the 1870s and World War I were built using the Akron Plan.
During the 1910-1920 decade Akron was the fastest growing city in the country and experienced a 201.8% population increase becoming a boom town. World-renowned industries including the cereal, lamp, toy & marble, and tire & rubber were flourishing in the city at the time. It became "The Rubber Capital of the World" owing to its location along canals, railroads, and interstate.clarification needed Having landmarks such as the All-America Bridge, Akron is one of the nation's pioneer cities producing the first championship teams for the American Professional Football Association (National Football League) and the National Basketball League (National Basketball Association).clarification needed The University of Akron which has both the Goodyear Polymer Center and the National Polymer Innovation Center on campus, is the center of the Polymer Valley which is a leader in polymer research and production. In 2001 for its contributions to the Information Age Newsweek named Akron 5th on the list of ten high tech havens. It was also granted awards by World's most livable cities, the National Civic League, and the National Arbor Day Foundation. Akron is also host to the All-American Soapbox Derby, the National Hamburger Festival, Founders Day(Alcoholics Anonymous), Road Runner Akron Marathon, and will be the venue for some events of the 2014 Gay Games.
Residents of Akron are referred to as "Akronites", of which LeBron James is widely noted being nicknamed The Akron Hammer. Nicknames for the city include "The Rubber City" and "City of Invention". At one time home to all four major tire makers (Goodrich, Goodyear, Firestone, General Tire), it also gained the nickname "Tire City".
History
In 1811, Paul Williams settled near the corner of what is now Buchtel and Broadway and suggested to surveyor of the Connecticut Western Reserve General Simon Perkins the co-founding of a town at the summit of the developing Ohio and Erie Canal. The name derived from the Greek word ἄκρον signifying an elevation. Laid out in December 1825, where the South Akron neighborhood now is; Irish laborers working on the Ohio Canal built approximately 100 cabins nearby in autumn. Due to Eliakim Crosby founding "North Akron" (Cascade) in 1833, "South" was added to Akron's name up until the two merged and became an incorporated village in 1836. In 1840 Summit County formed from portions of Portage, Medina, and Stark counties. Akron replaced Cuyahoga Falls as its county seat a year later and opened a canal connecting to Beaver, Pennsylvania, helping birth the stoneware, sewer pipe, fishing tackle, and farming equipment industries. In 1844, Abolitionist John Brown moved into the John Brown House across the street from business partner Colonel Simon Perkins whom lived in the Perkins Stone Mansion. The Akron School Law of 1847 began the K-12 grade school system, which currently is used in every U.S. state.
1850s-1890s: Summit City
When the Ohio Women's Rights Convention came to Akron in 1851, Sojourner Truth extemporaneously delivered her speech named Ain't I A Woman?, at the Universalist Old Stone Church. Associated with the church, John R. Buchtel founded Buchtel College in 1870, renamed the University of Akron in 1913. Purchasing a mill in 1856, Ferdinand Schumacher mass-produced oat bars which the Union Army were supplied with during the American Civil War, becoming high in demand afterwords. Akron incorporated as a city in 1865. Philanthropist Lewis Miller, Walter Blythe, and architect Jacob Snyder designed the widely used Akron Plan, debuting it on Akron's First Methodist Episcopal Church in 1872. Numerous Congregational, Baptist, and Presbyterian churches built between the 1870s and World War I use it. In 1883, local journalist began the modern day toy industry by founding the Akron Toy Company. A year later, the first popular toy was mass produced clay marbles made by Samuel C. Dyke at his shop where Lock 3 Park is now located. Others popular inventions include rubber balloons; ducks; dolls; balls, Baby Buggy Bumper, and Little Brown Jug. In 1895, the first long distance electric railway, the Akron, Bedford and Cleveland Railroad, began service. On 25 August 1889, the Boston Daily Globe referred to Akron with the nickname "Summit City". To assist local police, the city deployed the first police car in the U.S. running on electricity.
1900s-1990s: Rubber Capital of the World
The Riot of 1900 resulted in city officials being assaulted, two deaths, plus Columbia Hall and the City Building burning to the ground. The American trucking industry was birthed through Akron's Rubber Capital of the World era when the four major tire companies Goodrich Corporation (1869), Goodyear Tire and Rubber Company (1898), Firestone Tire and Rubber Company (1900), and General Tire (1915) was headquartered in the city. The numerous jobs the rubber factories provided for deaf people led to Akron being nicknamed the "Crossroads of the Deaf". On Easter Sunday of 1913, Akron's total rainfall was recorded at 9.55 inches resulting in a flood which killed five citizens and destroyed the Ohio and Erie Canal system. From 1916-1920 10,000 school girls took part in the successful Akron Experiment, testing iodized salt to prevent goiter in what was known as the "Goiter Belt".
Rubber companies responded to housing crunches by building affordable housing for workers. Goodyear's president, Frank Seiberling, built the Goodyear Heights neighborhood for employees. Likewise, Harvey Firestone built the Firestone Park neighborhood for his employees. During the 1910-1920 decade Akron became a boom town being America's fastest growing city with a 201.8% increase in population. Of the 208,000 citizens, almost one-third were immigrants (also Clark Gable) and their children from places including Europe and West Virginia. In 1925 Goodyear's subsidiary Zeppelin Company began manufacturing airships used in World War II and eventually blimps for advertising purposes. Akron again grew when Kenmore was annexed by voter approval on November 6, 1928. Found hiding under a bed at one of his hideouts in the city, notorious bank robber Charles Arthur "Pretty Boy" Floyd was arrested under the name "Frank Mitchell" in March 1930. Goodyear became America's top tire manufacturer after merging with The Kelly-Springfield Tire Company in 1935. Lasting five weeks and consisting of roughly 5,000 strikers including union sympathizers from other factories and neighboring states, the Akron Rubber Strike of 1936 successfully used "sit-down" tactic being organized by the United Rubber Workers. During the 1950s-60s Akron surged as use of the automobile did. The historic Rubber Bowl was used by the National Guard of the United States as a base during the racial Wooster Avenue Riots of 1968. Like many other industries of the Rust Belt, both the tire and rubber experienced major decline resulting from multiple labor union strikes occurring from the 70s-80s. By the early 1990s, Goodyear was the last major tire manufacturer based in Akron.
2000s: City of Invention
Despite the number of rubber workers decreasing by approximately half from 2000–07, Akron's research in polymers gained international notoriety. It now centers the Polymer Valley which consist of 400 polymer-related companies of which 94 was located within the city itself. Research is focused at the University of Akron which is home to the Goodyear Polymer Center and National Polymer Innovation Center, and first College of Polymer Science and Polymer Engineering. Due to its contributions to the Information Age, Newsweek's listed Akron 5th of ten high tech havens in 2001. In 2008 "City of Invention" was added to the seal when the All-America City Award was received for the 3rd time. Summit County has received the nickname "Meth Capital of Ohio" ranking 3rd in the number of registered sites due mainly to homemade methamphetamine in Akron. In September 2009 it was announced that some events of the 2014 Gay Games will use the city as a venue. 
83581 
178 Al Sarafand, Israel  34.955682  32.731532  Until 1948, Al-Sarafand was an Arab village close to the Mediterranean shore south of Haifa.
It is not known when the village was founded, or how the name originated. However, from Ottoman records it is known that in the 16-th century it was a small village with 11 households. The inhabitants grew wheat, barley, summer crops such as corn, beans, melons, and vegetables, and raised goats.
In 1948 the population was about 300, predominantly Muslim. During the 1948 Arab-Israeli war, the inhabitants fled in several stages. Most left in early May but some returned and remained until they were expelled in July. Most of the inhabitants fled to the southeast line of Wadi Ara, where the Iraqi army was stationed. Later, they crossed the Jordan River, and since then the majority of al-Sarafand’s refugees have been living in Jordan. Only one former resident of al-Sarafand remained in Israel. The village houses were not immediately demolished by the Israelis and remained empty for many years. When they were eventually destroyed, the mosque was the only building spared.
In 1999, the 'Aqsa Society for the Preservation of Islamic Holy Sites' decided to restore al-Sarafand’s mosque. In May 2000, while restoration was on the verge of completion, the mosque was destroyed overnight by a bulldozer. The perpetrator was never identified. The activists covered the ruins by a large tent and maintained a vigil at the site. Removal of the tent was negotiated with the Israeli authorities. It was agreed that the site would be fenced to protect it, but that did not happen and the activists built a more permanent structure. The latter was demolished by the police in March 2002, but the ruined mosque continues to be used for Friday prayers. According to the Or Commission report, Israeli authorities did not grant a license for rebuilding the mosque after the demolition; a decision that contributed to the souring of relations between Muslims and the authorities. The Or Commission report also claims that activities by Islamic organizations such as the aforementioned society may be using religious pretenses to further political aims. The commission describes such actions as a factor in 'inflaming' the Muslim population in Israel against the authorities, and cites the Sarafand mosque episode, with Muslims' attempts to restore the mosque and Jewish attempts to stop them, as an example of the 'shifting of dynamics' of the relationship between Muslims and the Israeli authorities. 
34705 
179 Al-Iskandariya, Egypt  29.9443  31.2135  Alexandria (Egyptian: Raqd.t; Coptic: Ⲣⲁⲕⲟⲧⲉ Rakotə; Egyptian Arabic: اسكندريه Eskendereyya; Arabic: الإسكندرية Al-Iskandariya; Greek, Ἀλεξάνδρεια), with a population of 3.5 to 5 million, is the second-largest city in Egypt, and is the largest seaport that serves about 80% of all of Egypt's imports and exports. Alexandria is also a very important tourist resort.
Alexandria extends about 32 km (20 miles) along the coast of the Mediterranean sea in north-central Egypt. It is home to the Bibliotheca Alexandrina (the new Library of Alexandria), and is an important industrial centre because of its natural gas and oil pipelines from Suez. Alexandria was also an important trading post between Europe and Asia, because it profited from the easy overland connection between the Mediterranean Sea and the Red Sea
In ancient times, Alexandria was one of the most famous cities in the world. It was founded around a small pharaonic town c. 331 BC by Greek Macedonian king Alexander the Great. It remained Egypt's capital for nearly a thousand years, until the Muslim conquest of Egypt in 641 AD when a new capital was founded at Fustat, later absorbed into Cairo.
Alexandria was known for the Lighthouse of Alexandria (one of the Seven Wonders of the Ancient World), the Library of Alexandria (the largest library in the ancient world) and the Catacombs of Kom el Shoqafa (one of the Seven Wonders of the Middle Ages). Ongoing maritime archaeology in the harbour of Alexandria, which began in 1994, is revealing details of Alexandria both before the arrival of Alexander, when a city named Rhakotis existed there, and during the Ptolemaic dynasty.
History
Alexandria was founded by Alexander the Great in 332 BC as Ἀλεξάνδρεια (Alexándreia). Alexander's chief architect for the project was Dinocrates. Alexandria was intended to supersede Naucratis as a Hellenistic center in Egypt, and to be the link between Greece and the rich Nile Valley. An Egyptian townlet, Rhakotis, already existed on the shore and was a resort filled with fishermen and pirates. A few months after the foundation, Alexander left Egypt for the East and never returned to his city. After Alexander departed, his viceroy, Cleomenes, continued the expansion. In a struggle with the other successors of Alexander, his general Ptolemy succeeded in bringing Alexander's body to Alexandria.
Though Cleomenes was mainly in charge of seeing to Alexandria's continuous development, the Heptastadion and the main-land quarters seem to have been mainly Ptolemaic work. Inheriting the trade of ruined Tyre and becoming the center of the new commerce between Europe and the Arabian and Indian East, the city grew in less than a generation to be larger than Carthage. In a century, Alexandria had become the largest city in the world and for some centuries more, was second only to Rome. It became the main Greek city of Egypt, with an extraordinary mix of Greeks from many cities and backgrounds.
Alexandria was not only a center of Hellenism but was also home to the largest Jewish community in the world. The Septuagint, a Greek translation of the Hebrew Bible, was produced there. The early Ptolemies kept it in order and fostered the development of its museum into the leading Hellenistic centre of learning (Library of Alexandria) but were careful to maintain the distinction of its population's three largest ethnicities: Greek, Jewish, and Egyptian. From this division arose much of the later turbulence, which began to manifest itself under Ptolemy Philopater who reigned from 221–204 BC. The reign of Ptolemy VIII Physcon from 144–116 BC was marked by purges and civil warfare.
The city passed formally under Roman jurisdiction in 80 BC, according to the will of Ptolemy Alexander but only after it had been under Roman influence for more than a hundred years. In 115 AD Alexandria was destroyed during the Jewish-Greek civil wars which gave Hadrian and his architect, Decriannus, an opportunity to rebuild it. In 215 AD the emperor Caracalla visited the city and, because of some insulting satires that the inhabitants had directed at him, abruptly commanded his troops to put to death all youths capable of bearing arms. On 21 July 365, Alexandria was devastated by a tsunami (365 Crete earthquake), an event two hundred years later still annually commemorated as "day of horror". In the late 4th century, persecution of pagans by newly Christian Romans had reached new levels of intensity. In 391, Emperor Theodosius I ordered the destruction of all pagan temples, and the Patriarch Theophilus, complied with his request. The Brucheum and Jewish quarters were desolate in the 5th century. On the mainland, life seemed to have centered in the vicinity of the Serapeum and Caesareum, both which became Christian churches. The Pharos and Heptastadium quarters, however, remained populous and were left intact.
In 616, Alexandria was taken by Khosrau II, King of Persia. Although the Byzantine Emperor Heraclius recovered it a few years later, in 641 the Arabs, under the general Amr ibn al-As during the Muslim conquest of Egypt, captured it decisively after a siege that lasted fourteen months. Alexandria figured prominently in the military operations of Napoleon's expedition to Egypt in 1798. French troops stormed the city on July 2, 1798 and it remained in their hands until the arrival of the British expedition in 1801. The British won a considerable victory over the French at the Battle of Alexandria on March 21, 1801, following which they besieged the city which fell to them on 2 September 1801. Mohammed Ali, the Ottoman Governor of Egypt, began rebuilding the city around 1810, and by 1850, Alexandria had returned to something akin to its former glory. In July 1882 the city came under bombardment from British naval forces and was occupied. In July 1954, the city was a target of an Israeli bombing campaign that later became known as the Lavon Affair. Only a few months later, Alexandria's Manshia Square was the site of the famous, failed assassination attempt on the life of Gamal Abdel Nasser.
Layout of the ancient city
The Greek Alexandria was divided into three regions:
Brucheum
the Royal or Greek quarter, forming the most magnificent portion of the city. In Roman times Brucheum was enlarged by the addition of an official quarter, making up four regions in all. The city was laid out as a grid of parallel streets, each of which had an attendant subterranean canal;
The Jews' quarter
forming the northeast portion of the city;
Rhakotis
occupied chiefly by Egyptians (from Coptic Rakotə "Alexandria").
Two main streets, lined with colonnades and said to have been each about 60 metres (200 feet) wide, intersected in the centre of the city, close to the point where the Sema (or Soma) of Alexander (his Mausoleum) rose. This point is very near the present mosque of Nebi Daniel; and the line of the great East–West "Canopic" street, only slightly diverged from that of the modern Boulevard de Rosette. Traces of its pavement and canal have been found near the Rosetta Gate, but better remnants of streets and canals were exposed in 1899 by German excavators outside the east fortifications, which lie well within the area of the ancient city.
Alexandria consisted originally of little more than the island of Pharos, which was joined to the mainland by a mole nearly a mile long (1260 m) and called the Heptastadion ("seven stadia" — a stadium was a Greek unit of length measuring approximately 180 m). The end of this abutted on the land at the head of the present Grand Square, where the "Moon Gate" rose. All that now lies between that point and the modern "Ras Al Teen" quarter is built on the silt which gradually widened and obliterated this mole. The "Ras Al Teen" quarter represents all that is left of the island of Pharos, the site of the actual lighthouse having been weathered away by the sea. On the east of the mole was the Great Harbour, now an open bay; on the west lay the port of Eunostos, with its inner basin Kibotos, now vastly enlarged to form the modern harbour.
In Strabo's time, (latter half of 1st century BC) the principal buildings were as follows, enumerated as they were to be seen from a ship entering the Great Harbour.
1. The Royal Palaces, filling the northeast angle of the town and occupying the promontory of Lochias, which shut in the Great Harbour on the east. Lochias (the modern Pharillon) has almost entirely disappeared into the sea, together with the palaces, the "Private Port" and the island of Antirrhodus. There has been a land subsidence here, as throughout the northeast coast of Africa.
2. The Great Theatre, on the modern Hospital Hill near the Ramleh station. This was used by Caesar as a fortress, where he withstood a siege from the city mob after the battle of Pharsalus
3. The Poseidon, or Temple of the Sea God, close to the Theatre
4. The Timonium built by Mark Antony
5. The Emporium (Exchange)
6. The Apostases (Magazines)
7. The Navalia (Docks), lying west of the Timonium, along the sea-front as far as the mole
8. Behind the Emporium rose the Great Caesareum, by which stood the two great obelisks, each of which become known as “Cleopatra's Needle”, and were transported to New York City and London. This temple became, in time, the Patriarchal Church, though some ancient remains of the temple have been discovered. The actual Caesareum, the parts not eroded by the waves, lies under the houses lining the new sea-wall.
9. The Gymnasium and the Palaestra are both inland, near the Boulevard de Rosette in the eastern half of the town; sites unknown.
10. The Temple of Saturn; site unknown.
11. The Mausolea of Alexander (Soma) and the Ptolemies in one ring-fence, near the point of intersection of the two main streets
12. The Musaeum with its famous Library and theatre in the same region; site unknown.
13. The Serapeum, the most famous of all Alexandrian temples. Strabo tells us that this stood in the west of the city; and recent discoveries go far as to place it near “Pompey's Pillar” which was an independent monument erected to commemorate Diocletian's siege of the city.
The names of a few other public buildings on the mainland are known, but there is little information as to their actual position. None, however, are as famous as the building that stood on the eastern point of Pharos island. There, the The Great Lighthouse, one of the Seven Wonders of the World, reputed to be 138 meters (450 ft) high, was sited. The first Ptolemy began the project, and the second Ptolemy completed it, at a total cost of 800 talents. It took 12 years to complete and served as a prototype for all later lighthouses in the world. The light was produced by a furnace at the top and the tower was built mostly with solid blocks of limestone. The Pharos lighthouse was destroyed by an earthquake in the 14th century, making it the second longest surviving ancient wonder next to the Great Pyramid of Giza. A temple of Hephaestus also stood on Pharos at the head of the mole.
In the first century, the population of Alexandria contained over 180,000 adult male citizens (from a papyrus dated 32 CE), in addition to a large number of freedmen, women, children and slaves. Estimates of the total population range from 500,000 to over 1,000,000, making it one of the largest cities ever built before the Industrial Revolution and the largest pre-industrial city that was not an imperial capital.
Ancient remains
Very little of the ancient city has survived into the present day. Much of the royal and civic quarters sank beneath the harbour due to earthquake subsidence, and the rest has been rebuilt upon in modern times.
"Pompey's Pillar" is the best-known ancient monument still standing today. It is located on Alexandria's ancient acropolis — a modest hill located adjacent to the city's Arab cemetery — and was originally part of a temple colonnade. Including its pedestal, it is 30 m (99 ft) high; the shaft is of polished red granite, roughly three meters in diameter at the base, tapering to two and a half meters at the top. The structure was plundered and demolished in the 4th century when a bishop decreed that Paganism must be eradicated. "Pompey's Pillar" is a misnomer, as it has nothing to do with Pompey, having been erected in 293 for Diocletian, possibly in memory of the rebellion of Domitius Domitianus. Beneath the acropolis itself are the subterranean remains of the Serapeum, where the mysteries of the god Serapis were enacted, and whose carved wall niches are believed to have provided overflow storage space for the ancient Library.
Alexandria's catacombs, known as Kom al Sukkfa, are a short distance southwest of the pillar, consist of a multi-level labyrinth, reached via a large spiral staircase, and featuring dozens of chambers adorned with sculpted pillars, statues, and other syncretic Romano-Egyptian religious symbols, burial niches and sarcophagi, as well as a large Roman-style banquet room, where memorial meals were conducted by relatives of the deceased. The catacombs were long forgotten by the citizens until they were discovered by accident in the 1800s.
The most extensive ancient excavation currently being conducted in Alexandria is known as Kom al Dikka, and it has revealed the ancient city's well-preserved theatre, and the remains of its Roman-era baths.
Antiquities
Persistent efforts have been made to explore the antiquities of Alexandria. Encouragement and help have been given by the local Archaeological Society, and by many individuals, notably Greeks proud of a city which is one of the glories of their national history.
The past and present directors of the museum have been enabled from time to time to carry out systematic excavations whenever opportunity is offered; D. G. Hogarth made tentative researches on behalf of the Egypt Exploration Fund and the Society for the Promotion of Hellenic Studies in 1895; and a German expedition worked for two years (1898–1899). But two difficulties face the would-be excavator in Alexandria: lack of space for excavation and the underwater location of some areas of interest.
Since the great and growing modern city stands right over the ancient one, it is almost impossible to find any considerable space in which to dig, except at enormous cost. Also, the general subsidence of the coast has sunk the lower-lying parts of the ancient town under water. This underwater section, containing much of the most interesting sections of the Hellenistic city, including the palace-quarter, is still being extensively investigated by the French underwater archaeologist Franck Goddio and his team and . It raised a noted head of Caesarion. These are even being opened up to tourists, to some controversy .
The spaces however, that are most open are the low grounds to northeast and southwest, where it is practically impossible to get below the Roman strata.
The most important results were those achieved by Dr. G. Botti, late director of the museum, in the neighbourhood of “Pompey's Pillar”, where there is a good deal of open ground. Here substructures of a large building or group of buildings have been exposed, which are perhaps part of the Serapeum. Nearby immense catacombs and columbaria have been opened which may have been appendages of the temple. These contain one very remarkable vault with curious painted reliefs, now lighted by electricity and shown to visitors.
The objects found in these researches are in the museum, the most notable being a great basalt bull, probably once an object of cult in the Serapeum. Other catacombs and tombs have been opened in Kom el-Shuqafa (Roman) and Ras et-Tin (painted).
The German excavation team found remains of a Ptolemaic colonnade and streets in the north-east of the city, but little else. Hogarth explored part of an immense brick structure under the mound of Kom el-Dika, which may have been part of the Paneum, the Mausolea or a Roman fortress.
The making of the new foreshore led to the dredging up of remains of the Patriarchal Church; and the foundations of modern buildings are seldom laid without some objects of antiquity being discovered. The wealth underground is doubtlessly immense; but despite all efforts, there is not much for antiquarians to see in Alexandria outside the museum and the neighbourhood of “Pompey's Pillar”. The native tomb-robbers, well-sinkers, dredgers and the like, however, come upon valuable objects from time to time, most of which find their way into private collections. 
61220 
180 Al-Jazā'ir  2.63671875  30.3804581480654  lgeria (الجزائر, Al Jaza'ir IPA: ælʤæˈzæːʔir, Berber: Image:Algeria in Tifinagh.svg, Dzayer ldzæjər), officially the People's Democratic Republic of Algeria, is a nation in North Africa. It is the second largest country on the African continent and the 11th largest country in the world in terms of total area. It is bordered by Tunisia in the northeast, Libya in the east, Niger in the southeast, Mali and Mauritania in the southwest, a few kilometers of the Western Sahara in the west, Morocco in the northwest, and the Mediterranean Sea in the north.
Algeria is a member of the United Nations, African Union, Arab League, and OPEC. It also contributed towards the creation of the Arab Maghreb Union. Constitutionally, Algeria is defined as an Islamic, Arab, and Amazigh (Berber) country. 
61343 
181 Al-Qâhira, Egypt  31.227200  30.057100  Cairo (Arabic: القاهرة transliteration: al-Qāhira), which means "the Triumphant" is the capital and largest city of Egypt. It is the Arab World's largest and Africa's most populous city. While Al-Qahirah is the official name of the city, in Egyptian Arabic it is called by the dialect's name for the country, Masr. (Egypt's first Arab capital, Fustat, was known as Misr al-Fustat, "City of the Tents".)
Cairo was founded by the Fatimid caliphs as a royal enclosure. It replaced Fustat as the seat of the government. It later came under the Mamluks, was ruled by the Ottomans 1517 to 1798, and briefly occupied by Napoleon. Muhammad Ali of Egypt made Cairo the capital of his independent empire from 1805 to 1882, after which the British took control of it until Egypt attained independence in 1922.
Cairo has a population of about 8 million people, according to the 2006 population census. The number of inhabitants was about a million higher at the time of the census, but this was adjusted downwards on the 17th of April 2008 when the new governorate of Helwan was created from parts of a.o. Cairo governorate. Cairo's metropolitan area has a population of about 17.8 million people. Cairo is the sixteenth most populous metropolitan area in the world. It is also the most populous metropolitan area in Africa.
Today, Cairo homes various historic towns and modern districts. A journey through Cairo is virtual time travel: from the Pyramids, the Hanging Church, Saladin's Citadel, the Virgin Mary's Tree, the Sphinx, and Heliopolis, to Al-Azhar, the Mosque of Amr ibn al-A'as, Saqqara, the Cairo Tower, and the Old City. It is nicknamed "The City of A Thousand Minarets". It is near the site of the first capital of unified Egypt, Memphis. 
64814 
182 Alagon, Aragón, España  -1.1236095428466797  41.77115804791854  Alagón es un municipio de la Provincia de Zaragoza (España). Es la capital de la comarca de Ribera Alta del Ebro y forma parte del Área metropolitana de Zaragoza.
Historia editar
En torno a la plaza del Castillo se ubicó el más antiguo asentamiento humano conocido, la ciudad ibérica de Alaun. Era la más oriental de las ciudades vasconas y acuñó moneda con inscripciones alfabeto íbero. Sus habitantes ya conocían la agricultura de regadío, como se desprende del bronce de Contrebia, que con fecha de 15 de mayo del año 87 antes de Cristo, relata un pleito entre los habitantes de Alaun y Salluie (Zaragoza) motivado por el trazado de una acequia por terrenos comprados a los sosinestranos. En la actualidad aquella antigua acequia sigue en funcionamiento, hoy llamada de la Almozara, siendo probablemente una de las más antiguas de España.
Con el nombre de Allabone, durante el período romano era una de las mansiones de la vía que por Turiaso (Tarazona) se dirigía a Asturica (Astorga) procedente de Caesaraugusta (Zaragoza).
En el año 714, el Islam llega al Valle del Ebro, siendo Alagón población importante de la Marca Superior de Al-Andalus, de la cual Zaragoza era su capital. En su castillo durmió el 14 de octubre del 935 el califa Abderraman III. De este período, que acaba en 1118 con la conquista cristiana de Alfonso I, se conservan parte de sus murallas, el alminar de su mezquita -hoy campanario de San Pedro- y abundante toponimia como la plaza de la Alhóndiga, donde se situaba la posada o "funduq" y el barrio de La Jarea-As-Sari´a-, lugar extramuros en donde se reunía todo el pueblo en ciertas festividades.
A lo largo de la Edad Media, Alagón, en donde se celebraron Cortes Aragonesas, fue centro cristiano de una comarca con mayoría de población mudéjar dedicada a la agricultura. Junto a los cristianos había en Alagón una poderosa aljama judía, ubicada en torno a la replaceta Virto.
A partir del siglo XVI, el caserío se extiende hacia el NE en torno a la calle Mayor y la plaza Nueva (hoy de España), englobando barrios preexistentes como el de San Juan. En el siglo XVIII, los jesuitas edifican un colegio, dedicado a San Antonio, en el solar de la antigua Judería. A fines de siglo, el Canal Imperial de Aragón salva en Alagón el mayor escollo que tenía para llegar a Zaragoza, construyéndose un magnífico acueducto sobre el río Jalón, popularmente conocido como El Caracol.
Finalmente, el siglo XX supone para Alagón el nacimiento de actividades industriales que se añaden a las tradicionales agrícola y comercial, instalándose en 1.905 la Azucarera y por último, en 1.980, Opel España en la vecina localidad de Figueruelas.
Alagón, Zaragoza, a municipality in Spain 
76274 
183 Alameda County, California, USA  -121.921235  37.680106  Alameda County is a county in the U.S. state of California. It occupies most of the East Bay region of the San Francisco Bay Area. As of the 2000 census it had a population of 1,443,741, making it the 7th largest county in the state. The county seat is Oakland.
Alameda County currently has the highest sales tax rate in California, 8.75%.
History
The county was formed on March 25, 1853 from a large portion of Contra Costa County and a smaller portion of Santa Clara County.
The word 'alameda' means 'a place where poplar trees grow', a name which originally was given to the Arroyo de la Alameda (Poplar Grove Creek). The willow and sycamore trees along the banks of the river reminded the early explorers of a road lined with trees, also known as an 'alameda'.
The county seat at the time it was formed was located at Alvarado; it was moved to San Leandro in 1856 where the county courthouse was destroyed by the devastating 1868 quake on the Hayward Fault. The county seat was then re-established in the town of Brooklyn from 1872-1875. Brooklyn is now part of Oakland, which has been the county seat since 1873.
Much of what is now considered an intensively urban region, with major cities, was developed as a trolley car suburb of San Francisco in the late 19th and early 20th centuries. The historical progression from native American tribal lands to Spanish, then Mexican ranches, thence to farms, ranches, and orchards, suburbs and eventually cities, is shared with the adjacent Contra Costa County (see that article for an extensive history applicable to this county). 
48791 
184 Alamín, Guadalajara, Castilla y La Mancha, España  -3.161279  40.664469  El Barranco del Alamín es un barranco natural situado en la parte norte de la ciudad de Guadalajara en España. Fue utilizado como barrera defensiva junto con el barranco de San Antonio y el Río Henares de dicha ciudad desde sus orígenes.
Se levantaron murallas de origen árabe, siendo después reformadas por los cristianos después de la reconquista de la ciudad en el 1085 por Álvar Fáñez, sobrino del Cid Campeador, que flanqueaban todo el barrio musulmán y parte del judío, desde el Álcazar Real hasta la puerta de Bejanque, pasando por la del Torreon del Alamín con su puente de las Infantas, edificado en los años de reinado de Sancho IV y llamado así por sus hijas, señoras de Guadalajara.
Con la llegada de los siglos XIX y XX la figura de las murallas pierde su valor estratégico defensivo y se van derribando poco a poco dando paso al ensanche de la ciudad. En la actualidad, en el año 2006, dicho enclave natural, después de varios años de olvido y abandono se ha convertido en un magnífico paseo fluvial, bordeando todo el manantial natural del barranco, con pistas deportivas y jardines de especies autóctonas de la zona, habiendo recientemente rescatado del olvido y en trámites de restauración varios lienzos de la antigua muralla que discurría por dicho lugar.
Guadalajara is een stad in Kastilië-La Mancha, Spanje. Het is de hoofdstad van de provincie Guadalajara en heeft 75.493 inwoners (2006). De stad ligt op ongeveer 55 km Noord-Oostelijk van het centrum van de Spaanse hoofdstad Madrid en de internationale luchthaven Barajas.
De naam Guadalajara is afgeleid van het Arabische Wādī al-Ḥajārah (واديالحجارة), wat "rivier met stenen" betekent. Guadalajara dankt deze naam aan rivier de henares en de vele stenen langs de oevers.
Tijdens de Spaanse Burgeroorlog vond hier het Guadalajaraoffensief plaats.
Historie
Stichting
Guadalajara is oorspronkelijk gesticht door Iberiërs en was in handen van de Carpetani. De nederzetting had de naam Arriaca, 'rivier van stenen', toen de Romeinen het passeerden (Itinerarium Antonini pp. 436, 438). Bij verovering door de Romeinen werd de naam gewijzigd in Caraca, soms ook met Caracca aangeduid (Grieks: Κάραιεκα; Claudius Ptolemaeus ii. 6. § 57), en ingelijfd bij de Romeinse provincie Hispania Tarraconensis. De stad lag ook destijds aan een zeer belangrijke hoofdweg, van Emerita (huidig Mérida) naar Caesarea Augusta (huidig Zaragoza), via Complutum (huidig Alcalá de Henares) en voerde over de Spaanse Hoogvlakte waar enige tijd later ook Madrid zou worden gesticht.
Arabieren
In de 8e eeuw vielen de Moren Guadalajara binnen ter versterking van hun (nieuwe) grens aan wat zij in het Arabisch Wādī al-Ḥajārah noemden (واديالحجارة) ofwel rivier van stenen. Van de historie gedurende de Islamitische dominantie is niet zo veel bekend. Zij lieten hun sporen na met de brug over rivier de Henares en de ruïnes van het Alcázar. Het Arabische Guadalajara viel onder de macht van de Taifa van Toledo.
Reconquista
In 1085 werd Guadalajara heroverd door de Kastiliaanse koning Alfonso VI, een prestatie waarbij veel eer aan Alvar Fáñez de Minaya toekwam, een van de luitenants. Van 1085 met de Slag bij Las Navas de Tolosa tot in 1212, onderging de stad de oorlogen tegen Almoraviden en Almohaden. Ondanks deze oorlog wist de nieuwe Christelijke bevolking zich definitief binnen het territorium te vestigen. Zij kwamen hoofdzakelijk uit de meer noordelijk gelegen gebieden. Alfons VII verleende het stadje in 1133 een privilege dat later in 1219 werd uitgebreid door Ferdinand III. Dit leidde echter niet tot grote ontwikkelingen ten opzichte van vergelijkbare plaatsen. Onder Alfons X, zorgde de koning voor economische ontwikkeling van de bevolking door het aan handelslieden bieden van bescherming en het toestaan van markten.
Renaissance
In de tweede helft van de 14e eeuw vestigde de familie Mendoza in Guadalajara, wat de stad grote voordelen zou geven. Tussen de leden van deze familie zitten prominenten als Íñigo Lopez de Mendoza, Markies van Santillana (1398-1458), en Pedro González de Mendoza (1428-1495), de grote kardinaal van Spanje en adviseur van de Katholieke Koningen. In deze periode bereikte de stad een hoogtepunt waarbij koning Juan II de heerlijkheid van de stad aan de markies van Santillana Íñigo López de Mendoza verleende. Onder de familie Mendoza kwamen veel belangrijke gebouwen van de grond, zowel civiel als religieus, en hadden zij een grote aantrekkingskracht op nobelen en adellijken die in de stad vestigden. Hierdoor werd de landbouw gestimuleerd, een noodzakelijkheid gecreëerd door de flinke groei van de stad. In 1460 verleende koning Enrique IV het stadsrecht aan Guadalajara en bevestigde zijn stem bij het Hof. De weelde van de familie Mendoza, die sedert 1475 de titel van Hertog van Infantado tonen, veronderstelde dat de edelachtbare heren van het Hof er op vertrouwden dat de Hertogen naar de economische motor van het stedelijke leven handelden.
Moderne tijd
Na de hoogtijdagen van de 14e eeuw, verplaatste de familie Mendoza hun zetel naar Madrid, wat de verdere ontwikkeling van Guadalajara niet ten goede kwam en een zeker verval inluidde. Tijdens de Spaanse Successieoorlog werd Guadalajara geplunderd en liet koning Felipe V het Alcázar de functie van fabriek bekleden waar tot begin 19e eeuw hoflijke stoffen werden gemaakt.
De 19e eeuw begint met twee desastreuze gebeurtenissen: de enorme schade ten gevolge van de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1808-1813) en de sluiting van de stoffenfabriek in 1822. In 1808 werd Guadalajara door het Franse leger ingenomen, onder aanvoering van generaal Hugo, waarbij het leeuwendeel van de stad werd verwoest.
In 1840 werd de stad tot provinciehoofdstad aangewezen, als zetel voor openbare instellingen door Plan Burgos (Steden Plan). Tevens werd een academie voor militaire ingenieurs opgericht. De groei van de stad gedurende de tweede helft van de 19e eeuw verloopt langzaam, moeizaam voor wat betreft ambtelijke activiteiten en zonder industriële ontwikkeling.
Na de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), wat wederom flinke ravages aanrichtte, werd Guadalajara in 1959 opgenomen in ontwikkelingsplannen bedoeld om industriën uit het stadshart van Madrid te verplaatsen en in de regio onder te brengen. In deze periode werd Guadalajara één van de snelst groeiende steden van het land. De vele stadsontwikkelingsplannen hebben er toe bijgedragen dat de locale economie opbloeit en het inwoneraantal evenals het welzijn van de bevolking flink is gestegen. 
37708 
185 Alamo Township, Kalamazoo, Michigan, USA  -85.71086883544922  42.37660447270301  Alamo Township is a civil township of Kalamazoo County in the U.S. state of Michigan. As of the 2000 census, the township population was 3,820.  142440 
186 Ālāsht, Iran  52.83661955592834  36.066633902396  Alasht (Persian: آلاشت or الشت‎, meaning Eagle Sanctuary, also Romanized as Ālāsht) is a city in the Central District of Savadkuh County, Mazandaran Province, Iran. At the 2006 census, its population was 976, in 287 families.
A road in Savadkooh, Mazandaran Province.
Alasht is isolated by surrounding mountains, which gives it a cooler climate than most regions of the province. It is most known for being the birthplace of Reza Shah Pahlavi, the founder of the Pahlavi dynasty. 
140868 
187 Alaska, USA  -152.40234375  65.98942355468856  Alaska (Listeni/əˈlæskə/) is a U.S. state situated in the northwest extremity of the North American continent. Bordering the state to the east is Yukon, a Canadian territory, and the Canadian province of British Columbia, the Arctic Ocean to the north, and the Pacific Ocean to the west and south, with Russia (specifically, Chukotka Autonomous Okrug and Kamchatka Krai) further west across the Bering Strait. Alaska is the largest state in the United States by area, the 4th least populous and the least densely populated of the 50 United States. Approximately half of Alaska's 731,44 residents live within the Anchorage metropolitan area. Alaska's economy is dominated by the oil, natural gas, and fishing industries, resources which it has in abundance. Tourism is also a significant part of the economy.
Although it had been occupied for thousands of years by indigenous peoples, from the 18th century onward, European powers considered the territory of Alaska ripe for exploitation. The United States purchased Alaska from Russia on March 30, 1867, for $7.2 million ($121 million adjusted for inflation) at approximately two cents per acre ($4.74/km²). The area went through several administrative changes before becoming organized as a territory on May 11, 1912. It was admitted as the 49th state of the U.S. on January 3, 1959.
The name "Alaska" (Аляска) had been introduced in the Russian colonial period, when it was used to refer to the peninsula. It was derived from an Aleut idiom, which figuratively refers to the mainland of Alaska. Literally, it means object to which the action of the sea is directed. It is also known as Alyeska, the "great land", an Aleut word derived from the same root.
History
Alaska natives
Numerous indigenous peoples occupied Alaska for thousands of years before the arrival of European peoples to the area. Linguistic and DNA studies done here have provided evidence for the settlement of North America by way of the Bering land bridge. The Tlingit people developed a society with a matrilineal kinship system of property inheritance and descent in what is today Southeast Alaska, along with parts of British Columbia and the Yukon. Also in Southeast were the Haida, now well known for their unique arts. The Tsimshian people came to Alaska from British Columbia in 1887, when President Grover Cleveland, and later the U.S. Congress, granted them permission to settle on Annette Island and found the town of Metlakatla. All three of these peoples, as well as other indigenous peoples of the Pacific Northwest Coast, experienced smallpox outbreaks from the late 18th through the mid-19th century, with the most devastating epidemics occurring in the 1830s and 1860s, resulting in high fatalities and social disruption.
The Aleutian Islands are still home to the Aleut people's seafaring society, although they were the first Native Alaskans to be exploited by Russians. Western and Southwestern Alaska are home to the Yup'ik, while their cousins the Alutiiq ~ Sugpiaq lived in what is now Southcentral Alaska. The Gwich'in people of the northern Interior region are Athabaskan and primarily known today for their dependence on the caribou within the much-contested Arctic National Wildlife Refuge. The North Slope and Little Diomede Island are occupied by the widespread Inupiat people.
Colonization
Some researchers believe that the first Russian settlement in Alaska was established in the 17th century. According to this hypothesis, in 1648 several koches of Semyon Dezhnyov's expedition came ashore in Alaska by storm and founded this settlement. This hypothesis is based on the testimony of Chukchi geographer Nikolai Daurkin, who had visited Alaska in 1764–1765 and who had reported on a village on the Kheuveren River, populated by "bearded men" who "pray to the icons". Some modern researchers associate Kheuveren with Koyuk River.
The first European vessel to reach Alaska is generally held to be the St. Gabriel under the authority of the surveyor M. S. Gvozdev and assistant navigator I. Fyodorov on August 21, 1732 during an expedition of Siberian cossak A. F. Shestakov and Belorussian explorer Dmitry Pavlutsky (1729—1735).
Another European contact with Alaska occurred in 1741, when Vitus Bering led an expedition for the Russian Navy aboard the St. Peter. After his crew returned to Russia with sea otter pelts judged to be the finest fur in the world, small associations of fur traders began to sail from the shores of Siberia toward the Aleutian Islands. The first permanent European settlement was founded in 1784.
Between 1774 and 1800, Spain sent several expeditions to Alaska in order to assert its claim over the Pacific Northwest. In 1789 a Spanish settlement and fort were built in Nootka Sound. These expeditions gave names to places such as Valdez, Bucareli Sound, and Cordova. Later, the Russian-American Company carried out an expanded colonization program during the early-to-mid-19th century.
Sitka, renamed New Archangel from 1804 to 1867, on Baranof Island in the Alexander Archipelago in what is now Southeast Alaska, became the capital of Russian America. It remained the capital after the colony was transferred to the United States. The Russians never fully colonized Alaska, and the colony was never very profitable. Evidence of Russian settlement in names and churches survive throughout southeast Alaska.
William H. Seward, the United States Secretary of State, negotiated the Alaska Purchase (also known as Seward's Folly) with the Russians in 1867 for $7.2 million. Alaska was loosely governed by the military initially, and was administered as a district starting in 1884, with a governor appointed by the President of the United States. A federal district court was headquartered in Sitka.
U.S. Territory
Starting in the 1890s and stretching in some places to the early 1910s, gold rushes in Alaska and the nearby Yukon Territory brought thousands of miners and settlers to Alaska. Alaska was officially incorporated as an organized territory in 1912. Alaska's capital, which had been in Sitka until 1906, was moved north to Juneau. Construction of the Alaska Governor's Mansion began that same year. European immigrants from Norway and Sweden also settled in southeast Alaska, where they entered the fishing and logging industries.
During World War II, the Aleutian Islands Campaign focused on the three outer Aleutian Islands – Attu, Agattu and Kiska0 – that were invaded by Japanese troops and occupied between June 1942 and August 1943. Unalaska/Dutch Harbor became a significant base for the U.S. Army Air Forces and Navy submariners.
The U.S. Lend-Lease program involved the flying of American warplanes through Canada to Fairbanks and thence Nome; Soviet pilots took possession of these aircraft, ferrying them to fight the German invasion of the Soviet Union. The construction of military bases contributed to the population growth of some Alaskan cities.
Statehood
Statehood for Alaska was an important cause of James Wickersham early in his tenure as a congressional delegate. Decades later, the statehood movement gained its first real momentum following a territorial referendum in 1946. The Alaska Statehood Committee and Alaska's Constitutional Convention would soon follow. Statehood supporters also found themselves fighting major battles against political foes, mostly in the U.S. Congress but also within Alaska. Statehood was approved by Congress on July 7, 1958. Alaska was officially proclaimed a state on January 3, 1959.
In 1960, the Census Bureau reported Alaska's population as 77.2% White, 3% Black, and 18.8% American Indian and Alaska Native.
On March 27, 1964, the massive "Good Friday Earthquake" killed 133 people and destroyed several villages and portions of large coastal communities, mainly by the resultant tsunamis and landslides. It was the second-most-powerful earthquake in the recorded history of the world, with a moment magnitude of 9.2. It was over one thousand times more powerful than the 1989 San Francisco earthquake. The time of day (5:36 pm), time of year and location of the epicenter were all cited as factors in potentially sparing thousands of lives, particularly in Anchorage.
The 1968 discovery of oil at Prudhoe Bay and the 1977 completion of the Trans-Alaska Pipeline led to an oil boom. Royalty revenues from oil have funded large state budgets from 1980 onward. That same year, not coincidentally, Alaska repealed its state income tax.
In 1989, the Exxon Valdez hit a reef in the Prince William Sound, spilling over 11 million U.S. gallons (42 megaliters) of crude oil over 1,100 miles (1,800 km) of coastline. Today, the battle between philosophies of development and conservation is seen in the contentious debate over oil drilling in the Arctic National Wildlife Refuge and the proposed Pebble Mine.
Alaska Heritage Resources Survey
The Alaska Heritage Resources Survey (AHRS) is a restricted inventory of all reported historic and prehistoric sites within the state of Alaska and is maintained by the Office of History and Archaeology. The survey's inventory of cultural resources includes objects, structures, buildings, sites, districts, and travel ways, with a general provision that they are over 50 years old. As of January 31, 2012 over 35,000 sites have been reported. 
147530 
188 Albany County, New York, USA  -73.97094  42.614834  Albany County is a county located in the U.S. state of New York, generally located in the vicinity of Albany, New York, the capital of New York State. Albany is also the county seat of Albany County. It is part of the Albany-Schenectady-Troy Metropolitan Statistical Area. The name is from the title of the Duke of York and Albany, who became James II of England. As of the 2000 census, the population was 294,565. As originally established, Albany County had an indefinite amount of land, but has only 530 square miles (1,372.69 km²) as of March 3, 1888. Albany County is governed by a County Executive and a 39-member County Legislature. The current County Executive is Michael G. Breslin (D) and the Chair of the Legislature is Charles Houghtailing (D). Other county elected officials include County Sheriff James Campbell, County District Attorney David Soares, and County Comptroller Michael Conners.
History
Albany County was one of the original twelve counties created by the Province of New York on November 1, 1683. At that time it included all of the present Bennington County, Vermont, all of New York state north of the counties of Dutchess and Ulster, and theoretically stretched west to the Pacific Ocean.
On May 27, 1717, Albany County was adjusted to gain an indefinite amount of land from Dutchess County and other non-county lands.
On October 7, 1763, King George III, as part of his Proclamation of 1763, created the new province of Quebec, implicitly setting the northern limit of New York at the parallel of 45 degrees north latitude from the Atlantic-St. Lawrence watershed westward to the St. Lawrence River, implicitly setting the northern limit of Albany County, but it was never mapped.
On July 20, 1764, King George III established the boundary between New Hampshire and New York along the west bank of the Connecticut River, north of Massachusetts and south of the parallel of 45 degrees north latitude. Albany County implicitly gained present-day Vermont. Although disputes occasionally broke out later, this line became the boundary between New Hampshire and Vermont, and has remained unchanged to the present. When New York refused to recognize land titles through the New Hampshire Grants (towns created earlier by New Hampshire in present Vermont), dissatisfied colonists organized in opposition, which led to the creation of independent Vermont in 1777.
On July 3, 1766, Cumberland County was partitioned from Albany County to cover all territory to the northern and eastern limits of the colony, including Windsor County, most of Windham County, and parts of Bennington and Rutland counties in present-day Vermont.
On June 26, 1767, Albany County regained all of Cumberland County.
On March 19, 1768, Albany County was re-partitioned, and Cumberland County restored.
On March 16, 1770, Albany County was again partitioned. Gloucester County was created to include all of Orange, Caledonia and Essex counties, most of Washington County, and parts of Orleans, Lamoille, Addison and Chittenden counties in present-day Vermont.
On March 12, 1772, Albany County was partitioned again, this time into the counties of Albany, Tryon (now Montgomery), and Charlotte (now Washington). This established a definite area for Albany County of 5,470 sq mi (14,167.23 km²).
On March 24, 1772, Albany County was partitioned again, with an additional 50 sq mi (129.5 km²) handed over to Cumberland County.
On March 9, 1774, Albany County was partitioned again, this time passing 1,090 sq mi (2,823.09 km²) to Ulster County.
On April 1, 1775, Albany was again partitioned, this time giving up 60 sq mi (155.4 km²) to Charlotte County, who then exchanged this land with a like parcel in Cumberland County.
On January 15, 1777, Albany County was again partitioned, this time on account of the independence of Vermont from New York, reducing Albany County by an additional 300 sq mi (777 km²).
On June 26, 1781, Bennington County, Vermont attempted to annex a portion of Albany County that today includes portions of Washington and Rensselaer counties to form what they called "The West Union". The fledgling United States - under the Articles of Confederation - arbitrated this annexation, and condemned it, resulting in Vermont ceasing the annexation on 1782-02-23.
On April 4, 1786, Columbia County was created from 650 square miles (1,685 km²) of Albany County land.
On March 7, 1788, New York, refusing to recognize the independence of Vermont, and the attendant elimination of Cumberland County, attempted to adjust the line that separated Cumberland from Albany County in present-day Vermont, but to no effect.
On February 7, 1791, Albany County was partitioned again, this time to form Rensselaer and Saratoga counties. Rensselaer received 660 square miles (1,700 km²), while Saratoga received 850 square miles (2,200 km²). Also the town of Cambridge was transferred to Washington County. A total of 1,680 sq mi (4,351.18 km²) changed hands.
On June 1, 1795, Albany County was once again partitioned, this time losing 460 sq mi (1,191.39 km² ) to Schoharie County.
On April 5, 1798, another partition took place, with 90 sq mi (233.1 km²) passing to Ulster County.
On March 25, 1800, once again Albany County was partitioned, with 360 sq mi (932.4 km² being used to create Greene County.
On April 3, 1801, all New York counties were redefined, with Albany County gaining 10 sq mi (25.9 km² ).
On March 7, 1801, Schenectady County was created from 230 sq mi (595.7 km²) of Albany County land.
On March 3, 1808, Albany County turned Havre Island over to Saratoga County, with no resultant loss in land.
The result was the production of Albany County as it exists today.
Geography
Albany County is in the east central part of New York State, extending southward and westward from the point where the Mohawk River joins the Hudson. Its eastern boundary is the Hudson River; a portion of its northern boundary is the Mohawk River.
According to the U.S. Census Bureau, the county has a total area of 533 square miles (1,381 km²), of which, 523 square miles (1,356 km²) of it is land and 10 square miles (25 km²) of it (1.83%) is water.
The terrain of the county ranges from flat near the Hudson and Mohawks to high and hilly to the southwest, where the Catskills begin. The highest point is one of several summits near Henry Hill at approximately 2,160 feet (658 m) above sea level; the lowest point is slightly above sea level along the Hudson.
Adjacent counties
* Schenectady County, New York - north
* Saratoga County, New York - northeast
* Rensselaer County, New York - east
* Columbia County, New York - southeast
* Greene County, New York - south
* Schoharie County, New York - west 
1109 
189 Albany, Albany County, New York, USA  -73.75534057617188  42.65327817724606  Albany is the capital of the State of New York and the county seat of Albany County. Albany is 136 miles (219 km) north of New York City, and slightly to the south of the confluence of the Mohawk and Hudson Rivers. The city has a population of 93,963 (July 2006 est.).
Albany has close ties with the nearby cities of Troy, Schenectady, and Saratoga Springs, forming a region called the Capital District. This area makes up the bulk of the Albany-Schenectady-Troy Metropolitan Statistical Area (MSA) with a population of 850,957, making it the fourth largest urban area in New York State, and the 56th largest MSA in the United States.
The Albany-Schenectady-Amsterdam, NY CSA, consists of the Albany-Schenectady-Troy MSA, the Glens Falls MSA, and the Amsterdam MSA. Using this definition, the area has a population (as of 2006) of 1,147,850, making it the third largest metropolitan area in New York State, and aside from New York City CSA, the only area that has shown any population growth. The Albany-Schenectady-Amsterdam, NY CSA is also the 36th largest in the nation.
Albany is built on the site of the Dutch Fort Orange and its surrounding community of Beverwyck. The English acquired the site from the Dutch in 1664 and renamed it Albany, in honor of James II, Duke of Albany. A 1686 document issued by Thomas Dongan granted Albany its official charter.
Today, the city is a center of government and education.
History
Albany is the fourth oldest city (behind Santa Fe, St. Augustine, and Jamestown) and the second oldest state capital (behind Santa Fe) in the United States. The original native settlement in the area was called Penpotawotnot. Its colonial history began when Englishman Henry Hudson, exploring for the Dutch East India Company on the Halve Maen (or Half Moon), reached the area in 1609. In 1614, the Dutch company constructed Fort Nassau, its first fur trading post near present-day Albany and left Jacob Eelkens in charge. Commencement of the fur trade provoked hostility from the French colony in Canada and amongst the native tribes, who vied to control the trade. In 1624, Fort Orange was established in the area. Both forts were named in honor of the Dutch House of Orange-Nassau. Nearby areas were incorporated as the village of Beverwyck in 1652.
When the land was taken by the English in 1664, the name was changed to Albany, in honor of the Duke of York and Albany, who later became King James II of England and James VII of Scotland. Duke of Albany was a Scottish title given since 1398, generally to a younger son of the King of Scots. The name is ultimately derived from Alba, the Gaelic name for Scotland. Albany was formally chartered as a municipality by Governor Thomas Dongan on July 22, 1686. The "Dongan Charter" was virtually identical in content to the charter awarded to New York City three months earlier. Pieter Schuyler was appointed first mayor of Albany the day the charter was signed.
In 1754, representatives of seven British North American colonies met in the Albany Congress. Benjamin Franklin of Pennsylvania presented the Albany Plan of Union, the first formal proposal to unite the colonies. Although it was never adopted by Parliament, it was an important precursor to the U.S. Constitution. Albany native Philip Livingston was one of the signers of the Declaration of Independence. William Alexander, a general in the Revolutionary War, died in Albany in 1783. Several US Navy ships have since been named USS Albany in honor of the City's historical and military importance.
In 1777, the state capital of New York was moved from Kingston to Albany, about 50 miles north. The State Capitol building was constructed between 1867 and 1899 and inspired by the Hôtel de Ville (City Hall) in Paris, France. Notable architectural features include its "Million Dollar Staircase."
Albany's location on the Hudson River made it a center of transportation from the outset. In 1807, Robert Fulton initiated a steamboat line from New York City to Albany. On October 26, 1825 the Erie Canal was completed, forming a continuous water route from the Great Lakes to New York City. The Mohawk and Hudson Railroad between Albany and Schenectady, New York opened on September 24, 1831 and subsequently became part of the New York Central Railroad. Erastus Corning, a noted industrialist and founder of the New York Central, called Albany home and served as its mayor from 1834 to 1837. His great-grandson, Erastus Corning II, served as mayor of Albany from 1942 until 1983, the longest single mayoral term of any major city in the United States.
Between 1965 and 1978, the Empire State Plaza was constructed in Albany's Midtown, west of Downtown and south of the Capitol building. It was, and remains, controversial, in large part because it required the demolition of several historical neighborhoods and the forced removal of Jewish, Italian, Black, and Latino inhabitants. The Plaza was conceived by Governor Nelson Rockefeller and is now named in his honor. The Erastus Corning Tower stands 589 feet (180 meters) high and is the tallest building in New York State outside New York City. Four other smaller towers, the Legislative Office Building, the Cultural Education Center (which houses the State Library and Museum), the Justice Building, and the impressive performing arts center known as "The Egg" make up the rest of the Empire State Plaza. The design of the Empire State Plaza is based loosely on the National Congress complex in the Brazilian capital of Brasilia.
A number of north-south streets in Albany are named after birds (for instance, lark, dove, hawk, eagle, partridge, swan, etc.) At one point the east-west streets were named for animals, for instance- Lion (Washington Ave.), Fox (Sheridan Ave,), Deer (State Street west of Eagle), Wolf (Madison Ave.); the only ones to keep their animal names are Elk Street in the Sheridan Hollow neighborhood and Beaver Street downtown.
Modern day Albany consists of many neighborhoods with different characteristics.
Demographics
As of the censusGR2 of 2000, there were 95,658 people, 40,709 households, and 18,400 families residing in the city. The population density was 4,474.6/sq mi (1,727.5/km².) There were 45,288 housing units at an average density of 2,118.4/sq mi (817.9/km².) The racial makeup of the city was 63.12% White, 28.14% Black or African American, 0.31% Native American, 3.26% Asian, 0.04% Pacific Islander, 2.15% from other races, and 2.98% from two or more races. 5.59% of the population were Hispanic or Latino of any race.
There were 40,709 households out of which 22.0% had children under the age of 18 living with them, 25.3% were married couples living together, 16.1% had a female householder with no husband present, and 54.8% were non-families. 41.9% of all households were made up of individuals and 11.5% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.11 and the average family size was 2.95. The median home value in Albany, NY, is $217,100. Home appreciation is 12.70% over the last year. The median age of Albany, NY, real estate is 63 years.
In the city the population was spread out with 20.0% under the age of 18, 19.3% from 18 to 24, 29.2% from 25 to 44, 18.1% from 45 to 64, and 13.4% who were 65 years of age or older. The median age was 31 years. For every 100 females there were 90.6 males. For every 100 females age 18 and over, there were 86.5 males.
The median income for a household in the city was $33,375, and the median income for a family was $39,932. Males had a median income of $31,535 versus $27,112 for females. The per capita income for the city was $20,340. About 16.0% of families and 21.7% of the population were below the poverty line, including 28.8% of those under age 18 and 12.5% of those age 65 or over. 
653 
190 Albany, Dougherty County, Georgia, USA  -84.17037963867188  31.581474851348432  Albany is a city in and the county seat of Dougherty County, Georgia, United States, in the southwestern part of the state. It is the principal city of the Albany, Georgia metropolitan area. The population was 76,939 at the 2000 census and had dropped to 75,616 according to a 2009 estimate.
History
The area where Albany is located was formerly inhabited by the Creek Indians. They called it something like Thronateeska - after their word for "flint" - because of the mineral flint that was found near the river there. The Creeks used this flintstone to make tools and also weapons like arrowheads.
A businessman named Nelson Tift from Connecticut settled along the Flint River in October, 1836, and he named his new town Albany, after New York's state capital city because they both sat at the navigable heads of rivers.
The town of Albany was laid out by Alexander Shotwell in 1836. It was incorporated as a city by an act of the General Assembly of Georgia on December 27, 1838 .
Surrounded by a prosperous farming region which produced large amounts of cotton, Albany was in a prime location for transportation of cotton by steamboats on the river, over which Tift had Horace King, a former slave, build a toll bridge in 1858. Albany later became a railroad hub and there is an exhibit on trains at the Thronateeska Heritage Center, which is located at the old railroad station.
In 1841, the Flint River flooded the town.
On April 11, 1906, the Carnegie Library was opened downtown. It functioned as a library through 1985. In 1992, the building was reopened as the headquarters of the Albany Area Arts Council.
In 1912, the downtown U.S. Post Office and Courthouse building opened.
In 1925, the Flint River again flooded the city.
In 1937, Chehaw Park was established as a part of a New Deal program.
On February 10, 1940, a severe tornado hit Albany, and it killed eighteen people and caused widescale damage.
In the summer of 1940, a Major Peacock of the U.S. Army approached the Albany Chamber of Commerce about the possibility of locating an U.S. Army Air Corps training base near Albany. Construction of the base and of the airfield by the Army Corps of Engineers began March 25, 1941. The airfield was temporarily deactivated between August 15, 1946, and September 1, 1947, but after the beginning of the Cold War, and the establishment of the U.S. Air Force in late 1947, the airfield was reactivated and upgraded with strongly-paved runways for a U.S. Air Force base that was called the Turner Air Force Base. The Air Force used this base for very heavy jet bombers, such as the B-52 Stratofortress A number of other Air Force units were also housed at this Air Force Base. as the base was renamed. Among them were the 1370th Photomapping Group , and refueling and maintenance functions. The Turner Air Force Base was abandoned by the Air Force, and it was transferred to the usage of the U.S. Navy in 1967. NAS Albany was used as the shore base of nearly all the Navy's RA-5C Vigilante twin-jet carrier-based reconnaissance aircraft. This naval base was permanently deactivated and relinquished to civilian control in 1974 . In 1979, the Miller Brewing Company purchased part of the old naval base's property to build a new brewing plant.
In 1951, the U.S. Marine Corps established a logistics base on the eastern outskirts of Albany.
In 1960, the population of Albany reached 50,000 people.
During the early 1960s, Albany played a prominent role in the Civil Rights Movement (see the Albany Movement).
In 1988 Albany, GA made national headlines as the "Murder Capital of America," with the highest murder rate per capita in the United States.
In 1994, there was another severe flood by the Flint River, which was caused by rainfall from Tropical Storm Alberto, killing 14 people and displacing 22,000.
In 1998, the Flint River crested at 35 feet (11 m) above its bed, once again flooding parts of Albany.
In 2002, Sherwood Pictures began producing Christian films in Albany, including "Flywheel" (2003), "Facing the Giants" (2006), and "Fireproof" (2008), which reportedly became some of the highest grossing Christian films of all time. Coming soon, "Courageous" (2011) and more later on. Brothers Alex and Stephen Kendrick wrote and produced each film as an outreach of the Sherwood Baptist Church. Soundtracks and novels of the movies followed.
Albany in The Souls of Black Folk
In W. E. B. Du Bois's book, The Souls of Black Folk (1903), Albany was featured in several chapters as a typical African American populated rural town in the Deep South. In his book, Du Bois discussed the culture, agribusiness, and economy of the region. Du Bois described Albany as a small town where local sharecroppers lived. Much of the soil had been depleted of nutrients because of intensive cotton cultivation. Once a bustling small city full of cotton gins and toiling slaves, Albany had declined steadily in the late 19th century as the Civil War and the Emancipation Proclamation drastically altered the demographics and economy of Albany. Du Bois wrote that Dougherty County had many decaying one-room slave cabins, and unfenced fields. Despite the problems, local folklore, customs, and the culture made Albany a notable small city in the South. 
80889 
191 Albegno, Treviolo, Italia  9.606565100000011  45.6696069  Albegno is een plaats (frazione) in de Italiaanse gemeente Treviolo.  147133 
192 Albergen, Tubbergen, Overijssel  6.76194444444444  52.3716666666667  Albergen (Nedersaksisch: Albeargen), is een dorp in de Overijsselse gemeente Tubbergen. Albergen telt ongeveer 3500 inwoners, en is zeven kilometer ten oosten van Almelo gelegen.
In het dorp zijn een school, de R.K. Basisschool Kadoes en een R.K.-kerk, de St. Pancratiuskerk gelegen. Het dorp kent een rijk verenigingsleven, waarbij met name carnavalsvereniging De Alberger Bökke en de in 1932 opgerichte hand- en voetbalvereniging RKSV De Tukkers een relatief groot ledenbestand kennen.
Albergen heeft jaarlijks een primeur met de eerste grote carnavalsoptocht van Twente. Met Pinksteren worden er traditionele school- en volksfeesten gehouden. Het dorp staat al sinds de 15e eeuw in de geschiedenisboeken vermeld, dankzij het St. Antoniusklooster wat op de plek heeft gestaan van de huidige St.-Pancratiuskerk. Johannes van Lochem, prior van dit klooster, schreef er tussen 1520 en 1525 zijn kroniek, welke in 1995 in een Nederlandse vertaling werd uitgebracht. Deze belangrijke periode in de geschiedenis van Albergen is terug te vinden in de huidige straatnamen.
Albergen ligt temidden van de Twentse natuur. Karakteristieke houtwallen en glooiende esgronden bepalen het beeld aan met name de noordkant van het dorp, terwijl het kanaal Almelo-Nordhorn aan de zuidkant van het dorp zich van zijn mooiste kant laat zien. 
35840 
193 Alberslo, Münster, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.729925  51.870325  Ik weet niet zeker of dit de locatie is, maar er zijn aanwijzingen voor.  36710 
194 Albersloh, Sendenhorst, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.733001708984375  51.86864801487215  Sendenhorst ist eine Kleinstadt im Kreis Warendorf im Münsterland, rund 15 km südöstlich von Münster gelegen.
Die Stadt Sendenhorst besteht aus den Ortsteilen Sendenhorst (ehemals Kreis Beckum) und Albersloh (ehemals Kreis Münster). Der namensgebende Ortsteil Sendenhorst besitzt seit dem Jahre 1315 Stadtrechte. Albersloh, an der Werse gelegen, ist im Zuge der Gemeindereform im Jahre 1975 der Stadt Sendenhorst eingegliedert worden. Geprägt wird die Stadt, landesplanerisch als Grundzentrum eingestuft, durch Landwirtschaft und im Ortsteil Sendenhorst durch eine Ansiedlung von Betrieben der Kunststoff verarbeitenden Industrie. Mit dem St. Josef-Stift (seit 1889) verfügt die Stadt Sendenhorst über eine bedeutende Einrichtung im Bereich des Gesundheitswesens (Orthopädisches Zentrum und Nordwestdeutsches Rheumazentrum). An Bildungseinrichtungen weist Sendenhorst je eine Grundschule in den beiden Ortsteilen sowie eine Hauptschule und eine Realschule (in kirchlicher Trägerschaft) im Ortsteil Sendenhorst auf. Gymnasien und andere weiterführende Schulen werden in der Nachbarstadt Münster besucht. Starke wirtschaftliche Verflechtungen bestehen seit Jahrzehnten mit dem Oberzentrum Münster. 
437 
195 Albert Lea Township, Freeborn County, Minnesota, USA  -93.360243  43.658862  Albert Lea Township is a township in Freeborn County, Minnesota, United States. The population was 808 at the 2000 census.
Geography
According to the United States Census Bureau, the township has a total area of 67.9 km² (26.2 mi²). 60.5 km² (23.4 mi²) of it is land and 7.4 km² (2.8 mi²) of it (10.88%) is water.
Demographics
As of the census2 of 2000, there were 808 people, 326 households, and 237 families residing in the township. The population density was 13.4/km² (34.6/mi²). There were 336 housing units at an average density of 5.6/km² (14.4/mi²). The racial makeup of the township was 98.89% White, 0.12% Native American, 0.62% from other races, and 0.37% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 3.09% of the population.
There were 326 households out of which 28.5% had children under the age of 18 living with them, 63.8% were married couples living together, 6.1% had a female householder with no husband present, and 27.3% were non-families. 21.5% of all households were made up of individuals and 8.3% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.48 and the average family size was 2.84.
In the township the population was spread out with 22.4% under the age of 18, 8.8% from 18 to 24, 23.5% from 25 to 44, 29.6% from 45 to 64, and 15.7% who were 65 years of age or older. The median age was 42 years. For every 100 females there were 106.6 males. For every 100 females age 18 and over, there were 101.6 males.
The median income for a household in the township was $42,500, and the median income for a family was $51,136. Males had a median income of $35,179 versus $22,500 for females. The per capita income for the township was $18,628. About 4.3% of families and 10.1% of the population were below the poverty line, including 18.1% of those under age 18 and 8.7% of those age 65 or over. 
39387 
196 Alberta, Canada  -114.609375  54.57460914713108  Alberta /ælˈbɜrtə/ is a province of Canada. It had an estimated population of 3.7 million in 201 making it the most populous of Canada's three prairie provinces. It and neighbouring Saskatchewan were established as provinces on September 1, 1905.
Alberta is located in western Canada, bounded by the provinces of British Columbia to the west and Saskatchewan to the east, the Northwest Territories to the north, and the U.S. state of Montana to the south. Alberta is one of three Canadian provinces and territories to border only a single U.S. state and is also one of only two provinces that are landlocked.
Edmonton, the capital city of Alberta, is located near the geographic centre of the province and is the primary supply and service hub for Canada's oil sands and other northern resource industries. Approximately 300 kilometres (190 mi) south of the capital is Calgary, Alberta's largest city and a major distribution and transportation hub. According to recent population estimates, these two census metropolitan areas have now both exceeded 1 million people. Census agglomerations in the province include Lethbridge, Red Deer, Grande Prairie, Medicine Hat, Wood Buffalo (includes Fort McMurray), Lloydminster, Brooks, Okotoks, Camrose, Canmore, Cold Lake, and Wetaskiwin. Notable tourist destinations in the province include Canmore, Sylvan Lake, Drumheller, Banff, and Jasper.
Alberta is named after Princess Louise Caroline Alberta (1848–1939), the fourth daughter of Queen Victoria and Prince Albert. Princess Louise was the wife of the Marquess of Lorne, Governor General of Canada from 1878 to 1883. Lake Louise, the Village of Caroline, and Mount Alberta were also named in honour of Princess Louise.
The current Premier of the province is Ed Stelmach.
History
The first people in Alberta were Paleo-Indians who arrived in Alberta at least 10,000 years ago, toward the end of the last ice age. They probably migrated from Siberia to Alaska on a land bridge across the Bering Strait, and then may have moved down the east side of the Rocky Mountains through Alberta to settle the Americas. Alternatively they may have migrated down the coast of British Columbia and then moved inland. Over time they differentiated into various First Nations peoples, including the Plains Indian tribes of southern Alberta such as those of the Blackfoot Confederacy and the Plains Cree, who generally lived by hunting buffalo (American bison), and the more northerly tribes such as the Woodland Cree and Chipewyan who hunted, trapped, and fished for a living.
After the British arrival in Canada, approximately half of the province of Alberta, south of the Athabasca River drainage, became part of Rupert's Land which consisted of all land drained by rivers flowing into Hudson Bay. This area was granted by Charles II of England to the Hudson's Bay Company (HBC) in 1670, and rival fur trading companies were not allowed to trade in it. After the arrival of French Canadians in the west around 1731, they settled near fur trading posts, establishing communities such as Lac La Biche and Bonnyville. Fort La Jonquière was established near what is now Calgary in 1752.
The Athabasca River and the rivers north of it were not in HBC territory because they drained into the Arctic Ocean instead of Hudson Bay, and they were prime habitat for fur-bearing animals. The first explorer of the Athabasca region was Peter Pond, who learned of the Methye Portage, which allowed travel from southern rivers into the rivers north of Rupert's Land. Fur traders formed the North West Company (NWC) of Montreal to compete with the HBC in 1779. The NWC occupied the northern part of Alberta territory. Peter Pond built Fort Athabasca on Lac la Biche in 1778. Roderick Mackenzie built Fort Chipewyan on Lake Athabasca ten years later in 1788. His cousin, Sir Alexander Mackenzie, followed the North Saskatchewan River to its northernmost point near Edmonton, then setting northward on foot, trekked to the Athabasca River, which he followed to Lake Athabasca. It was there he discovered the mighty outflow river which bears his name—the Mackenzie River—which he followed to its outlet in the Arctic Ocean. Returning to Lake Athabasca, he followed the Peace River upstream, eventually reaching the Pacific Ocean, and so he became the first white man to cross the North American continent north of Mexico.
The extreme southernmost portion of Alberta was part of the French (and Spanish) territory of Louisiana, sold to the United States in 1803; in 1818, the portion of Louisiana north of the Forty-Ninth Parallel was ceded to Great Britain.
Fur trade expanded in the north, but bloody battles occurred between the rival HBC and NWC, and in 1821 the British government forced them to merge to stop the hostilities. The amalgamated Hudson's Bay Company dominated trade in Alberta until 1870, when the newly formed Canadian Government purchased Rupert's Land. Northern Alberta was included in the North-Western Territory until 1870, when it and Rupert's land became Canada's Northwest Territories.
The district of Alberta was created as part of the North-West Territories in 1882. As settlement increased, local representatives to the North-West Legislative Assembly were added. After a long campaign for autonomy, in 1905 the district of Alberta was enlarged and given provincial status, with the election of Alexander Cameron Rutherford as the first premier. 
83906 
197 Albertville, Wright County, Minnesota, USA  -93.66445541381836  45.23561312535565  Albertville is a city in Wright County, Minnesota, United States. The population was 3,621 at the 2000 census.
Interstate Highway 94 serves as a main arterial route in the city.
Geography
According to the United States Census Bureau, the city has a total area of 4.7 square miles (12.2 km²), of which, 4.4 square miles (11.3 km²) of it is land and 0.3 square miles (0.8 km²) of it (6.81%) is water.
Demographics
As of the census of 2000, there were 3,621 people, 1,287 households, and 984 families residing in the city. The population density was 826.3 people per square mile (319.2/km²). There were 1,318 housing units at an average density of 300.8/sq mi (116.2/km²). The racial makeup of the city was 98.51% White, 0.30% African American, 0.22% Native American, 0.25% Asian, 0.08% from other races, and 0.64% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 0.66% of the population.
There were 1,287 households out of which 49.1% had children under the age of 18 living with them, 61.4% were married couples living together, 10.7% had a female householder with no husband present, and 23.5% were non-families. 16.9% of all households were made up of individuals and 2.8% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.81 and the average family size was 3.21.
In the city the population was spread out with 34.1% under the age of 18, 8.5% from 18 to 24, 41.5% from 25 to 44, 10.8% from 45 to 64, and 5.1% who were 65 years of age or older. The median age was 29 years. For every 100 females there were 101.4 males. For every 100 females age 18 and over, there were 102.1 males.
The median income for a household in the city was $58,260, and the median income for a family was $63,578. Males had a median income of $41,783 versus $30,244 for females. The per capita income for the city was $21,424. About 6.7% of families and 6.9% of the population were below the poverty line, including 9.9% of those under age 18 and none of those age 65 or over. 
58746 
198 Albin Township, Brown County, Minnesota, USA  -94.66506958007812  44.13332412077448  Albin Township is a township in Brown County, Minnesota, United States. The populatino was 329 at the 2000 census.
Major highways
MN-4.svg Minnesota State Highway 4 
85097 
199 Albion, Marshall County, Iowa, USA  -92.9908561706543  42.11261701620018  Albion is a city in Marshall County, Iowa, United States. The population was 592 at the 2000 census.
Demographics
As of the census of 2000, there were 592 people, 222 households, and 172 families residing in the city. The population density was 999.7 people per square mile (387.4/km²). There were 234 housing units at an average density of 395.2/sq mi (153.1/km²). The racial makeup of the city was 98.99% White, 0.68% Asian, and 0.34% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 1.01% of the population.
There were 222 households out of which 32.9% had children under the age of 18 living with them, 63.1% were married couples living together, 9.0% had a female householder with no husband present, and 22.1% were non-families. 17.1% of all households were made up of individuals and 4.5% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.67 and the average family size was 2.95.
In the city the population was spread out with 28.5% under the age of 18, 6.8% from 18 to 24, 27.2% from 25 to 44, 25.7% from 45 to 64, and 11.8% who were 65 years of age or older. The median age was 36 years. For every 100 females there were 108.5 males. For every 100 females age 18 and over, there were 103.4 males.
The median income for a household in the city was $36,875, and the median income for a family was $41,250. Males had a median income of $31,042 versus $24,375 for females. The per capita income for the city was $14,770. About 9.4% of families and 15.9% of the population were below the poverty line, including 20.1% of those under age 18 and 10.0% of those age 65 or over. 
69809 
200 Alblasserdam, Zuid-Holland  4.66083333333333  51.8658333333333  Alblasserdam is een plaats en gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Binnen de gemeentegrenzen liggen geen andere kernen, behoudens een deel van Kinderdijk.
Geschiedenis
Alblasserdam ligt aan één van de drukst bevaren rivieren van West Europa "De Noord". De geschiedenis van Alblasserdam gaat ruim 700 jaar terug. De naam wordt voor het eerst genoemd in een kroniek van Melis Stoke uit 1299, maar is gesticht in 1447. Voor die tijd vormde het één geheel met Oud-Alblas. Het oude centrum werd op 11 mei 1940 zwaar getroffen. Gelukkig zijn de historische Kerkstraat en de karakteristieke dijkbebouwing langs de rivier de Noord grotendeels bewaard gebleven. In de geschiedenis van Alblasserdam heeft water een grote rol gespeeld. De naam is afkomstig van het riviertje, de Alblas, waar een dam werd aangelegd. De rivier De Noord is van groot belang geweest voor de groei van Alblasserdam. Door de ligging aan deze rivier was Alblasserdam een gunstige vestigingsplaats voor industrie. De ligging aan het water bracht ook nadelen met zich mee; in de jaren tussen 1350 en 1821 liep de Alblasserwaard 32 keer onder water. Ook de watersnood van 1953 trof een gedeelte van Alblasserdam. Heden ten dage, door versterking van de dijk en verbeteringen aan de sluis vormt het water geen direct gevaar meer. 
35055 
201 Ålborg, Danmark  9.918371814819466  57.030399124452394  Aalborg (or Ålborg) (Danish pronunciation: ˈʌlb̥ɒːˀ ( listen)) is a Danish industrial and university city in North Jutland. The city of Aalborg has a population of 103,545 (124,921 including Nørresundby) making it the fourth largest city in Denmark in terms of population. The municipality of Aalborg has a population of 199,188 (2011) making it the third most populous municipality in the country after Copenhagen and Århus. The earliest settlements date back to around AD 700. Aalborg's location by the Limfjord made it an important harbour during the Middle Ages, and an industrial centre later. Today, the city is in transition from a working-class industrial city to a knowledge-based one.
History of Aalborg
Early age
Aalborg traces its history back over 1000 years. It was originally settled as a trading post because of its position on the Limfjord. The sites of what were two settlements and a visible burial ground can be seen on Lindholm Høje, a hill overlooking the city. The sizes of these settlements emphasise the significance of this place as a crossroads. The first mention of Aalborg under its original name Alabu, is found on a coin dated to 1040. An alternative spelling is Alebu and an approximate translation of the name is The (dwelling) place by the stream.
Middle Ages
During the Middle Ages, Aalborg prospered and became one of the largest cities in Denmark. This prosperity was further enhanced when in 1516 Aalborg was granted a monopoly in salt herring. The herring fishery linked Aalborg to the East coast of England, across the North Sea, both in commercial competition and cultural exchange. The panelled interior from an Aalborg house in the National Museum, Copenhagen (illustration), shares many details with Jacobean panelled rooms.
Aalborg received town privileges in 1342 and the bishopric dates from 1554.
World War II
During the German invasion of Denmark in 1940, the Aalborg Aerodrome was captured by German paratroopers very early in the action and Aalborg is said to be the first city ever to be captured by paratroopers. The aerodrome was crucial for German aircraft to be able to reach Norway. 
103611 
202 Albrandswaard, Zuid-Holland  4.437758  51.852384  Albrandswaard is een gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De gemeente telt 21.554 inwoners (per 1 januari 2007, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 22,72 km². Veel inwoners zijn forensen die in Rotterdam werken. De gemeente Rotterdam probeert Albrandswaard al lange tijd in te lijven, maar tot nu toe (2006) is dat niet gelukt. Het gemeentehuis is gevestigd in Poortugaal, tot 2006 stond het in Rhoon.
De naam is afgeleid van de voormalige heerlijkheid Albrantswaard en Kijvelanden. 
38435 
203 Albuquerque, Bernalillo County, New Mexico, USA  -106.609991  35.110703  Albuquerque (pronounced ˈæl.bə.kɚ.kiː, Spanish: al.βu.ˈkeɾ.ke; known as Bee'eldííldahsinil in Navajo) is the largest city in the state of New Mexico, United States. It is the county seat of Bernalillo County and is situated in the central part of the state, straddling the Rio Grande. The city population was 448,607 as of the 2000 U.S. census. As of the 2005 census estimate, the city's population was 494,236, with a metropolitan population of 816,811 as of July 1, 2006. In 2006, Albuquerque ranked as the 33rd-largest city and 61st-largest metropolitan area in the U.S. The Albuquerque MSA population includes the city of Rio Rancho, one of the fastest growing cities in the United States, a hub for many master-planned communities which are expected to draw future businesses and residents to the area.
Albuquerque is home to the University of New Mexico (UNM) and Kirtland Air Force Base as well as Sandia National Laboratories and Petroglyph National Monument. The Sandia Mountains run along the eastern side of Albuquerque and the Rio Grande flows through the city north to south.
History
The city was founded in 1706 as the Spanish colonial outpost of Alburquerque; present-day Albuquerque retains much of the Spanish cultural and historical heritage.
Alburquerque was a farming community and strategically located military outpost along the Camino Real. The town of Alburquerque was built in the traditional Spanish village pattern: a central plaza surrounded by government buildings, homes, and a church. This central plaza area has been preserved and is open to the public as a museum, cultural area, and center of commerce. It is referred to as "Old Town Albuquerque" or simply "Old Town."
The village was named by the provincial governor Don Francisco Cuervo y Valdes in honour of Don Francisco Fernández de la Cueva, Duke of Alburquerque, viceroy of New Spain from 1653 to 1660. The first "r" in "Alburquerque" was dropped at some point in the 19th century, supposedly by an Anglo-American railroad station-master unable to correctly pronounce the city's name. Some New Mexicans still prefer the spelling Alburquerque; see for example the book by that name by Rudolfo Anaya. In the 1990s, the Central Avenue Trolley Buses were emblazoned with the name Alburquerque (with the extra "r") in honor of the city's historic name.
During the Civil War Albuquerque was occupied in February 1862 by Confederate troops under General Henry Hopkins Sibley, who soon afterwards advanced with his main body into northern New Mexico. During his retreat from Union troops into Texas he made a stand on April 8, 1862 at Albuquerque. A day-long engagement at long range led to few casualties against a detachment of Union soldiers commanded by Colonel Edward R. S. Canby.
When the Atchison, Topeka and Santa Fe Railroad arrived in 1880, it bypassed the Plaza, locating the passenger depot and railyards about 2 miles (3 km) east in what quickly became known as New Albuquerque or New Town. Old Town remained a separate community until the 1920s when it was absorbed by the City of Albuquerque, which had been incorporated in 1891. Albuquerque High School, the city's first public high school, was established in 1879.
Early 20th century
New Albuquerque quickly became a tidy southwestern town which by 1900 boasted a population of 8,000 inhabitants and all the modern amenities including an electric street railway connecting Old Town, New Town, and the recently established UNM campus on the East Mesa. In 1902 the famous Alvarado Hotel was built adjacent to the new passenger depot and remained a symbol of the city until it was torn down in 1970 to make room for a parking lot. In 2002, the Alvarado Transportation Center was built on the site in a manner resembling the old landmark. The large metro station functions as the downtown headquarters for the city's transit department, and serves as an intermodal hub for local buses, Greyhound buses, Amtrak passenger trains, and the Rail Runner commuter rail line.
New Mexico's dry climate brought many tuberculosis patients to the city in search of a cure during the early 1900s, and several sanitaria sprang up on the West Mesa to serve them. Presbyterian Hospital and St. Joseph Hospital, two of the largest hospitals in the Southwest, had their beginnings during this period. Influential New Deal-era governor Clyde Tingley and famed southwestern architect John Gaw Meem were among those brought to New Mexico by tuberculosis.
Decades of growth
The first travelers on Route 66 appeared in Albuquerque in 1926, and before long dozens of motels, restaurants, and gift shops had sprung up along the roadside to serve them. Route 66 originally ran through the city on a north-south alignment along Fourth Street, but in 1937 it was realigned along Central Avenue, a more direct east-west route. The intersection of Fourth and Central downtown was the principal crossroads of the city for decades. The majority of the surviving structures from the Route 66 era are on Central, though there are also some on Fourth. Signs between Bernalillo and Los Lunas along the old route now have brown, historical highway markers denoting it as Pre-1937 Route 66.
The establishment of Kirtland Air Force Base in 1939, Sandia Base in the early 1940s, and Sandia National Laboratories in 1949, would make Albuquerque a key player of the Atomic Age. Meanwhile, the city continued to expand outward onto the West Mesa, reaching a population of 200,000 by 1960.
As Albuquerque spread outward, the downtown area fell into a decline. Many historic buildings were razed in the 1960s and 1970s to make way for new plazas, high-rises, and parking lots as part of the city's urban renewal project. Only recently has downtown come to regain much of its urban character, mainly through the construction of many new loft apartment buildings and the renovation of historic structures like the KiMo Theater.
New millennium
During the 21st century, the Albuquerque population has continued to grow rapidly. The population of the city proper is estimated at 494,236 in 2005, up from 448,607 in the 2000 census, and is projected to reach 540,279 in 2010. The metropolitan area population is estimated at 799,260 in 2006, up from 712,738 in the 2000 census, and is projected to reach 883,295 in 2010, and surpass 1 million by 2020.
During 2005 and 2006, the city celebrated its tricentennial with a diverse program of cultural events. 
34875 
204 Alcácer do Sal, Setúbal, Portugal  -8.504215  38.375940  Alcácer do Sal is een plaats en gemeente in het Portugese district Setúbal. De gemeente heeft een totale oppervlakte van 1502 km2 en telde 14.287 inwoners in 2001. De Sado stroomt langs deze plaats.
Alcácer do Sal es una ciudad portuguesa que pertenence al Distrito de Setúbal, región Alentejo y subregión de Alentejo Litoral, con cerca de 9 100 habitantes.
Es la sede de un município de grandes dimensiones, con 1 479,94 km² en la que apenas hay 14 287 habitantes (2001), está subdividido en 6 freguesias. Los municipios están limitado al norte por Palmela, Vendas Novas y Montemor-o-Novo, a nordeste por Viana do Alentejo, al este por Alvito, al sur por Ferreira do Alentejo y por Grândola, al oeste también por Grândola, a través de un brazr del Estuário do Sado y al noroeste, a través del Estuário do Sado, por Setúbal. 
37650 
205 Alcaçovas, Évora, Portugal  -8.153731  38.391649  No further information found  37709 
206 Alcalá de Henares, Madrid, España  -3.36666666666667  40.4666666666667  Alcalá de Henares is een stad in Spanje, in de regio Madrid, met een inwonertal van 204.100 inwoners. De stad ligt op ongeveer 35 kilometer van het centrum van de hoofdstad Madrid, het is dan ook één van de voorsteden van die stad, maar heeft ook een onafhankelijk centrum en stadsleven.  33648 
207 Alcester, Union County, South Dakota, USA  -96.62988030908309  43.02329105502706  Alcester is a city in Union County, South Dakota, United States. It is part of the Sioux City, IA–NE–SD Metropolitan Statistical Area. The population was 880 at the 2000 census.
History
Before incorporation, the settlement's name was Linia before being changed to Irene. In 1879, the Western Town Lot Company changed its name to Alcester in honor of Colonel Alcester of the British army
Demographics
As of the census of 2000, there were 880 people, 388 households, and 233 families residing in the city. The population density was 2,590.8 people per square mile (999.3/km²). There were 430 housing units at an average density of 1,266.0/sq mi (488.3/km²). The racial makeup of the city was 98.41% White, 0.23% Native American, 0.91% Asian, and 0.45% from two or more races.
There were 388 households out of which 25.0% had children under the age of 18 living with them, 53.4% were married couples living together, 5.7% had a female householder with no husband present, and 39.7% were non-families. 36.9% of all households were made up of individuals and 24.7% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.10 and the average family size was 2.72.
In the city the population was spread out with 18.9% under the age of 18, 5.8% from 18 to 24, 19.9% from 25 to 44, 22.2% from 45 to 64, and 33.3% who were 65 years of age or older. The median age was 48 years. For every 100 females there were 74.6 males. For every 100 females age 18 and over, there were 71.6 males.
The median income for a household in the city was $29,432, and the median income for a family was $44,286. Males had a median income of $28,047 versus $21,167 for females. The per capita income for the city was $16,593. About 6.5% of families and 7.9% of the population were below the poverty line, including 3.8% of those under the age of 18 and 16.0% of those 65 and older. 
70441 
208 Alcochete, Portugal  -8.966667  38.75  Alcochete é uma vila portuguesa pertencente ao Distrito de Setúbal, região de Lisboa e subregião da Península de Setúbal, com cerca de 14 900 habitantes (2004).
É sede de um pequeno município com 128 km² de área, subdividido em 3 freguesias. O município é limitado a norte pelo município de Benavente, a leste e sul por Palmela, a sudoeste pelo Montijo e a noroeste tem uma pequena faixa ribeirinha ao estuário do Tejo. É sede do Parque Natural do Estuário do Tejo. Possui várias salinas ainda activas e onde nidifica uma importante colónia de flamingos. 
33642 
209 Aldekerk, Kerken, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.414659501169808  51.43863815187638  Die Gemeinde Kerken liegt am unteren Niederrhein im Nordwesten von Nordrhein-Westfalen und ist eine kreisangehörige Gemeinde des Kreises Kleve im Regierungsbezirk Düsseldorf.
Geschichte
Die Gemeinde Kerken gehörte bis 1713 zum Herzogtum Geldern, kam dann zu Preußen und stand von 1798 bis 1814 unter französischer Herrschaft, bis 1815 der gesamte Niederrhein auf dem Wiener Kongress dem Königreich Preußen zugeschlagen wurde. Daraufhin kamen am 23. April 1816 im Zuge der Preußischen Verwaltungsorganisation die heute zu Kerken gehörigen ehemaligen Gemeinden zum Landkreis Geldern als einem von über 40 Landkreisen der Provinz Jülich-Kleve-Berg, die später in der Rheinprovinz aufging.
Religionen
In der Gemeinde Kerken existieren drei katholische Pfarrgemeinden. In Aldekerk die katholische Kirchengemeinde St. Peter und Paul. In Nieukerk die katholische Kirchengemeinde St. Dionysius sowie in Stenden die Pfarrgemeinde St. Thomas. Alle Pfarrgemeinden gehören zum Dekanat Geldern und damit zum Bistum Münster.
Die Gemeinde ist nach den Kirchen (plattdeutsch: Kerken) benannt. Die älteste Kirche der Gemeinde steht eigentlich in Nieukerk (nieuwe Kerk = "neue Kirche") und die jüngere Kirche in Aldekerk (alde Kerk = "alte Kirche"). Aber nachdem der Turm der Kirche in Nieukerk abgebrannt war, musste er neu aufgebaut werden und so wurde aus der alten Kirche die neue Kirche.
Die Evangelische Kirchengemeinde Kerken ist mit jeweils einer Kirche in Aldekerk und Nieukerk vertreten. Sie gehört zum evangelischen Kirchenkreis Kleve und der Evangelischen Kirche im Rheinland an. 
64289 
210 Aldenhoven, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.283056  50.895833  Aldenhoven ist eine Gemeinde im Kreis Düren, Nordrhein-Westfalen, Deutschland. Seit dem 1. Januar 1972 gehört Aldenhoven zum Kreis Düren, vorher Kreis Jülich.  37460 
211 Aldingen, Baden-Württemberg, Deutschland  8.705833  48.094444  Aldingen ist eine Gemeinde im Landkreis Tuttlingen in Baden-Württemberg, Deutschland.
Die Gemeinde ist Mitglied der vereinbarten Verwaltungsgemeinschaft der Stadt Spaichingen. 
35764 
212 Alem - Maren en Kessel, Noord-Brabant  5.398132324726248  51.80118797767968  Alem, Maren en Kessel is een voormalige Nederlandse gemeente in de provincie Noord-Brabant, die bestaan heeft van 1821 tot 1958.
Het voormalige gemeentehuis van "Alem, Maren en Kessel" stond in Maren.
Bij de gemeentelijke indeling tijdens de Franse bezetting van 1794-1814 werden de dorpen Alem, Maren en Kessel op de linkeroever van de Maas stroomafwaarts van Lith drie onafhankelijke gemeentes. Reeds in 1819 besluiten de drie dorpen te fuseren en op 1 januari 1821 wordt de gemeente "Alem, Maren en Kessel" opgericht. Het Wild en Gewande verder stroomafwaarts maakten ook deel van deze gemeente uit. Rond 1900, wordt Gewande overgedragen aan de voormalige gemeente Empel en Meerwijk, die op zijn beurt sinds 1971 is geannexeerd door de gemeente 's-Hertogenbosch.
Door de Maaskanalisatie in de jaren 1930 komt Alem op de andere oever te liggen, maar bestuurlijk verandert er voorlopig niets. In 1958 wordt de gemeente dan toch opgeheven. Alem wordt dan bij de Gelders-Brabantse grenscorrecties van 1958 gevoegd bij de voormalige Gelderse gemeente Maasdriel, die in 1999 opgaat in de nieuwe gemeente Maasdriel. Maren, Kessel en Het Wild worden bij de Noord-Brabantse gemeente Lith ingedeeld. 
137689 
213 Alem, Alem - Maren en Kessel, Noord-Brabant  5.34361111111111  51.7869444444444  Alem, Maren en Kessel is een voormalige gemeente in Noord-Brabant. De gemeente bestond uit de plaatsen Alem, Maren en Kessel.
De gemeente is in 1819 ontstaan, toen de gemeenten Alem, Maren en Kessel met elkaar fuseerden tot deze gemeente. De gemeente heeft tot 1958 bestaan. Alem kwam toen bij de gemeente Maasdriel. Maren en Kessel kwamen bij de gemeente Lith. Ook kwamen er delen bij Rossum en Empel en Meerwijk. 't Wild hoorde ook tot de gemeente Alem, Maren en Kessel. 
33035 
214 Alensberg, Moresnet, Liège, België  6.038410  50.719462  Moresnet is een plaatsje in de gemeente Bleiberg in het noordoosten van de Belgische provincie Luik.
Het is vooral bekend als de naamgever van het gebied Neutraal Moresnet (het tegenwoordige Kelmis) dat van 1816 tot 1919 heeft bestaan. Na de val van Napoleon Bonaparte vergaderden de Europese landen bij het Congres van Wenen in 1814 en 1815. Ze hertekenden daar de kaart van Europa. Nederland en Pruisen wilden allebei de zinkmijn van Vieille Montagne hebben nabij Vaals. Er was een compromis nodig en ze kozen voor een curieuze staatsrechtelijke oplossing door een apart landje rond die mijn in het leven te roepen: Neutraal Moresnet. Na de onafhankelijkheid van de Belgen in 1830 lag daarom bij Vaals een vierlandenpunt. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg België het gebiedje. Vanaf toen was er weer een drielandenpunt. In Moresnet bevindt zich ook een befaamd viaduct, in de spoorlijn Aken - Luik (thans nog alleen voor goederenvervoer). Het is een opvallende verschijning omdat het hoog boven het dorpje uittorent.
Bezienswaardigheden
* parochiekerk uit 1673;
* kasteel Alensberg, daterend uit de 17de eeuw;
* ruïne van de burcht Schimper met muren en kelders uit de 12de eeuw en toren die uit de 14de eeuw dateert;
* kasteel Uilenberg uit de 19de eeuw;
* kasteel van Bemt in barokstijl met restanten uit de gotiek, o.a. de toren.
Bij het dorp bevindt zich ook de bedevaartplaats Eikske.
Onderstaand verhaal in het Duits, is curieus.
Bis zu Beginn des Zweiten Weltkrieges verlief das Leben in Moresnet und auf dem Herrensitz Alensberg in der Nähe der Eisenbahnbrücke in ruhigen und geordneten Bahnen. Dann aber, am 10. Mai 1940, - die damaligen Besitzer hatten das Schloss zeitig verlassen - , wurde der alte Adelssitz von der Besatzungsmacht requiriert und im Zuge der weiteren Kriegsereignisse von ausgebombten Zivilpersonen belegt. Unterwohnung und Verwahrlosung des Gebäudes waren die Folgen.
Das reiche Mobilar, Kunstgegenstände und wertvolle Gemälde, fanden, wie in Kriegszeiten üblich, neue Besitzer.
Am 10. September 1944, als die abrückenden deutschen Truppen den mächtigen Moresneter Eisenbahnviadukt sprengten, wurde Alensberg derart in Mtlidenschaft gezogen, dass der Besitzer es bis auf den Turm abreissen liess.
Nach dem Abbruch aller Anbauten bot Alensberg wieder den Anblick eines spätmittelalterlichen Wohnturms. Bis zur 2. Enge des fünfstöckigen Baues haben die Mauern eine Dicke von 1,80 m. Im 1. Stock befindet sich ein Raum mit gewölbter Decke. Das Dach ruht auf einem leicht vorspringenden Mauerkranz.
Als Wohnturm mit Wassergräben geht Alensberg wohl auf die Mitte des 15. Jh. zurück. Erbauer soll Johann von Alensberg gewesen sein. Die Familie von Alensberg wird erstmals im 14. Jh. urkundlich erwähnt.
Johann von Alensberg und Arnold von Tzevel werden 1467 im Zusammenhang mit dem Galmeiabbau in Kelmis genannt.
Zu Beginn des 11 Jh. gehörte die Herrschaft Alensberg der Johanna von Tzevel, die durch ihre Heirat mit Johann von Dobbelstein, Herr der Eyneburg, Alensberg dem Hause Dobbelstein einverleibte. 1517 kam es zu einer Teilung unter die Gebrüder Johann Arnold und Arnold Adam von Dobbelstein. Die Dobbelsteins blieben Besitzer von Alensberg bis um die Mitte des 17. Jh., als das Gut durch Heirat an Alexander von Straet kam, dessen Schwester Isabelle Arnold Schuyl von Walhorn heiratete und dessen Neffe Michel Henri von Walhorn-Straet Alensberg erbte.
Alexander von Straet, Forstmeister des Herzogtums Limburg, hatte die Herrschaft Moresnet am 31. Dez. 1648 vom spanischen König Philipp IV. gekauft. Damals bekam das Haus Alensberg das bis ins 19. Jh. erhaltene Aussehen. Die Wassergräben um den Turm wurden angefüllt und das grosse Herrenhaus an den Turm angebaut.
1746 ging der Besitz durch testamentarische Verfügung des Wilhelm von Straet an Pierre Godefroid Ignace de Lasaulx (1695-1767) über. Dessen Neffe Peter Olivier Albert de Lasaulx (1728-1798) heiratete die aus Brilon in Westfalen stammende Marie E.-J. von Mylius. Aus dieser Ehe stammt ein Sohn: es ist der wohlbekannte erste Bürgermeister von Neutral-Moresnet, Arnold von Lasaulx, der am 21 Jan. 1774 auf Schloss Alensberg geboren wurde, als "citoyen" Lasaulx 1802 "Maire" der "Mairie de Moresnet wurde, 1816 die Verwaltung von Neutral- und Preussisch-Moresnet übernahm und am 18. Juli 1863 in Moresnet verstarb. Sein gleichnamiger Enkel und dessen Sohn Friedrich Eduard von Lasaulx (geb. 1870 in Moresnet, + 1901 in Bonn) waren beide Professor für Philosophie an der Universität Bonn.
Bürgermeister Arnold von Lasaulx verkaufte Schloss Alensberg am 24. Juni 1823 an Karl-James Cockerill, dessen Tochter Caroline den Aachener Industriellen Karl Suermondt heiratete. Dessen Sohn Armand liess Alensberg sowohl innen wie aussen stilgerecht erheblich umändern, was von mancher Seite kritisiert wurde. Armand Suermondt starb 1921 und hinterliess das Schloss seinem Bruder Arthur, der ihn jedoch nur um ein Jahr überlebte.
Durch die Witwe und die Kinder wurde Alensberg zerstückelt und zum Verkauf angeboten. Das Schloss und die beiden angrenzenden Bauernhöfe erstand der Notar Gustav Ernst-Petry. Nach dessen Tod blieb der Nachlass ungeteilt zwischen den beiden Kindern, dem Notar Gerard Ernst und dessen Schwester Lea Ernst, Ehefrau von Marcel Pirrée.
Zur Teilung des Besitzes Alensberg kam es nach dem Tode der vorgenannten Gerard Ernst und Lea Pirrée-Ernst. Dabei fiel das Schloss mit den beiden Höfen an die Tochter Edith Pirrée, verheiratet mit Robert Thiéron, Richter am erstinstanzlichen Gericht in Verviers, der beim Tode seiner Frau (1950) alleiniger Erbe wurde.
Fam. Thiéron besass Alensberg, als der stolze Bau durch die Sprengung der Eisenbahnbrücke irreparabel zerstört wurde. Nach dem Tode des Herrn Thiéron ging die Schlossruine mit dem Grundbesitz und den Höfen durch Kauf an Fam. Emontspool aus Eupen über. Das zum Schloss gehörende Bauernhaus ist seit 1985 im Besitz von Herrn J. Schyns, der Schlachtviehmästung betreibt.
Für die "petite histoire" sei noch erwähnt, dass Alensberg im Jahre 1725 zum Schauplatz einer spektakulären Hinrichtung wurde. Zwei Mitglieder einer in Gemmenich ihr Unwesen treibenden Bande, darunter der Anführer, ein ehemaliger Offizier mit Namen Gaspard Louis de Fitz Patrick, waren nach ihrer Verhaftung nach Alensberg, dem Sitz des Herrn von Straet, Herr von Gemmenich und Alensberg, gebracht und dort eingekerkert worden. Anschliessend hatte man sie nach Limburg ins dortige Gefängnis gebracht.
Der Gemmenicher Meier Dobbelstein stellte den Antrag, die Verhafteten nach Alensberg zurückzuverlegen, um so den Zeugen das Erscheinen vor Gericht zu erleichtern. Während der Mitangeklagte Simon am 18. Januar aus Limburg zurückgebracht und auf Schloss Alensberg durch die Folter zum Geständnis gezwungen wurde, blieb Fitz Patrick vorerst an Händen und Füssen festgekettet im Limburger Gefängnis und wurde erst am 12. März 1725, zwei Tage nach seiner Verurteilung zum Tode, unter starker Bewachung (22 Mann!) nach Alensberg gebracht, wo er hinter der Burg im Beisein einer grossen Menschenmenge enthauptet wurde. Der ebenfalls zum Tode verurteilte Simon wurde am folgenden Tage in Gemmenich, am "Witte Weg" auf der Flur "Hamiot" gehängt, die Leiche wurde anschliessend verbrannt. 
36617 
215 Alénya, Pyrenees Orientales, France  2.980997  42.638230  Alénya est une commune française, située dans le département des Pyrénées-Orientales et la région Languedoc-Roussillon. Ses habitants sont appelés les Alényanais.  36696 
216 Alerheim, Bayern, Deutschland  10.616667  48.85  Alerheim ist eine Gemeinde im schwäbischen Landkreis Donau-Ries und Mitglied der Verwaltungsgemeinschaft Ries mit Sitz in Nördlingen.
Geografie
Alerheim liegt in der Region Augsburg.
Es existieren folgende Gemarkungen: Alerheim, Bühl i.Ries, Rudelstetten, Wörnitzostheim
Geschichte
Erstmals im 8. Jahrhundert n. Chr. wird Alerheim im Zusammenhang mit einer Schenkungen an die Reichsabtei Fulda urkundlich als "villa Alarheim" erwähnt.
Im Dreißigjährigen Krieg wurde die Ortschaft während der Schlacht bei Alerheim stark verwüstet.
Alerheim war von 1306 bis 1806 im Besitz der Familie Oettingen-Wallerstein und kam als Obervogtamt des Fürstentum Oettingen-Wallerstein mit der Rheinbundakte 1806 zu Bayern.
1972 erfolgte die Eingemeindung von Wörnitzostheim, 1978 wurden die Gemeinden Bühl i.Ries (mit den Anhauserhöfen und Neumühle) sowie Rudelstetten eingemeindet.
86733 Alerheim
Ruine (erhalten: Mauerreste, Ruine des Torbaus)
Nutzung: nicht frei zugänglich und im Privatbesitz
ehem. Reichsburg, Mauerring und Teile des Torbaus erhalten
Erbaut: 12.Jh. (Erwähnt: 1147)
Erbauer: Herren von Alerheim, (ehem.) Besitzer: Reichsburg, Grafen von Truhendingen
(A) 16.Jh. (Z) 1634 
33777 
217 Ålesund, Møre og Romsdal, Norge  6.148900047485313  62.47237986763236  Ålesund is een gemeente in de Noorse provincie Møre og Romsdal. Aalesund is een verouderde schrijfwijze van Ålesund. Ålesund ligt op 230 km ten noordoosten van Bergen. De stad is gebouwd op drie eilanden -Hessa, Aspøy en Nørvøy- die de belangrijke vissershaven omringen.
De plaatsen Årset en Myklebost maken deel uit van de gemeente.
In 1968 werden Ålesund en Borgund samengevoegd. In Borgund vinden we het oude en bekende Borgund Kaupang, het handelscentrum in het oosten van Ålesund. Borgund was in de middeleeuwen een belangrijk handelscentrum en nauw gelieerd met de Giske familie.
http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=%C3%85lesund&oldid=32500500 
131559 
218 Alexander, Franklin County, Iowa, USA  -93.47665786743164  42.80538394559361  Alexander is a city in Franklin County, Iowa, United States. The population was 175 at the 2010 census.
Alexander is the hometown of Iowa Congressman Tom Latham.
History
Alexander was platted in 1885, not long after the Central Railroad of Iowa had been built through the territory. 
147367 
219 Alexanderpolder, Rotterdam, Zuid-Holland  4.5600128173828125  51.94669860016041  De Prins Alexanderpolder bestaat uit een reeks drooggelegde veenplassen in de buurt van de rivier de Rotte ten noordoosten van de stad Rotterdam.
Drooglegging
De plassen werden drooggelegd tussen 1865 en 1874. In die tijd is 2660 hectare in één keer drooggemaakt om landbouwgrond te creëren. Al snel werd de grond echter vooral gebruikt als tuinbouwgrond. De polder is vernoemd naar Prins Alexander der Nederlanden (1851-1884).
Over de wijze van drooglegging was halverwege de 19e eeuw veel discussie. Landmeter J.A. Scholten kwam in 1843 met een plan met windbemaling. Hoofdingenieur J.A. Beyerinck van Rijkswaterstaat wilde stoombemaling zoals dat ook werd toegepast bij de drooglegging van het Haarlemmermeer. Men koos tenslotte voor stoombemaling. Het gehele gebied werd volledig opnieuw ingericht, de al bestaande wegen en kaden gingen ook op de schop. In 1866 werden de ringvaart en het afvoerkanaal aangelegd. Ook in dat jaar wordt de eerste steen voor het bovengemaal gelegd. Dit gebeurde door de 15-jarige Prins Alexander.
1rightarrow.png Zie ook Jan Anne Beijerinckgemaal
Woningbouw
In 1961 maakte de gemeente Rotterdam duidelijk dat het tuinbouwgebied werd bestemd voor woningbouw. De eerste nieuwbouwwijk was Het Lage Land. Deze wijk werd ontworpen naar de inzichten van de stedenbouwkundige Lotte Stam. De wijk is een voorbeeld van het "functionalistische Nieuwe Bouwen". Later kwamen de wijken Ommoord, Zevenkamp en Prinsenland en tot slot Nesselande. In 1968 werd het spoorwegstation Rotterdam Alexander geopend, in 1983 kwam het eerste deel - naar Binnenhof - van de bovengrondse metroverbinding met het centrum van Rotterdam gereed.
Deelgemeente
Met de instelling van de deelgemeenten in Rotterdam is het Rotterdamse deel van de polder de deelgemeente Prins Alexander geworden. In de jaren '90 van de 20ste eeuw worden Alexandrium I, II en III gebouwd, een groot winkelcentrum en woonboulevard, gebouwd om het historische polderhuis uit 1932. De op-een-na laatste wijk, Prinsenland, is in de periode 1984-1998 verkaveld en gebouwd; met de bouw van de laatste wijk, Nesselande, is in 2000 begonnen.
Trivia
Jarenlang gold de polder als het laagste punt van Nederland, totdat bleek dat het werkelijke laagste punt in de Zuidplaspolder in Nieuwerkerk aan den IJssel ligt. 
109788 
220 Alexandria, Douglas County, Minnesota, USA  -95.37663865134283  45.88425800000001  Alexandria is a city in, and the county seat of, Douglas County, Minnesota, United States. First settled in 1858, it was named after Alexander and William Kinkead. The population was 11,070 at the 2010 census.
Alexandria is located near Interstate 94, along Minnesota State Highways 27 and 29. Lake Carlos State Park is ten miles north of Alexandria. 
118306 
221 Alexandria, Hanson County, South Dakota, USA  -97.78106689453125  43.65530098160181  Alexandria is a city in Hanson County, South Dakota, United States. It is part of the Mitchell, South Dakota Micropolitan Statistical Area. The population was 615 at the 2010 census. It is the county seat of Hanson County.
History
Alexandria's post office was established in 1880, and the city later incorporated in 1885. The city was named for railroad president Alexander Mitchell.
The town's VFW Teener team captured the VFW State Championship in 2007. Also the towns football team, the Hanson Beavers, captured the school's first ever state championship in 2005. The town's High School Basketball team, then called the Alexandria Beavers, won the State "B" Championship in 1963 and 1965, settling for first runner up in 1964. Since 2005, the Hanson Beaver Football Team has captured four state titles and are currently back to back to back champions winning in 2005, 2008, 2009, and 2010. 
84388 
222 Alexandria, Madison County, Indiana, USA  -85.676267  40.263191  Alexandria is a city in Madison County, Indiana, United States. It is about 46 miles northeast of Indianapolis. It is part of the Anderson, Indiana Metropolitan Statistical Area. Its population, as of 2000 is 6,260, according to the United States Census.
Alexandria is served by the Cleveland, Cincinnati, Chicago & St Louis, and the Lake Erie & Western railways. In the city are a Carnegie library and Beulah Park of 24 acres (97,000 m²) & home of the Madison County "4H Fair". The city is located in rich farm country, which produces Indian corn, oats and wheat; and is in the Indiana natural gas region, to which fact it owes its growth as a manufacturing centre. It was one of the principal seats of the glass industry in Indiana-- plate glass, lamp chimneys, mirrors, &c., were once manufactured here. The municipality owns and operates the water-works as well as the city schools. Alexandria was founded in 1836 and was chartered as a city in 1893.
Alexandria is also known as "Small Town USA" and holds an annual festival to honor this heritage. Famous residents include Bill and Gloria Gaither, winners of four Grammys. Gaither Studios is a very busy recording center for different types of music. It is especially known for producing Gospel music.
Alexandria is home to what is lauded by the Guinness Book of World Records as the world's largest ball of paint.
Demographics
As of the censusGR2 of 2000, there were 6,260 people, 2,481 households, and 1,654 families residing in the city. The population density was 891.9/km² (2,308.6/mi²). There were 2,704 housing units at an average density of 385.2/km² (997.2/mi²). The racial makeup of the city was 98.10% White, 0.46% Black or African American, 0.08% Native American, 0.11% Asian, 0.02% Pacific Islander, 0.43% from other races, and 0.80% from two or more races. 0.99% of the population were Hispanic or Latino of any race.
There were 2,481 households out of which 33.9% had children under the age of 18 living with them, 49.0% were married couples living together, 12.7% had a female householder with no husband present, and 33.3% were non-families. 28.9% of all households were made up of individuals and 13.1% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.48 and the average family size was 3.04.
In the city the population was spread out with 27.8% under the age of 18, 8.9% from 18 to 24, 28.0% from 25 to 44, 19.5% from 45 to 64, and 15.9% who were 65 years of age or older. The median age was 35 years. For every 100 females there were 91.4 males. For every 100 females age 18 and over, there were 87.4 males.
The median income for a household in the city was $35,359, and the median income for a family was $42,731. Males had a median income of $30,529 versus $23,384 for females. The per capita income for the city was $15,578. About 4.2% of families and 7.0% of the population were below the poverty line, including 4.1% of those under age 18 and 15.0% of those age 65 or over. 
39723 
223 Alexisdorf, Niedersachsen, Deutschland  6.970810  52.622799  Der Landkreis Grafschaft Bentheim ist ein Landkreis im Südwesten von Niedersachsen an der Staatsgrenze zu den Niederlanden und an der Landesgrenze zu Nordrhein-Westfalen. Kreisstadt und größte Stadt des Landkreises ist Nordhorn mit rund 53.000 Einwohnern.
Erste Versuche, die Moorgebiete infrastrukturell zu erschließen, organisierten die Nationalsozialisten in Form des Reichsarbeitsdienstes, der im Jahr 1938 Strafgefangenenlager im Moor errichtete. Bekannte Namen sind Bathorn (Hoogstede), Alexisdorf (Neugnadenfeld) und Füchtenfeld (Wietmarschen). 
37096 
224 Alfarrobeira, Portugal  -8.1522  37.1663  The Battle of Alfarrobeira (pron. IPA al.fɐ.ʁu.'bɐj.ɾɐ) took place on May 20, 1449. It was a confrontation between the forces commanded by king Afonso V of Portugal and his uncle Afonso, Duke of Braganza, against the army of the rebellious Pedro, Duke of Coimbra. The place was Alverca, near Lisbon, at the margins of the creek of Alfarrobeira. The result was the definite defeat and death of the duke of Coimbra and the establishment of the Bragança as the most powerful house of Portugal.  33905 
225 Alfaz del Pi, Alicante, España  -0.097503662109375  38.58039251485846  Alfaz del Pi (en valenciano y oficialmente, l'Alfàs del Pi) es un municipio de la Comunidad Valenciana (España) situado en la costa de la provincia de Alicante, unos 50 km al noreste de la ciudad de Alicante y en la comarca de la Marina Baja. Cuenta con 20.939 habitantes (INE 2008), de los cuales más del 50% es de nacionalidad extranjera.
Historia editar
Existe un yacimiento arqueológico junto a la playa de Albir que atestigua la presencia de colonos romanos durante los siglos II a IV de nuestra Era. Compartían el espacio con una población que, asentada allí desde el Neolítico, había experimentado a partir del siglo V antes de Cristo la presencia de grupos de íberos que dejaron importantes vestigios y toponimia en la comarca.
Son muy limitados los vestigios de la dominación árabe en la zona (711 a 1258) pero uno de los factores decisivos de la configuración de la localidad hay que buscarlo en los enfrentamientos que a lo largo de los siglos XVII y XVIII tuvo que padecer toda la comarca alicantina por parte de los piratas y corsarios norteafricanos.
El nombre del municipio proviene del vocablo árabe al-fas, que significa "tierra fértil", mientras que el añadido de pi es una palabra valenciana que significa pino, árbol que se plantó en la plaza principal del pueblo en el año 1786 por los habitantes que querían la independencia del municipio de Polop. Este pino de más de 220 años es el símbolo del pueblo.
Alfaz del Pi se independizó finalmente en el año 1836. 
72824 
226 Alfhausen, Niedersachsen, Deutschland  7.951389  52.501944  Alfhausen ist eine Mitgliedsgemeinde der Samtgemeinde Bersenbrück im Landkreis Osnabrück, Niedersachsen.
Lage
Alfhausen liegt etwa 27 km (Luftlinie) nördlich von Osnabrück zwischen den Südost-Ausläufern der Ankumer Höhe im Westen und dem Alfsee im Südosten. Eine schnelle Erreichbarkeit wird auch durch den nur ca. 10km entfernten Autobahnanschluss Neuenkirchen-Vörden der A1 gegeben. Alfhausen liegt direkt an der B 68 zwischen Bersenbrück im Norden und Bramsche / Hesepe im Süden.
Gemeindegliederung
Ortsteile sind: Alfhausen, Heeke, Thiene und Wallen. Die Gemeinde ist im Zuge der allgemeinen Gebietsreform in den 70er Jahren entstanden.
Geschichte
Alfhausen wurde 977 gegründet. Der Name Alfhausen kommt aus dem Plattdeutschen und bedeutet: Elf Häuser. Die genaue Geschichte ist jedoch unbekannt. 
36204 
227 Algonac, Orange County, New York, USA  -74.280473  41.410566  Over de stad Algonac in Orange County, New York zijn geen bijzonderheden bekend. Ook de exacte ligging kon niet worden achterhaald. Om die reden zijn de coördinaten bepaald voor het midden van Orange County.  1086 
228 Algonquin Park, Ontario, Canada  -78.5848617553711  45.55745351222492  Algonquin Provincial Park is a provincial park located between Georgian Bay and the Ottawa River in central Ontario. It is the first provincial park in Canada having been established in 1893. It covers about 7630 square kilometres. Its size, combined with its proximity to the major urban centres of Toronto and Ottawa make it one of the most popular parks in the province. Highway 60 runs through the south of the park, while the Trans-Canada Highway bypasses it to the north. Over 2400 lakes and 1200 kilometres of streams and rivers are located within the park, including Canoe Lake and the Petawawa, Nipissing, Amable du Fond, Madawaska, and Tim rivers. These were formed by the retreat of the glaciers during the last ice age.
Algonquin Park was named a national historic site in 1992 in recognition of several heritage values, including: its role in the development of park management; pioneering visitor interpretation programs later adopted by national and provincial parks across the country; its role in inspiring artists, which in turn gave Canadians a greater sense of their country; and historic structures such as lodges, hotels, cottages, camps, entrance gates, a railroad station, and administration and museum buildings.
The park is in an area of transition between northern coniferous forest and southern deciduous forest. This unique mixture of forest types, and the wide variety of environments in the park, allows the park to support an uncommonly wide variety of plant and animal species. It is also an important site for wildlife research.
Park creation
In the 19th century, the logging industry harvested the large white pine and red pine trees, to produce lumber for domestic and American markets, as well as square timber for export to Great Britain. They were followed by small numbers of Homesteaders and farmers. But the area's beauty was also recognized by nature preservationists.
To manage these conflicting interests, the Ontario Government appointed a commission to inquire into and report on the matter. The act to establish Algonquin Park was drawn up in 1892 by this five member Royal Commission, made up of Alexander Kirkwood (the chairman and Commissioner of Crown Lands), James Dickson (Ontario Land Surveyor), Archibald Blue (director of mines), Robert Phipps (head of the Forestry Branch), and Aubrey White (Assistant Commissioner of Crown Lands). Their report recommended that the park should be established in the territory lying near and enclosing the headwaters of five major rivers, those being: the Muskoka, Madawaska (including Opeongo), Amable du Fond, Petawawa and South rivers.
The commissioners remarked in their report: "the experience of older countries had everywhere shown that the wholesale and indiscrimate slaughter of forests brings a host of evils in its train. Wide tracts are converted from fertile plains into arid desert, springs and streams are dried up, and the rainfall, instead of percolating gently through the forest floor and finding its way by easy stages by brook and river to the lower levels, now descends the valley in hurrying torrents, carrying before it tempestuous floods."
Although much of the area within Algonquin had been under licence for some time, it was intended to make the Park an object lesson in forestry, the land being yet well timbered with pine and hardwoods. Under the act, only licences to cut pine would be issued for limits within the park. Although the commissioners had recommended that when the hardwood was mature, it too should be cut.
An Act to establish "Algonquin National Park of Ontario" was passed by the Ontario Legislature, May 23, 1893(56 Vic.,c.8). However, the park has always been under the jurisdiction of the provincial government. No provincial parks existed until Algonquin, but there was a new movement to create national parks since Banff's establishment in 1885. The name was changed to Algonquin Provincial Park in 1913.
The boundaries of the Park included 18 townships within the District of Nipissing, covering an area of 1,466 square miles (3797 km²) of which 10% was under water. The tract of land was to be set apart, as a public park, health resort and pleasure ground for the benefit, advantage and enjoyment of all the people of the province. The year following the park's creation saw the portions of six new townships added to the existing park's boundaries (Paxton, McCroney, Finlayson, Butt, Ballantyne, and Boyd). The first four were immediately put up for auction that same year. The overall production of the lumber companies operating in the park at the time increased from 288 million board feet (680,000 m³) in 1886 to 343 million board feet (809,000 m³) in 1896.
Park rangers were placed in it, the game protected, and forest fires kept out. By 1910 Algonquin was alive with game of all kinds, deer and beaver being numerous. Thousands of people had visited the great pleasure resort and it was said to be undeniably one of the most beautiful natural parks in the Dominion, if not on this continent." All this had entailed a large expenditure by the government, which was recovered chiefly through the maintenance of timber licences. There was no fee for camping permits, though a nominal charge was introduced for fishing and guides' licences when "An Act to establish the Algonquin National Park of Ontario" was again passed by the legislature, March 19, 1910. This new legislation included the original area as well as portions of ten townships annexed into the park since 1893, and allowed for further expansion by the addition of adjacent townships, should it become necessary.
History
Construction of the Ottawa, Arnprior and Parry Sound Railway (O. A. & P. S.) through the park in 1896 provided the first easy access to the area. While the park’s purpose was to control settlement within its boundaries, the families of railway workers as well as those of the lumbermen took up residence in the park. The village of Mowat on the west side of Canoe Lake was first established in 1893 as a logging camp for the Gilmour Lumber Company. From there, logs were driven down the Oxtounge River towards Lake of Bays and eventually on to Trenton. In the same year the park headquarters was established near the logging camp. The arrival of the railway had provided easy access for the lumbermen as well. The Gilmour firm decided to put up a sawmill closer to their source of timber. By 1897 the village of Mowat had grown to 500 residents and there were eighteen km of railway siding.
The same year saw the official opening of the railway between Ottawa and Depot Harbour. Park headquarters were also relocated in 1897 from Mowat to a point of land on the north shore of Cache Lake, adjacent to the railway. The O. A. & P. S. put up a station there it named Algonquin Park. The railway, taken over by the Canada Atlantic Railway in 1899, was in turn sold to the Grand Trunk Railway (GTR) in 1905.
In 1898 George W. Bartlett was appointed as the second superintendent of Algonquin Park, replacing the late Peter Thompson. Placed under the direction of the Premier of Ontario to make the park self-sufficient, Bartlett worked to make the park more attractive to tourists by encouraging short-term leases for cottages, lodges and camps. Changes came about in 1908, when Hotel Algonquin was opened at Joe Lake. The Grand Trunk Railway opened its first hotel, the Highland Inn, near Park Headquarters. Built on a hill behind Algonquin Park station, the two-storey year-round resort was an immediate success. Soon other guest lodges were established in the park. To the west side of Highland Inn, land was cleared and raised wooden platforms erected, on which tents (supplied by the hotel), were put up to meet the requirements the rapidly growing tourist trade.
At the village of Mowat, abandoned by Gilmour Lumber Co. in 1900, the mill’s former boarding house became Mowat Lodge in 1913. The Highland Inn was enlarged, and new camps were built. Nominigan Camp, consisting of a main lodge with six cabins of log construction, was established on Smoke Lake. Camp Minnesing on Burnt Island Lake was created as a wilderness lodge. Both, only open in July and August, were built by the GTR as affiliates of the Highland Inn.
A second railway, the Canadian Northern (CNoR), was built across the northern portion of the park, opening in 1915. Both lines later became part of Canadian National Railways. The beginning of the end of rail service in the park happened in 1933 when a flood damaged an old Ottawa, Arnprior and Parry Sound Railway trestle on Cache lake. The trestle was deemed too dangerous to use and too expensive to fix, ending through service on the southern line (old O.A. & P.S.). Service from the west ended in 1952, and from the east in 1959. Service on the old Canadian Northern (CNoR) line through the north end of the park ended in 1995. Many of the trails in the park still make use of portions of the old railway rights-of-way.
The remote location and reasonably easy access from the National Research Council's Ottawa base of operations made the Park a natural location for an eastern radio telescope, built in 1959 as the Algonquin Radio Observatory (ARO). Although radio astronomy is not as active a field of research as it was in the 1950s and 60s, the ARO continues operation today.
As recreational use of the park increased during the 1950’s and 60’s, it became clear that a long-term plan to manage the park was required. Six years of consultation with the various users of the park resulted in the 1974 publication of the Algonquin Master Plan, a management plan that sought to ensure that the park could continue indefinitely to serve all of the competing park interests. Three major changes came about as a result of the plan. One, the park was divided into zones with different specified purposes and uses: Nature Reserve and Historic (5.7% of land area), Wilderness (12%), Development (4.3%) and Recreation-Utilization (78%) zones. Logging in the park is limited to the Recreation-Utilization zones, but is separated as much as possible from users of the park interior in order to maintain the park's natural environment. Each year only a small percentage of the park is being actively logged. Two, all existing timber licenses were cancelled, and all logging in the park is now done by the Algonquin Logging Authority, which supplies timber to 10 private mills outside the park. Three, rules were put in place to limit the impact of recreational use of the park. Almost all cans and bottles are banned in the interior, and limits are placed on the number of people per campsite, and the number of people who can enter the park interior per day at each access point. Also the use of boat motors is limited, both in horsepower and to a few of the larger and more accessible lakes. The master plan has been reviewed and updated four times since 1974, with the latest version being published in 1998.
A legacy of unforgettable landscapes
In time, the area's beauty became recognized by nature preservationists. It quickly became popular with anglers, though hunting was prohibited, except through the lense of a camera. The beauty of Algonquin Park attracted artists such as Tom Thomson along with members of the Group of Seven, who found the landscape inspiring. Thomson served as a guide in the park, often working from Mowat Lodge. He did much of his painting at Canoe Lake, a favorite campsite was behind Hayhurst Point, a peninsula overlooking the central portion of the lake. He died under mysterious circumstances at Canoe Lake in 1917. A plaque recognizing his national historic significance stands at the Visitor Center dock on Canoe Lake, erected by the Historic Sites and Monuments Board of Canada. A cairn and totem pole memorial erected by friends of the painter, stands on Hayhurst Point, near the north end of the lake.
Visitor activities
Algonquin is popular for year-round outdoor activities. There are over 1,200 campsites in 8 designated campgrounds along Highway 60 in the south end of the park, with almost 100 others in 3 other campgrounds across the northern and eastern edges. There is also the Whitefish Lake group campground with 18 sites of various sizes to accommodate groups of 20, 30, or 40 people. It is also possible to camp further inside the park in sites accessible only by canoe or on foot. Other activities include fishing, mountain biking, horseback riding, and cross country skiing. Algonquin is also home to a very popular Natural Heritage Education program, the most popular program being the weekly wolf howls on Thursdays in the month of August, and sometimes in the first week of September if there is a Thursday before Labour Day, weather and wolves permitting. Park staff attempt to locate a pack Wednesday evening and if successful, they announce a public wolf howl the next day. The park has 19 interpretive trails, ranging in length from 0.8 km to 13 km. Each trail comes with a trail guide and is meant to introduce you to a different aspect of the park's ecology or history. The park also publishes a visitor's newsletter, The Raven, 12 times a year between late April and early September.
Interior camping
Although there are numerous drive-in campgrounds in Algonquin, the park is better known for its interior camping, that is, campsites which are only accessible by canoe or hiking in the summer, or ski or snowshoe in the winter. Algonquin Park provides some of Canada's best canoeing, with hundreds of navigable lakes and rivers forming a 2000 km long interconnected system of canoe routes. The further a camper progresses from access points, the more wild the park will become, and it is possible to spend several days in the interior with little or no sight of other campers. Park staff maintain portages between all major and even smaller lakes, and interior campsite reservations can be made through the main Ontario Parks reservation system. Potential interior campers should note that there are two types of portages in the park; those marked as red lines on the map are well-maintained and usually well-travelled, while those marked in black receive much less maintenance and can be considerably more difficult to follow. There are also 3 hiking trails, with loops ranging from 6 to 88 km long.
Interior campsites can vary widely, and aside from the historic ranger cabins none have any permanent shelter. Sufficient bad-weather gear (tents, tarps, etc) should be brought so the trip can remain enjoyable in the face of less-than-perfect weather. All campsites have prepared firepits, which should be the only location used for campfires. Fires made in non-prepared sites can cause underground roots to burn, allowing the fire to slowly spread underground and making it very difficult to extinguish. Park rules and suggestions for gear can be found on the reverse of the official Algonquin Park map.
Interior camping can provide excellent wildlife viewing opportunities. The eerie call of the common loon can be heard from every campground and loons can be seen on almost every lake. Moose, deer, and beaver can often be seen, especially along waterways, given sufficiently quiet campers. Black bears, although present in the park, are seldom seen, especially if appropriate precautions to avoid attracting them are taken. Wolves may be heard, but will likely remain distant from campers. 
50154 
229 Alicante, España  -0.4880261425569188  38.344738225211934  Alicante (en valenciano y cooficialmente Alacant) es una ciudad y municipio español, capital de la provincia homónima, una de las tres que conforman la Comunidad Valenciana. Es ciudad portuaria situada en la costa mediterránea. Por su población, de 334.329 habitantes (INE 2011), es el segundo municipio valenciano más poblado y el undécimo de España. Forma una conurbación de 452.462 habitantes con muchas de las localidades de la comarca del Campo de Alicante: San Vicente del Raspeig, San Juan de Alicante, Muchamiel y Campello. Estadísticamente se asocia también al área metropolitana de Alicante-Elche, que cuenta con 757.443 habitantes. Es una ciudad eminentemente turística y de servicios.
La ciudad ostenta los títulos de «Muy Ilustre Fiel y Siempre Heroica Ciudad de Alicante». Las dos primeras le fueron concedidas por Felipe V; bastante más tarde le llegaría la de Heroica, que le otorgó Alfonso XII según real decreto aparecido en el Boletín Oficial de la Provincia el viernes 10 de junio de 1881. Con anterioridad Alfonso X el Sabio ya la había distinguido con las de Leal y Esforzada. Posteriormente fue Carlos I quien, junto con el Toisón de Oro para la orla de sus armas, concedido en el año 1524, confirmó también a su municipio el tratamiento de excelencia.
Historia
Prehistoria y Edad Antigua
Orígenes
Los orígenes del asentamiento urbano en la huerta y alrededores de Alicante se remontan a la aparición de poblados íberos que datan del siglo III a.C, en estrecha relación con factorías comerciales griegas, principalmente la de los Baños de la Reina en El Campello. Y es que son colonos de Focea (polis griega en Asia Menor) los que tomaron como referencia marítima para la navegación de cabotaje al monte Benacantil llamándolo Akra Leuka («Promontorio Blanco»), si bien no hay certeza de edificaciones hasta que Amilcar Barca situó allí su principal acuartelamiento poco antes de la Segunda Guerra Púnica al valorar las posibilidades que ofrecía como asentamiento militar su cima.4
En el 201 a. C. los romanos capturan la ciudad íbera del cercano Tossal de Manises conocida como Leukante o Leukanto (Lucentum es una latinización del nombre original que sólo existió en los mapas romanos) que contaba con un aceptable puerto marítimo-fluvial en la desembocadura del Barranco de Orgegia. Éste será el primer solar de lo que con el tiempo se convertiría en Alicante.
Periodo tardorromano-visigótico
El encenagamiento del torrente que desemboca junto al poblado de Leucante (Lucentum) hace que deje de ser adecuado como el puerto y queda el asentamiento rodeado de marismas y pantanos palúdicos insalubres, por lo que su población se va desplazando progresivamente hacia las faldas del Benacantil, dando lugar al verdadero origen del actual casco urbano.
Edad Media
Periodo islámico
Entre el 718 y el 4 de diciembre de 1248 la ciudad cae bajo dominio islámico, pasando a llamarse Medina Laqant o Al-Laqant (obsérvese que el topónimo valenciano es Alacant). Durante este periodo, la ciudad siguió los destinos de Al-Ándalus y tras el desmembramiento del Califato de Córdoba perteneció a las Taifas de Denia y Almería. Hoy en día pueden observarse restos arqueológios de la medina islámica junto al ayuntamiento de la ciudad.
Conquista cristiana
En virtud del tratado de Cazola (Soria, 1179) entre Alfonso VII de Castilla y Alfonso II de Aragón, la frontera meridional de Aragón se fijaba en la línea que une Biar, Castalla, Jijona y Calpe. Por lo tanto Alicante pertenecía a la zona de expansión castellana. En el año 1243, el gobernante musulmán de la Taifa de Murcia, Muhamad ben Hud, firmó el Pacto de Alcaraz con el infante Don Alfonso, que después se convertiría en el rey Alfonso X el Sabio, por el cual el reino musulmán de Murcia se ponía bajo protectorado castellano.
Aunque en principio se procedió a repoblar la ciudad, la carencia de suficientes pobladores cristianos unido a razones económicas prolongó la permanencia de la población musulmana. Sin embargo, el gobernador de Alicante, Zayyan ibn Mardanish, no aceptó el pacto y fue obligado acompañado de muchos pobladores a abandonar el área en 1247, fecha en la que comienza la soberanía castellana de Alicante. La conquista militar se finalizó el 4 de diciembre de 1248 con las tropas del rey castellano, comandadas por su hijo el infante Alfonso, futuro Alfonso X el Sabio.9 Por el Tratado de Almizra firmado en 1244 entre los reyes de Castilla y de Aragón, en el que se fijaron los límites de la expansión de sus respectivos dominios en la línea de Biar a Villajoyosa, Alicante permaneció bajo soberanía castellana por un espacio de 48 años. El rey Alfonso X el Sabio, una vez tomada la villa a los andalusíes, conmemora la victoria denominando al castillo árabe construido sobre el monte Banu-l-Qatil (de donde proviene «Benacantil») «de Santa Bárbara», por coincidir esta festividad con el día de la toma de la ciudad por la cristiandad.
Corona de Castilla
Desde el principio, Alfonso X el Sabio intentó establecer en Alicante un grupo de cristianos numeroso dada la importancia militar y mercantil de la villa, pero el proceso repoblador fue lento y se prolongó a lo largo de todo el siglo XIII, aunque está poco documentado a causa de la desaparición de los Libros de Reparto. Los repobladores cristianos, principalmente castellanos y leoneses,10 recibieron todo tipo de privilegios y franquicias para facilitar su asentamiento. Con esta finalidad de asegurar mejor su creciente poblamiento e impulsar más activamente su mayor promoción económica y comercial, en agosto de 1252 Alfonso X otorgó a la ciudad el Fuero Real, muy parecido al de Córdoba. Dotó a la villa de un concejo fuerte, de numerosas exenciones fiscales y de un amplio término municipal, que abarcaba los municipios actuales de Agost, Monforte del Cid, Aspe, Novelda, Elda, Petrel, Busot, Aguas de Busot, El Campello, Muchamiel, San Juan y San Vicente del Raspeig. Además, el rey castellano dispensó grandes medidas de favor al puerto de Alicante, considerado de gran valor estratégico.
Entre 1264 y 1266 Alicante estuvo inmersa en una rebelión mudéjar que se extendió por casi todo el Reino de Murcia; el rey castellano, empleado entonces en el asedio de Niebla, solicitó ayuda a su suegro Jaime I de Aragón para sofocarla. Éste intervino rápidamente y redujo todas las ciudades rebeladas a la aceptación de la soberanía castellana.
Corona de Aragón
Debido a una crisis dinástica por la sucesión de Sancho IV el Bravo, el infante Alfonso de la Cerda, un aspirante ilegítimo a la Corona de Castilla, pidió ayuda a Jaime II de Aragón a cambio de donarle, en caso de conseguir la Corona, el Reino de Murcia, según los acuerdos secretos de Calatayud (1289), Ariza (enero de 1296) y Serón (febrero de 1296). Aprovechando la situación, Jaime II procedió a la conquista del Reino de Murcia.
Alicante fue conquistada en abril de 1296, a pesar de la resistencia del alcaide del castillo Nicolás Peris, terminando con la soberanía castellana. La conquista fue, en parte, facilitada por los colonos cristianos de origen catalán o aragonés (como, por ejemplo, la ayuda de la familia Torregrossa, de cuyo escudo se basa el actual blasón de la ciudad). Aun así, Jaime II respetó los privilegios e instituciones anteriores aunque adaptándolas a la nueva situación política, particularmente después de la incorporación de Alicante, y el resto de comarcas limítrofes al Reino de Valencia mediante la modificación de lo fijado en el Tratado de Almizra (Sentencia Arbitral de Torrellas, 1304 y Tratado de Elche, 1305).
La repoblación cristiana continuó, esta vez con catalanes y, en menor medida, aragoneses, con una velocidad y número mayores, por lo cual la población originariamente castellana quedó en minoría entre la población cristiana. Aun así, hasta la primera expulsión de los moriscos, la población de origen árabe era mayoritaria en comparación con los cristianos.
El crecimiento de principios de siglo XIV se vería truncado a partir de 1333, cuando ya el hambre se dejó sentir en Alicante, primera señal de la crisis que se acercaba: la Guerra de la Unión (1348), la Peste Negra (1348) y la Guerra de los Dos Pedros (Pedro I de Castilla y Pedro IV de Aragón) entre 1356 y 1366 que tuvo en Alicante uno de sus principales escenarios. La villa estuvo en manos castellanas y parte de la población emigró, murió o cayó cautiva. Como consecuencia de ello, la población se vio reducida a la mitad, al igual que en otras ciudades del Reino de Valencia. Con la paz se inicia la reconstrucción social y económica aunque los mudéjares prácticamente desaparecieron y los judíos fueron una minoría. Pedro IV el Ceremonioso dictó numerosas medidas para reactivar la economía y la paz social, aunque esto no evitó el ataque contra los judíos de 1391 que acabó con la presencia de esta comunidad en la sociedad alicantina.
Durante el siglo XV Alicante continuó creciendo y una próspera agricultura orientada hacia la exportación (vino, frutos secos, esparto) impulsó un notable desarrollo del puerto y una clase media que controlaba el gobierno municipal. El único conflicto bélico fue la guerra con Castilla de 1430 que no tuvo excesivas consecuencias. La población continuó en aumento y este progreso sirvió de justificación a Fernando el Católico para otorgarle el título de ciudad en 1490.
Edad Moderna
En 1510 Alicante era la quinta ciudad del Reino de Valencia. Desde la obtención del título de ciudad el desarrollo institucional, económico y demográfico de Alicante fue palpable. El puerto se convirtió durante la Edad Moderna en el más importante del Reino de Valencia y propició el asentamiento de colonias de comerciantes extranjeros que imprimieron un gran dinamismo al tráfico mercantil. La construcción del embalse de Tibi a finales del siglo XVI permitió asegurar la producción de la huerta cercana a la ciudad, cuyo producto principal era la uva, y por consiguiente el vino, junto con la barrilla, el esparto y los frutos secos. El puerto además se convirtió en punto de salida de los productos de La Mancha y en un eficaz redistribuidor de algunos productos coloniales y de salazones llegados del norte de Europa. El desarrollo económico permitió a Alicante arrebatar a Orihuela, en 1647, la capital de la Bailía meridional valenciana y posteriormente, en 1785, la creación de un Consulado del Mar independiente del de Valencia.
Alicante fue objetivo militar en prácticamente todos los conflictos bélicos. Así fue casi destruida en 1691 por la escuadra francesa que dirigía el almirante D'Estrées y durante la Guerra de Sucesión fue ocupada alternativamente por austracistas y borbónicos. La voladura parcial del Castillo de Santa Bárbara por parte del caballero D'Asfelt determinó la salida de los aliados de la ciudad y el triunfo borbónico en esta parte del Reino de Valencia. La Guerra de Independencia dejó también sus secuelas como consecuencia de la crisis de subsistencia y de los gastos militares, se construyeron nuevas murallas y el Castillo de San Fernando, aunque las tropas francesas no llegaron a ocupar la ciudad.
Época Contemporánea
Siglo XIX
El talante abierto y liberal de los alicantinos se manifestó a lo largo del siglo XIX. Muestras de ello son el gozo popular por la Constitución española de 1812 y la desaparición de la Inquisición, las grandes dificultades para formar un batallón de voluntarios realistas en 1824 para reprimir a los liberales, la rebelión de Boné liderada por Pantaleón Boné en 1844, el apoyo a la Vicalvarada (1854) y al pronunciamiento de septiembre de 1868 que dio paso al Sexenio Revolucionario. El primer club republicano se abrió en Alicante alrededor de noviembre de 1868, y esta tendencia política triunfó en las elecciones municipales de 1870.
Debido a su condición de ciudad portuaria fueron frecuentes las epidemias. Una de las más recordadas fue la del cólera-morbo de 1854 (véase: Pandemias de cólera en España). En esta epidemia destacó por encima de todos el Gobernador Civil Trino González de Quijano que heroicamente entregó su vida defendiendo y ayudando, durante los 24 días de su mandato, a los enfermos de toda la provincia. Fallecería víctima de la epidemia el 15 de septiembre de 1854. En recuerdo se le levantó un mausoleo en el que descansan sus restos en el centro de la Plaza de Santa Teresa.
La provincia de Alicante nació como tal en las Cortes liberales de 1822, y correspondía con la antigua Bailía meridional valenciana, si bien fue ampliada en 1833 con parte de la desaparecida provincia de Játiva y los municipios de Villena y Sax. En 1847 comienza la ampliación del puerto, y en 1858 finaliza la construcción del ferrocarril entre Alicante y Madrid con el enlace Alicante-Almansa. Entre 1854 y 1878 se derruyeron las murallas de la ciudad.
Siglo XX
Durante el periodo 1920–1935 la economía alicantina se decantó por la industria mientras la agricultura se sumía en una segunda crisis. Alicante fue una de las ciudades donde los republicanos ganaron las elecciones municipales de 1931 y durante toda la II República los partidos de izquierdas mantuvieron una mayoría holgada, tanto en la ciudad como en la provincia. El primer alcalde de este periodo fue Lorenzo Carbonell Santacruz, elegido en la candidatura republicano-socialista, que con un 81% de votos realizó diversos proyectos urbanísticos de importancia y fomentó la construcción de escuelas públicas. En 1933, con la llegada del sufragio universal, votaron por primera vez las mujeres alicantinas, ganando el PSOE y en las elecciones generales del 16 de febrero de 1936 triunfó el Frente Popular con un 80,72% de votos.
En el inicio de la Guerra Civil española, el bando sublevado fracasó en un intento de poner sitio a la ciudad desde Orihuela y otras poblaciones de la Vega Baja. Otro suceso importante fue el fusilamiento del dirigente falangista José Antonio Primo de Rivera, que se encontraba preso en Alicante, el 20 de noviembre de 1936. Como represalia Alicante sufrió el famoso Bombardeo de las 8 horas pocos días después.
La ciudad sufrió durante la guerra 71 bombardeos que causaron la muerte a 481 personas y el derrumbe de 705 edificios. El ataque que causó más víctimas fue el Bombardeo del 25 de mayo realizado por aviones italianos Savoia a las 11 horas del domingo 25 de mayo de 1938 cuando, tras soltar 90 bombas, murieron 313 personas, en gran parte mujeres y niños que se encontraban en el Mercado Central. Muchos historiadores actualescita requerida sobre la Guerra Civil española coinciden en equipararlo con el Bombardeo de Guernica.
A pesar de los bombardeos, la ciudad permaneció fiel a la República hasta el final de la Guerra y por ello fue objeto de técnicas de debilitamiento psicológico como por ejemplo el lanzamiento de pan blanco envuelto en lemas fascistas en época de hambre. Puesto que Alicante fue de las últimas ciudades en caer en manos de las tropas franquistas, en el puerto se vivieron escenas dramáticas entre los que esperaban buques para partir al exilio; había orden de matar a toda persona que se encontrara en la zona intentando huir, los buques extranjeros no aceptaban recoger a nadie debido a la amenaza existente sobre el hundimiento de cualquier barco que recogiera exiliados; los únicos barcos que corrieron el riesgo por salvar a la población civil fueron los argelinos y otros barcos como el Stanbrook que partió del puerto sobrecargado. Centenares de alicantinos partieron hacia Orán, creando una colonia estable y un hermanamiento entre las dos ciudades que todavía hoy persiste.
En la tarde-noche del 30 de marzo de 1939 entraban en la ciudad las unidades de la División Littorio, comandada por el general Gambara, con un ostentoso desfile delante del Ayuntamiento y las principales calles de la ciudad. La represión consecuente fue considerable al considerarse la ciudad y la provincia como «rojas». Los últimos detenidos republicanos en la guerra lo fueron en el puerto de Alicante, y la mayoría sufrieron la estancia en el campo de concentración de Los Almendros Al terminar la guerra, el alcalde Luciáñez propuso que la ciudad pasara a llamarse Alicante de José Antonio. Pese a aprobarse nunca llegó a producirse el cambio.
La década de los sesenta trajo el desarrollo económico y el crecimiento demográfico que continuó en las décadas siguientes. La economía evolucionó hacia el sector servicios, especialmente hacia el turismo, y se produjo el mayor desarrollo urbanístico de la ciudad, con el nacimiento de nuevos barrios en el extrarradio.
Con la llegada de la democracia el gobierno de la ciudad pasaría a manos del PSPV-PSOE desde 1979 hasta 1995, y desde entonces gobierna el PP. En la década de los ochenta se trató de solucionar el caos urbanístico mediante la creación de nuevas vías de comunicación (Gran Vía, Vía Parque) y la dotación a la ciudad de centros de salud, colegios públicos, institutos, centros sociales y demás servicios municipales, en especial en algunos barrios que nacieron en la etapa desarrollista.
Un problema debido al clima mediterráneo, pero también del cambio climático y del urbanismo, son las inundaciones. El 19 de octubre de 1982 caían 220 mm en la ciudad, un nuevo récord de lluvia en menos de 24 h que causó numerosas pérdidas materiales. La Rambla de las Ovejas llegaría a 400 m³/s, su máximo histórico, y sembraría el caos en el barrio de San Gabriel, con dos muertos, lo que motivó que tras la riada fuese canalizado el tramo final de la rambla.
El 30 de septiembre de 1997 se vuelve a batir el récord de lluvia con 270 mm y la ciudad sufrió las peores inundaciones de su historia, con cuatro muertos y una altura de las aguas que en algunos barrios como Playa San Juan o San Agustín superaron el metro. Se decretó un día de luto oficial en el que las autoridades se dedicaron a drenar las aguas que anegaban barrios enteros. Las pérdidas económicas fueron cuantiosas, sobre todo en el centro de la ciudad y las playas, lo que motivó un gran plan de defensa contra las riadas cuya efectividad está aún por demostrar.
Siglo XXI
Con el nuevo siglo, Alicante ha conocido un crecimiento demográfico excepcional fruto de la llegada de inmigrantes. Esto, unido a que las generaciones más numerosas son las que actualmente están buscando vivienda, ha causado un nuevo auge urbanístico que conlleva una expansión urbana.
Para mejorar las comunicaciones se está llevando a cabo la construcción del TRAM Metropolitano de Alicante, una combinación de tranvía y metro ligero que es subterráneo en algunos tramos. Ya se ha conectado el centro de la ciudad de Alicante con Benidorm, y se espera que esta línea se prolongue hacia las localidades del norte de la provincia (Denia). En el futuro se espera que se conecte con el Aeropuerto de Alicante, con el IFA, y con la vecina ciudad de Elche. La Avenida de Denia (entrada norte de la ciudad) también está siendo remodelada totalmente, incorporando elementos arquitectónicos y glorietas como la que se muestra en la fotografía adjunta.
Por otro lado, en la zona sur de la ciudad están funcionando los estudios de cine Ciudad de la Luz, donde anualmente se ruedan películas y series de ámbito nacional e internacional. Otros proyectos que se están llevando a cabo son la expansión de la Universidad de Alicante dentro del término municipal, o la organización de eventos deportivos como la Volvo Ocean Race. 
134093 
230 Aliwal Noord, Oos-Kaap, Suid-Afrika  26.709351539611816  -30.691511651857603  Aliwal-Noord is 'n dorp in die Oos-Kaapprovinsie, Suid-Afrika, wat deel uitmaak van die munisipaliteit Maletswai met 37 300 inwoners (2001). Die dorp is bekend vir sy twee warmwaterbronne, wat daagliks meer as twee miljoen liter water teen 'n temperatuur van sowat 35° C oplewer. 'n Dorpsmuseum behandel die plaaslike geskiedenis. In 1869 is die grensooreenkoms tussen die destydse Republiek van die Oranje-Vrystaat en Basoetoland (die huidige Lesotho) hier onderteken.
Geskiedenis en Kerke
Ontstaansgeskiedenis
Die dorp is aangelê op die plaas Buffelsvallei, wat behoort het aan Pieter Jacobus de Wet, die eerste persoon wat hom permanent hier kom vestig het. De Wet en sy familie is begrawe op die rantjie naby die oorspronklike woonhuis en 'n monument is later deur die familie opgerig ter nagedagtenis aan die "stigter" van die dorp.
Aliwal-Noord is vernoem na die oorwinning wat Sir Harry Smith, die destydse goewerneur, oor die Sikhs in die slag van Aliwal in Indië behaal het. Daar was nog 'n dorp in Suid-Afrika wat die naam "Aliwal" gedra het - in werklikheid net vir 'n kort tydjie het dit Aliwal-Suid geheet. Vandag staan hierdie dorp weer onder sy ou naam bekend - Mosselbaai.
Die Tweede Vryheidsoorlog
Tydens die Tweede Vryheidsoorlog is 'n konsentrasiekamp net oos van die dorp in die bog van die Kraairivier aangelê. Daar kan ook drie sandsteen blokhuise uit die oorlogtyd in die dorp gevind word. 'n Aantal blokhuise van sandsakke en sink was ook hier opgerig, maar hulle het verwaarloos en is later vernietig. Die oorgang by die rivier tussen die Kaapkolonie en die Vrystaat was van groot belang vir die Engelse in hulle stryd teen die Boeremagte en daarom was die dorp swaar bewaak tydens die oorlogtyd.
Vandag kan verskeie monumente om die oorlog te gedenk in en om die dorp gevind word. By die suidelike uitgang van die dorp is 'n gedenktuin om die Boeremagte en hulle rol in die oorlog te gedenk. By een van die genoemde blokhuise is 'n gedenkteken en die grafte van 'n hele aantal Engelse soldate wat in die oorlog gesterf het. Naby die Kraairivier is 'n gedenksteen opgerig wat die plek aandui waar die konsentrasiekamp was. Die stoflike oorskot van die inwoners van die konsentrasiekamp is by die Gedenktuin herbegrawe. 
132240 
231 Alkemade, Zuid-Holland  4.58805555555556  52.2013888888889  Alkemade is een gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De gemeente telt 14.535 inwoners (1 januari 2007, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 30,88 km² (waarvan 3,98 km² water). Het gebied kent veel glastuinbouw en heeft zo'n 13 molens, waaronder eentje uit 1632. Ook watersportrecreatie is belangrijk voor de gemeente, hij grenst zowel aan de Kagerplassen als aan het Braassemermeer. Enkele belangrijke kenmerkende gebouwen zijn de Watertoren van Roelofarendsveen, het Ringvaartaquaduct over de A4, het oudste aquaduct van Nederland, en de twee twaalfhoekige molens (12-kante stenen grondzeilers) in Rijpwetering.  34397 
232 Alken, Limburg, België  5.30777777777778  50.8761111111111  Alken (Limburgs: Alleke) is een plaats en gemeente in Belgisch-Limburg vlakbij Hasselt. De gemeente telt ruim 11.000 inwoners. Haar patroonheilige is Sint Aldegonde.
Parochies
Alken kent 3 parochies:
* Sint-Aldegondis
* Sint-Joris
* Terkoest
Elke parochie is gebouwd rond een kerk en heeft zijn eigen basisscho(o)l(en), cultureel centrum, bibliotheek en kerkhof.
Sint-Aldegondis is gelegen in het Noord-Oosten van Alken. (Tegen Hasselt en Wellen). Het is de oudste parochie van Alken en wordt meestal Alken-Centrum genoemd. Het is de belangrijkste parochie van alken en tevens de parochie waar het gemeentehuis, OCMW, meeste winkels en instellingen gelegen zijn. De naam Sint-Aldegondis is afkomstig van de Alkense patroonheilige Sint-Aldegondis.
Sint-Joris is gelegen in het Zuiden van Alken. (Tegen Sint-Truiden en Nieuwerkerken). De naam Sint-Joris is afkomstig van zijn patroonheilige Sint-Joris, wel bekend van het verhaal van Sint-Joris en de draak.
Terkoest is gelegen in het Noordwesten van de gemeente (Tegen Hasselt en Nieuwerkerken). De naam Terkoest is afkomstig van een een oud woord voor moerassig gebied.
Vroeger was zich een 4de parochie aan het vormen rond het station van Alken, maar door het ontbreken van een kerk en door de sluiting van het station en de sluiting van het plaatselijk schooltje door een tekort aan leerlingen is "De stationsbuurt" nooit uitgegroeid tot een volwaardige parochie. Het station is tegenwoordig terug in gebruik.
Geschiedenis
Alken duikt voor het eerst op in de geschiedenisboeken in 1066 AC onder de naam "Alleche". Vanaf 1180 wordt het officieel Alken maar in de volksmond wordt er nog vaak Alleke gezegd. Alken was toen een Luikse enclave in het graafschap Loon. Vele Prinsbisschoppen hadden hier een zomerverblijf. 
1541 
233 Alkmaar, Noord-Holland  4.75361111111111  52.6327777777778  Alkmaar (Westfries: Alkmare) is een stad en een gemeente in de provincie Noord-Holland in Nederland. De gemeente ligt globaal op de grens van West-Friesland en (de samenwerkingsregio) Kennemerland.
Alkmaar is onder andere bekend van de kaasmarkt die plaatsvindt op vrijdagochtenden tussen april en oktober. Het is een van de vier kaasmarkten die nog gehouden worden in Nederland. De demonstratie vindt plaats voor de Waag, die tevens dient als lokatie van het Kaasmuseum en de VVV.
Geschiedenis
De eerste bewoners van het gebied woonden op de geestgronden nabij de huidige Sint-Laurenskerk. Dit gebied lag toen nog temidden van moerassen en water. De huidige Langestraat was toen niet veel meer dan een pad door de moerassige gronden.
Middeleeuwen
Alkmaar ligt op het grondgebied waar in de Middeleeuwen, de hoge Middeleeuwen en begin late Middeleeuwen, de Westfriese gewesten Westflinge en Rekere aan elkaar grensden. De naam Alkmaar (Alcmaria) wordt al genoemd in een 10e eeuwse aantekening over een schenking door Dirk I van Holland (graaf). In deze tijd viel Alkmaar onder de parochie Heiloo. In 1038 krijgt de nederzetting een eigen rechtsgebied. Alkmaar kreeg de stadsrechten op 11 juni 1254 van Willem II van Holland. De stad deed toen voornamelijk dienst als grensvesting en uitvalsbasis in de strijd tegen de Westfriezen.
In 1470 begon men met de bouw van de Grote of Sint-Laurenskerk. Dit is ook nu nog het grootste middeleeuwse kerkgebouw in de Alkmaarse binnenstad. De kerk werd waarschijnlijk ontworpen door de architect Anthonius Keldermans, maar ook zijn broer Mathias en zijn zoon Anthonys waren betrokken bij het ontwerpen van het gebouw.
In 1492 vond de Opstand van het Kaas- en Broodvolk plaats in Alkmaar. Hiermee bedoelt men de opstandige boeren en stedelingen in Noord-Holland in 1491 en 1492. De boerenbevolking zat in grote economische moeilijkheden en kwam in opstand tegen de inning van het ruitergeld. In 1492 kregen de opstandelingen steun van de steden. Men trok Alkmaar binnen, en later ook Haarlem. Hierna werd de opstand vrij gemakkelijk neergeslagen. Het begin van de bouw van het stadhuis vond in 1509 plaats, hoewel het gebouw pas in 1520 voltooid werd na veelvuldige verbouwingen en veranderingen in ontwerp. In 1517 wordt Alkmaar opnieuw getroffen door het onheil, als de Gelderse Friezen de stad plunderen. Zij brengen grote verwoestingen teweeg.
Tot aan de 16e eeuw lag Alkmaar in een merengebied; de nederzetting werd omgeven door het Egmondermeer en het Bergermeer aan de westzijde, het Achtermeer, Kooimeer en Rietmeer aan de zuidzijde en het Voormeer in het oosten. Er werd tol geheven en accijnzen ingevoerd voor de overslag van goederen. Alkmaar werd een handelscentrum voor de wijde omgeving. De stad groeide langzamerhand door de landwinning. Vanaf 1525 werd geld uitgetrokken voor het aanleggen van singels en stadsmuren. Zo kon Alkmaar beter beschermd worden tegen aanvallen en plunderingen.
In 1527 wordt begonnen met het droogmaken van het Achtermeer, een klein meer bij Alkmaar. In 1533 werd het project voltooid. Volgens sommige bronnen is dit de oudste droogmakerij in Holland. 40 jaar later, in 1573, begint men met een ander groot project. Onder leiding van de Alkmaarder Adriaen Anthonisz worden de vestingwerken gebouwd.
In datzelfde jaar werd Alkmaar belegerd door de Spanjaarden, die in Oudorp hun kamp hadden opgeslagen. De Alkmaarders hielden hen echter met kokend teer en brandende takkenbossen op afstand. Het keerpunt van de strijd tegen de Spanjaarden kwam toen Don Frederik, zoon van Alva, zich terugtrok na tevergeefs geprobeerd te hebben de stad in te nemen. Bij Alkmaar begint de victorie, Deze gebeurtenis wordt nog elk jaar gevierd op 8 oktober tijdens het Alkmaars Ontzet.
Het Bloedmirakel
In 1429 zou in Alkmaar het Bloedmirakel hebben plaatsgevonden, waarbij op wonderbaarlijke wijze bloedvlekken verschenen in een stuk textiel. Zie: bloedmirakel
17e eeuw
In de 17e eeuw ontwikkelde Alkmaar zich verder tot een centrum voor handel en verzorging. Van grote betekenis was onder andere de zoutwinning; aan het Voormeer en de rivier de Zeglis werden veel zoutziederijen in gebruik genomen. Ook brouwerijen schoten als paddenstoelen de grond uit. Schelpkalk werd geproduceerd in kalkovens, om vervolgens als metselspecie gebruikt te worden. Uit vlas werd touw gedraaid.
In 1622 wordt de Accijnstoren aan de Bierkade gebouwd. Het gebouw diende als belastingskantoor. Accijnzen over ingevoerde goederen vormde vroeger een belangrijke bron van inkomsten voor Alkmaar. De brug waar de toren aan staat was ooit een draaibrug, maar is in 1903 vervangen door een ophaalbrug. Ook deze brug is later vervangen. In 1924 werd de Accijnstoren vier meter ‘verrold’ zodat de Bierkade verbreed kon worden. De toren doet in de zomermaanden dienst als kantoor voor de havenmeester.
18e eeuw
In 1760 verwoest een hevige brand de 16e eeuwse Kapelkerk. De eiken kap, het oude eiken tongewelf boven de brede hoofdbeuk en het koepeltorentje gingen verloren. Na de ramp werd er een nieuwe, grenen kap gebouwd. Het torentje werd vervangen door een exacte kopie van het origineel.
In 1799 vindt de Engels-Russische inval plaats in Holland. Van 3 tot 8 oktober werd Alkmaar bezet door het Engelse leger. De vrijheidsboom voor het gemeentehuis, dat symbool stond voor de Bataafse Republiek, werd door de Engelsen omgehakt. Na 5 dagen bezetting moesten de Engelsen zich echter al terugtrekken.
19e eeuw
Koning Willem I liet het Noordhollandsch Kanaal uitgraven, dat in 1824 geopend werd. Dit kanaal liep dwars door Alkmaar heen, omdat dit volgens het stadsbestuur de handel zou bevorderen. Daarvoor moest wel een deel van de stadswal worden opgeofferd. Het besluit had echter een averechts effect. Doordat reizigers en schippers makkelijker konden doorvaren, bleef er niemand meer overnachten in Alkmaar en vielen de herbergen droog. In 1865 en 1867 werd de infrastructuur nog verder verbeterd door de opening van de spoorlijnen tussen respectievelijk Alkmaar-Den Helder en Alkmaar-Uitgeest-Haarlem.
Het Stedelijk Museum Alkmaar werd in 1873 geopend, dat toen nog in de Breedstraat gevestigd was. Het is één van de oudste musea in Nederland. In het museum wordt veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de stad Alkmaar.
20e eeuw
Vooral ten zuiden van Alkmaar ontstonden nieuwe woonwijken. Een bijzondere wijk die in 1942 in de Tweede Wereldoorlog verrees is de Bergerhof. Deze wijk ligt aan de rand van de stad. De 254 huizen werden gebouwd om onderdak te bieden aan vluchtelingen uit Den Helder. Op 8 mei 1945 vond de intocht van de Canadese en Britse bevrijders plaats in Alkmaar.
In 1956 werd de Bergertunnel geopend. In 1959 werden de eerste nieuwbouwwoningen in Alkmaar opgeleverd; de Overdie Zuid (Alkmaars oudste "nieuwbouwwijk") begon te groeien; te beginnen met huurwoningen aan de Camphuysenkade.
In 1972 werden Oudorp, Koedijk-Zuid en Sint Pancras-Zuid aan het grondgebied van Alkmaar toegevoegd. De stad begon ook een steeds grotere rol te spelen bij de opvang van het bevolkingsoverschot in de Randstad en de bevolking die een huis zocht door de renovatie van oude stadswijken, die in vooral Amsterdam plaatsvond. Alkmaar verkreeg de groeikernstatus en werd derhalve toentertijd als een van de eerste "overloopsteden" aangemerkt. Alkmaar begon zich naar het noorden uit te breiden met de wijken; Huiswaard I en II. Later kwamen daar de wijken De Mare en Daalmeer bij.
In de jaren zeventig werden veel nieuwe voorzieningen gebouwd, zoals cultureel centrum De Vest en sport- en recreatiecentrum de Hoornsevaart. In 1988 werd de binnenstad van Alkmaar aangewezen tot beschermd stadsgezicht. Het Cultuurplein of Canadaplein werd geopend in 2000. Ook het Stedelijk Museum vestigde zich aan dit plein.
21e eeuw
In 2004 werd gevierd dat Alkmaar 750 jaar stadsrechten bezit. Er werden vele evenementen georganiseerd, zoals een exclusief concert van Marco Borsato, en daarnaast werden er verschillende speciale projecten uitgevoerd. Bovendien kwam de goede Sint dat jaar ook aan in de kaasstad. 
32554 
234 Allawah, Australia  151.1167  -33.9749  Allawah is a suburb in southern Sydney, in the state of New South Wales, Australia. Allawah is located 16 km south of the Sydney central business district and is part of the St George area. Allawah is in the local government area of the Municipality of Kogarah. The postcode is 2218.
Commercial area
Allawah is a small landlocked suburb, about 15-20 minutes walking distance from Hurstville. Allawah’s main shopping centre is located on Railway Parade, beside Allawah railway station. The Allawah shopping strip contains a newsagent, post office, corner store, real estate agent, take-away shops, an Italian restaurant called 'Little Italy' and the local watering hole and bottle shop, the Allawah Hotel.
Transport
Allawah railway station is on the City Rail Illawarra line. The railway station has had an upgrade in recent years, including the installation of lifts to benefit the mobility challenged. Trains stop at Allawah three times an hour during peak times, and twice an hour at all other times.
History
Allawah is an Aboriginal name meaning 'make your abode here' or 'remain here'.
The area was part of a land grant to Captain John Townson in 1808. The grant extended from King Georges Road and Stoney Creek Road to beyond Kogarah railway station. The railway line to Hurstville was opened in 1884 but the railway station at Allawah did not open until 23 October 1925. The post office opened in May 1933. 
34758 
235 Allegan, Allegan County, Michigan, USA  -85.84562301635742  42.53195880664412  Allegan is a city in the U.S. state of Michigan. As of the 2000 census, the city population was 4,838. It is the county seat of Allegan County. The city lies within Allegan Township, but is administratively autonomous.
Allegan was named by Michigan historian Henry Rowe Schoolcraft in 1837 to sound like a Native American word. Land was purchased from government to form the downtown business district; village organization came in 1838 with city incorporation authorized in 1907.
Allegan is located in the south-central portion of the county. To the west and northwest is the Allegan State Game Area for which the city is considered a gateway. In all other directions Allegan is surrounded by farmland.
Allegan's dense forests and river geography served as a source of water power, trade routes for steamboats and timber production. Once cleared, Allegan became a center for business, industry and expansive farmland.
History
The men after whom Allegan's downtown streets were named - Elisha Ely, Samuel Hubbard, Charles Trowbridge, Pliny Cutler, and Edmund Monroe - settled in the area in 1833. They considered the site a prime location for industry, due to its potential for water power (since it straddled the Kalamazoo River) and water bound transportation. By 1835, a dam and sawmill had been established.
In 1886, a one-lane bridge was built over the Kalamazoo River to connect limited highway M-89 to the downtown area. The bridge fell into disrepair and was going to be removed until a group of activists raised the money to restore the bridge in 1983. Now a highlight of Allegan, the one-lane bridge is used in the city logo and is considered an important part of the city.
In 1914, Allegan entered the automobile (race car) industry as the manufacturing site of Howard E. Blood and Louis Chevrolet's unique chain-drive Cornelian automobile. The venture was short-lived, however, with fewer than 100 Cornelians actually produced.
Easter/Passover Weekend 1967, some scenes from the movie Ciao! Manhattan were filmed at the old Allegan County Jail, now the Allegan County Jail Museum. Ironically, Paul America, one of the actors in the underground film, was jailed the following year in upstate Michigan, facing twenty years to life on an obscure marijuana charge 
59467 
236 Alleghany County, North Carolina, USA  -81.1196075  36.4940839  Alleghany County is a county located in the U.S. state of North Carolina. The 2010 U.S. Census listed the county's population at 11,155. Its county seat is Sparta.
History
The county was formed in 1859 from the eastern part of Ashe County, North Carolina. It was named for the Allegheny Mountains. Numerous boundary adjustments have been made since it was established, but none have resulted in new counties.
Townships
The county is divided into seven townships: Cherry Lane, Cranberry, Gap Civil, Glade Creek, Piney Creek, Prathers Creek, and Whitehead.
Cities and towns
Sparta 
84525 
237 Allendale, Ottawa County, Michigan, USA  -85.954397  42.9834  Allendale is an unincorporated community in Ottawa County in the U.S. state of Michigan. It is also a census-designated place (CDP) for statistical purposes. The population was 11,555 at the 2000 census. The community is located within Allendale Charter Township and the CDP area consists of about the northern two thirds of the township, from the eastern boundary with the Grand River west along Pierce St., north along 75th Ave., then west along Lake Michigan Drive (M-45) to the western boundary of the township. Apart from the CDP definition, the community is centered at the intersection of M-45 and 68th Ave., which are the only roads which cross the Grand River in the county east of Grand Haven.
Allendale is named for the township. Malta was initially chosen as the name for the township, however when the township was organized in 1849, state senator Pennoyer changed the name to Allendale, after Agnes Allen, the first person on the tax roll in the area and the widow of Hannibal Allen, who was the son of Revolutionary War hero Ethan Allen.
Demographics
As of the census of 2000, there were 11,555 people, 2,864 households, and 1,913 families residing in the CDP. The population density was 506.1 per square mile (195.4/km²). There were 3,016 housing units at an average density of 132.1/sq mi (51.0/km²). The racial makeup of the CDP was 93.22% White, 2.97% African American, 0.34% Native American, 0.89% Asian, 0.08% Pacific Islander, 1.45% from other races, and 1.06% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 3.03% of the population.
There were 2,864 households out of which 38.5% had children under the age of 18 living with them, 57.8% were married couples living together, 6.3% had a female householder with no husband present, and 33.2% were non-families. 16.1% of all households were made up of individuals and 3.5% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.98 and the average family size was 3.36.
In the CDP the population was spread out with 20.7% under the age of 18, 43.1% from 18 to 24, 22.1% from 25 to 44, 9.6% from 45 to 64, and 4.6% who were 65 years of age or older. The median age was 21 years. For every 100 females there were 87.3 males. For every 100 females age 18 and over, there were 83.6 males.
The median income for a household in the CDP was $46,671, and the median income for a family was $58,371. Males had a median income of $39,038 versus $25,146 for females. The per capita income for the community was $14,580. About 2.4% of families and 12.5% of the population were below the poverty line, including 2.5% of those under age 18 and 3.6% of those age 65 or over. 
63028 
238 Allendorf, Hessen, Deutschland  9.97309684753418  51.2743496105658  Allendorf ist ein Stadtteil von Frankenau im Landkreis Waldeck-Frankenberg, Hessen.
Lage
Allendorf liegt im Kellerwald am Rand des Nationalparks Kellerwald-Edersee. Durch den Ort verläuft die Landesstraße 3332.
Geschichte
Erstmals erwähnt wurde das Dorf im Jahre 1269 als Aldendorf. In diesem Jahr bezeugten Einwohner den Verkauf von Gütern an Kloster Haina. Am 1. Februar 1971 vereinigte sich die ehemals selbstständige Gemeinde mit der Stadt Frankenau.
Sonstiges
* Im Ort gibt es einen Spielplatz.
* Gemeinsam mit Louisendorf gehört Allendorf zum evangelischen Pfarramt Ellershausen.
* In dem kleinen Ort gibt es verhältnismäßig viele Vereine, die auch auf kulturellem Gebiet tätig sind. 
72681 
239 Alleur, Liège, België  5.513463020324707  50.67459811743604  Alleur is een plaats in de Belgische provincie Luik en een deelgemeente van Ans. Alleur heeft een oppervlakte van 8,55 km².
Alleur is gelegen aan de westrand van de Luikse agglomeratie op zo'n 7 kilometer van het stadscentrum. De bebouwde kom van Alleur sluit naadloos aan bij de bebouwde zones van Ans en Rocourt. Ten noorden van de bebouwde zone is het gebied nog vrij landelijk en wordt er vooral graan geteeld op de Haspengouwse grond. In het oosten ligt nog het gehucht Hombroux.
Geschiedenis
Alleur wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van de abdij van Val-Saint-Lambert in 1196. Voor 1332 werd de heerlijkheid Alleur samengevoegd met de heerlijkheid Hombroux die beiden behoorden tot het prinsbisdom Luik. In dat jaar werden Alleur en Hombroux afgestaan aan het kapittel van de Sint-Lambertuskathedraal te Luik.
De heerlijkheid Waroux was aanvankelijk een leen van het graafschap Loon en behoorde later toe aan verscheidene families tot aan de Franse Revolutie. Op 27 september 1792 was er te Waroux een veldslag tussen de Fransen en de Oostenrijkers met de Fransen als winnaars.
In 1795 werden Alleur, Hombroux en Waroux verenigd tot één gemeente. Alleur bleef lange tijd een landbouwdorp maar door de nabijheid van de stad Luik en de aanleg van de autosnelweg E40 werd het een randgemeente van de Luikse agglomeratie. In de jaren 1960 werd er een belangrijke industriezone aangelegd.
In 1971 werd de gemeente Xhendremael opgeheven en bij Alleur gevoegd maar in 1977 werd de gemeente Alleur opgeheven en werden beiden deelgemeenten van Ans.
Bezienswaardigheden
* Het kasteel en de kasteelhoeve van Waroux die sinds 1977 beschermd zijn
* De kasteelhoeve van Hombroux
* De 17e eeuwse kapel van Hombroux, gebouwd op fundamenten van een vroegere romaanse kapel 
66903 
240 Allingawier, Wonseradeel, Friesland  5.444873571395874  53.04747032315721  Allingawier is een terpdorp in de gemeente Wonseradeel, in de Nederlandse provincie Friesland.
Beschrijving
Allingawier ligt ten zuidwesten van Exmorra en telt ongeveer 80 inwoners (2009). Aan de noordzijde van het dorp ligt het Van Panhuyskanaal. Het dorp is voor een belangrijk deel ingericht als museum. Het maakt deel uit van de Aldfaers Erf Route, een museumroute door de dorpen Allingawier, Exmorra en Piaam. In het dorp staat de Allingastate. Ook is er De Izeren Ko te zien, een uit 1970 daterende paaltjasker. 
75976 
241 Allison, Butler County, Iowa, USA  -92.795129  42.744679  Allison is a city in Butler County, Iowa, United States. The population was 1,006 at the 2000 census. It is the county seat of Butler County.
Demographics
As of the census of 2000, there were 1,006 people, 424 households, and 267 families residing in the city. The population density was 341.2 people per square mile (131.7/km²). There were 454 housing units at an average density of 154.0/sq mi (59.4/km²). The racial makeup of the city was 99.50% White, 0.10% from other races, and 0.40% from two or more races. Hispanic or Latino of any race were 0.30% of the population.
There were 424 households out of which 25.9% had children under the age of 18 living with them, 55.4% were married couples living together, 6.1% had a female householder with no husband present, and 36.8% were non-families. 33.0% of all households were made up of individuals and 23.1% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.20 and the average family size was 2.81.
In the city the population was spread out with 20.8% under the age of 18, 6.7% from 18 to 24, 21.7% from 25 to 44, 20.1% from 45 to 64, and 30.8% who were 65 years of age or older. The median age was 46 years. For every 100 females there were 85.6 males. For every 100 females age 18 and over, there were 76.7 males.
The median income for a household in the city was $34,338, and the median income for a family was $42,050. Males had a median income of $30,147 versus $18,929 for females. The per capita income for the city was $16,472. About 5.8% of families and 8.9% of the population were below the poverty line, including 8.2% of those under age 18 and 11.4% of those age 65 or over. 
60993 
242 Almada-Tojal, Portugal  -9.15  38.666667  Almada é uma cidade portuguesa pertencente ao Distrito de Setúbal, região de Lisboa e subregião da Península de Setúbal, com cerca de 19 500 habitantes.
É sede de um pequeno mas densamente povoado município com 69,98 km² de área e 160 826 habitantes (2001), subdividido em 11 freguesias. O município é limitado a leste pelo município do Seixal e a sul por Sesimbra, e possui uma longa costa a oeste para o Oceano Atlântico, e a norte e nordeste abre-se para o Estuário do Tejo, frente aos municípios de Lisboa e Oeiras.
O concelho recebeu foral de Dom Sancho I em 1190.
As freguesias de Almada são as seguintes:
* Almada
* Cacilhas
* Caparica
* Charneca da Caparica
* Costa de Caparica
* Cova da Piedade
* Feijó
* Laranjeiro
* Pragal
* Sobreda
* Trafaria
História
A designação de Almada é proveniente das palavras árabes Al-Madan, a Mina , pelo motivo de que, aquando do domínio árabe da Península Ibérica, os árabes procediam à exploração do jazigo de ouro da Adiça, no termo do Concelho. A zona de Almada foi igualmente escolhida pelos árabes para a construção de uma fortaleza no promontório natural, sendo esta destinada à defesa e vigilância da entrada no Rio Tejo, em frente de Lisboa, desenvolvendo-se a povoação nos domínios da defesa militar, da agricultura e da pesca.
Almada, uma das principais praças militares árabes a sul do Tejo, foi conquistada pelas forças cristãs de D. Afonso Henriques em 1147, ficando posteriormente na posse dos Cavaleiros de Santiago, por carta assinada por D. Sancho I, em 26 de Outubro de 1186. Em 1190, D. Sancho I outorgou o primeiro foral aos moradores de Almada. No entanto, em 1191 ocorre uma nova invasão árabe sob o comando de Yusuf al-Mansur, com origem em Sevilha. Esta invasão adquire lentamente uma expressão significativa, alcançando e tomando Alcácer do Sal, marchando sobre Palmela e Almada, sendo esta abandonada pelos cavaleiros da Ordem Militar de Almada. A povoação ficou grandemente destruída pela acção das forças árabes.
O povoamento de Almada é realizado de forma lenta mas contínua, reconstituindo-se parcialmente o modo de vida praticado anteriormente. No início do século XIII, a sociedade vive um período de organização e estabilização segundo os direitos e deveres consignados no código foraleiro, complementados pelos antigos usos e costumes do direito consuetudinário.
Local de falecimento de Fernão Mendes Pinto, escritor português, autor da Peregrinação, em 1583. 
33893 
243 Almeirim, Portugal  -8.628611  39.209167  Almeirim is een plaats en gemeente in het Portugese district Santarém. De gemeente heeft een totale oppervlakte van 222 km2 en telde 21.957 inwoners in 2001.
Almeirim é uma cidade portuguesa pertencente ao Distrito de Santarém, com cerca de 11 600 habitantes. Desde 2002 que está integrada na região estatística (NUTS II) do Alentejo e na subregião estatística (NUTS III) da Lezíria do Tejo; até aí fazia parte da antiga região de Lisboa e Vale do Tejo. Pertencia ainda à antiga província do Ribatejo, hoje porém sem qualquer significado político-administrativo.
É sede de um município com 221,80 km² de área e 21 957 habitantes (2001), subdividido em 4 freguesias. O município é limitado a norte pelo município de Alpiarça, a leste e nordeste pela Chamusca, a sul por Coruche e Salvaterra de Magos, a oeste pelo Cartaxo e a noroeste por Santarém.
História
A ocupação humana da actual área do concelho de Almeirim é muito antiga. Terão sido a proximidade do rio Tejo e a riqueza natural os factores que terão contribuído para a instalação de homens nesta região. Existem vestígios da presença humana desde a pré-história até à época romana, por todo o vale do Tejo. Exemplos da presença humana no concelho são o concheiro epipaleolítico do vale da Fonte da Moça, os marcos miliários recentemente identificados, pertencentes à via romana que ligava Lisboa a Mérida e ainda a villa romana de Azeitada em Benfica do Ribatejo. 
33901 
244 Almelo Stad, Overijssel  6.66666666666667  52.3666666666667  Stad Almelo is een voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Overijssel.
Tot 1795 maakten de stad Almelo en het bijbehorende richterambt deel uit van de heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Op 21 oktober 1811, tijdens de Napoleontische tijd, werden stad en ambt van de voormalige heerlijkheid Almelo samengevoegd tot een gemeente. Op 24 november 1815 werd echter alweer besloten, mede onder invloed van de heer van Almelo, graaf van Rechteren Limpurg en koning Willem I, om stad en ambt opnieuw te scheiden. Zo werd op 29 september 1818 de gemeente Almelo gesplitst in Ambt en Stad Almelo. Op 1 januari 1914 werden deze beide gemeentes weer bij elkaar gevoegd tot de gemeente Almelo.
Het grondgebied van de gemeente Stad Almelo omvatte het grondgebied van de stad Almelo in de voormalige heerlijkheid. Vanaf 1 oktober 1829 werd het grondgebied iets groter, toen een klein gebied van Ambt Almelo bij de stad werd gevoegd. Het ambt telde rond 1870, voor de grote groei van de stad als gevolg van textielnijverheid, 3600 inwoners.
Het gemeentewapen van Stad Almelo was blauw, waarop drie gouden ruiten stonden. Het wapenschild was gedekt met een vijfbladige kroon.
Door het tijdelijke samenvoegen van stad en ambt, ontstonden vlak na de scheiding diverse conflicten over het te voeren beleid.
Geschiedenis en architectuur
Het op zandgrond gelegen Almelo ontstond in de Middeleeuwen als nederzetting op de plek waar een landweg een beek kruiste die toen de Aa heette. Op die plaats stond het voor het eerst in 1236 genoemde en nog steeds bestaande Huis Almelo. Uit oude documenten blijkt dat de nederzetting in ieder geval in 1420 al stadsrechten had. De stad had een gracht, maar geen muur, en is dan ook nooit van militair belang geweest. Huize Almelo bestaat waarschijnlijk al sinds de 12e eeuw en is tot op de dag van vandaag in handen van de familie Van Rechteren Limpurg. De familie had eeuwen verschillende rechten in de stad Almelo, waaronder het recht om recht te spreken. Vandaag de dag houdt de graaf zich bezig met restauratie van oude panden in de binnenstad en het onderhouden van bossen die eigendom van de familie zijn.
Tussen 1818 en 1914 was de gemeente Almelo opgesplitst in de gemeenten Stad Almelo en Ambt Almelo.
In de 17e en 18e eeuw kwam de huisweverij steeds meer op. De entree in Almelo van de eerste stoommachine, in 1830, veroorzaakte een overgang naar fabrieksmatige productie. De textielindustrie werd ook bevorderd door de aanleg van het Overijssels Kanaal (in 1855) en de spoorlijn van Almelo naar Salzbergen, in 1865. Rond 1900 waren er dan ook vele zeer rijke families in Almelo en uit die tijd dateren veel landhuizen en villa's in diverse stijlen zoals Jugendstil, expressionisme en neorenaissance.
Vanaf de jaren 1960 kreeg de Almelose textielindustrie het door de goedkopere buitenlandse concurrentie erg moeilijk, wat tot massale bedrijfssluitingen leidde. Ook vandaag de dag nog zijn de effecten hiervan in de werkloosheidscijfers zichtbaar. Veel textielfabrieken zijn afgebroken, maar sommige markante gebouwen zijn behouden gebleven. Van de villa's die textielbaronnen lieten bouwen is Bellinckhof aan de Wierdensestraat wel de mooiste. Gebouwd door de familie Ten Cate in de jaren '20 van de vorige eeuw is het eveneens één van de grootste textielhuizen in Twente. Het huis en park zijn niet toegankelijk maar beide zijn van grote schoonheid. Het ontwerp is van architect Karel Muller. De eetkamer is betimmerd met mahoniehout, de hal heeft een zwartgeaderde witte marmeren vloer en de zaal is van groene betimmering voorzien met rose zijde en behangen met familieportretten van de Ten Cate's. De huidige familietelg is, net als de graaf, actief in stadsbehoud en helpt naast zijn eigen park het Egbert ten Cate Plantsoen en het Beeklustpark in Almelo onderhouden.
Ook zijn er in Almelo architectonisch interessante kerken. De Grote Kerk dateert uit 1733. Reeds in 1236 is sprake van een burghtkapel in Almelo. De torenspits werd in de 18e eeuw geplaatst op verzoek van gravin Sophia Juliana von Castell Rüdenhausen. Opvallend is de Latijnse inscriptie boven de hoofdingang uit het jaar 1738. Lang hebben voor de toegangsweg naar de kerk twee van Bentheimer zandsteen gemaakte pilaren gestaan met de wapenschilden van Van Rechteren Limpurg en Almelo. Deze zijn in 1884 verplaatst naar de oprijlaan van het kasteel. Deze oprijlaan, de Gravenallee, is drie kilometer lang en eindigt bij het Kanaal Almelo-Nordhorn. Halverwege is een tolhuis en kan een rondwandeling gemaakt worden door de bossen, waarin zich ook de grafkelder van Van Rechteren Limpurg bevindt.
Verder is er het vanaf 1914 gebouwde tuindorp De Riet. Deze wijk is voor het merendeel tussen de twee wereldoorlogen in gebouwd en bestaat uit goed onderhouden, kleine huisjes die in een zeer kenmerkende bouwstijl zijn gebouwd. Een deel is in handen van de twee woningbouwstichtingen. De wijk heeft tegenwoordig een eigen treinstation. 
34821 
245 Almelo, Overijssel  6.66666666666667  52.3666666666667  Almelo is een stad en gemeente in de regio Twente in de Nederlandse provincie Overijssel. Almelo grenst in het noorden aan Twenterand, in het noordoosten aan Tubbergen, in het zuidoosten aan Borne, in het zuiden aan Hof van Twente en in het westen aan Wierden. Het is de eerste in het rijtje van de drie steden Almelo-Hengelo-Enschede. De gemeente Almelo is ontstaan uit een fusie (1914) tussen de gemeenten Ambt Almelo en Stad Almelo.
De gemeente Almelo beslaat een oppervlakte van 69 km² en telde volgens cijfers van het CBS op 1 juli 2006 72.100 inwoners. Behalve de stad Almelo omvat de gemeente de kernen Aadorp, Bornerbroek en Mariaparochie (gedeeltelijk). De gemeente Almelo maakt deel uit van het kaderwetgebied Regio Twente. Sommige Almeloërs spreken Twents, een Nedersaksisch dialect.
Geschiedenis en architectuur
Het op zandgrond gelegen Almelo ontstond in de Middeleeuwen als nederzetting op de plek waar een landweg een beek kruiste die toen de Aa heette. Op die plaats stond het voor het eerst in 1236 genoemde en nog steeds bestaande Huis Almelo. Uit oude documenten blijkt dat de nederzetting in ieder geval in 1420 al stadsrechten had. De stad had een gracht, maar geen muur, en is dan ook nooit van militair belang geweest. Huize Almelo bestaat waarschijnlijk al sinds de 12e eeuw en is tot op de dag van vandaag in handen van de familie Van Rechteren Limpurg. De familie had eeuwen verschillende rechten in de stad Almelo, waaronder het recht om recht te spreken. Vandaag de dag houdt de graaf zich bezig met restauratie van oude panden in de binnenstad en het onderhouden van bossen die eigendom van de familie zijn.
Tussen 1818 en 1914 was de gemeente Almelo opgesplitst in de gemeenten Stad Almelo en Ambt Almelo.
In de 17e en 18e eeuw kwam de huisweverij steeds meer op. De entree in Almelo van de eerste stoommachine, in 1830, veroorzaakte een overgang naar fabrieksmatige productie. De textielindustrie werd ook bevorderd door de aanleg van het Overijssels Kanaal (in 1855) en de spoorlijn van Almelo naar Salzbergen, in 1865. Rond 1900 waren er dan ook vele zeer rijke families in Almelo en uit die tijd dateren veel landhuizen en villa's in diverse stijlen zoals Jugendstil, expressionisme en neorenaissance.
Vanaf de jaren 1960 kreeg de Almelose textielindustrie het door de goedkopere buitenlandse concurrentie erg moeilijk, wat tot massale bedrijfssluitingen leidde. Ook vandaag de dag nog zijn de effecten hiervan in de werkloosheidscijfers zichtbaar. Veel textielfabrieken zijn afgebroken, maar sommige markante gebouwen zijn behouden gebleven. Van de villa's die textielbaronnen lieten bouwen is Bellinckhof aan de Wierdensestraat wel de mooiste. Gebouwd door de familie Ten Cate in de jaren '20 van de vorige eeuw is het eveneens één van de grootste textielhuizen in Twente. Het huis en park zijn niet toegankelijk maar beide zijn van grote schoonheid. Het ontwerp is van architect Karel Muller. De eetkamer is betimmerd met mahoniehout, de hal heeft een zwartgeaderde witte marmeren vloer en de zaal is van groene betimmering voorzien met rose zijde en behangen met familieportretten van de Ten Cate's. De huidige familietelg is, net als de graaf, actief in stadsbehoud en helpt naast zijn eigen park het Egbert ten Cate Plantsoen en het Beeklustpark in Almelo onderhouden.
Ook zijn er in Almelo architectonisch interessante kerken. De Grote Kerk dateert uit 1733. Reeds in 1236 is sprake van een burghtkapel in Almelo. De torenspits werd in de 18e eeuw geplaatst op verzoek van gravin Sophia Juliana von Castell Rüdenhausen. Opvallend is de Latijnse inscriptie boven de hoofdingang uit het jaar 1738. Lang hebben voor de toegangsweg naar de kerk twee van Bentheimer zandsteen gemaakte pilaren gestaan met de wapenschilden van Van Rechteren Limpurg en Almelo. Deze zijn in 1884 verplaatst naar de oprijlaan van het kasteel. Deze oprijlaan, de Gravenallee, is drie kilometer lang en eindigt bij het Kanaal Almelo-Nordhorn. Halverwege is een tolhuis en kan een rondwandeling gemaakt worden door de bossen, waarin zich ook de grafkelder van Van Rechteren Limpurg bevindt.
Verder is er het vanaf 1914 gebouwde tuindorp De Riet. Deze wijk is voor het merendeel tussen de twee wereldoorlogen in gebouwd en bestaat uit goed onderhouden, kleine huisjes die in een zeer kenmerkende bouwstijl zijn gebouwd. Een deel is in handen van de twee woningbouwstichtingen. De wijk heeft tegenwoordig een eigen treinstation. 
32249 
246 Almen, Gorssel, Gelderland  6.301174163818359  52.158822283861994  Almen (Nedersaksisch: Alm) is een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Lochem in de Nederlandse provincie Gelderland. Tot 1 januari 2005 hoorde het dorp bij de gemeente Gorssel. Almen heeft 1169 inwoners (1 januari 2006). De dorpskern ligt tussen het Twentekanaal en de Berkel. Er is een openluchtzwembad en met name in de zomer is het dorp en de omgeving geliefd bij toeristen. Het dorp ligt tussen landerijen en bossen en kent een levendig verenigingsleven. Het kerkje uit de 14e eeuw bevat een crypte met gemummificeerde lichamen, net als in het Friese Wieuwerd, maar deze zijn niet te bezichtigen. De doopvont is zeer bijzonder en bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal weet men niet hoe oud hij precies is. Schattingen variëren van 800 tot 1400 na Christus.
De sporen van de dichter Staring, die een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht op kasteel de Wildenborch bij Vorden en zijn bijdrage probeerde te leveren aan de vooruitgang van de landbouw, zijn nog goed zichtbaar. Dat zijn streven naar modernisering hem niet altijd in dank werd afgenomen, verwoordt hij in zijn gedicht 'De Hoofdige Boer' (hoofdig = koppig). Net buiten het dorp staat bij de in het gedicht bezongen brug een bordje met vier regels uit het gedicht:
Eens was het anders hier ter stee
Wanneer een voort de weg doorsnee
En 't brugje, naast dien voort geleid
De smaad droeg van zijn nieuwigheid 
1007 
247 Almenum, Barradeel, Friesland  5.440832  53.173164  Almenum was een kerkdorp dat vlak tegen Harlingen lag, in de Nederlandse provincie Friesland. Heden is het een buurtschap binnen de gemeente Harlingen.
Geschiedenis
Er wordt voor het eerst over Almenum geschreven in 754 als geschiedschrijver Winsemius de reis van Bonifatius van Stavoren, via Almenum richting Dokkum beschrijft.
Het dorp werd gesticht door zendeling Gustavus Forteman die in 777 de dom van Almenum bouwde, dit was de eerste Christenkerk in Friesland. In 1563 kreeg Harlingen toestemming van koning Filips II van Spanje (1527 - 1598) om Almenum binnen de wallen te trekken. Vanaf dat moment twistten Harlingen en Barradeel tot 1684 over de bijbehorende rechten en verplichtingen toen de toenmalige Friese stadhouder (Hendrik Casimir II van Dietz-Nassau) besliste dat Almenum definitief aan Harlingen kwam. Nadat het dorp was opgenomen binnen de wallen van Harlingen is de St. Michaëlsdom vervangen door een nieuwe kerk.
Er is een Friese sage over de St. Michaëlsdom. Hierin zou een rode wonderdoenende banier zijn ingemetseld, de Magnusvaan.
Almenum, zeer oud en beroemd d. in Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. W. van Franeker. Het is zuid- en noordwaarts langs den zeedijk gelegen, en was vroeger van grooter omvang, doch door de herhaalde uitleggingen van de stad Harlingen, grootendeels daarbij ingelijfd, zoo dat deze stad thans geheel door de landen van Almenum ingesloten is en dit dorp ten O. tot voorstad heeft. Sedert de vergrootingen van Harlingen schijnen er tusschen de regering van die stad, en die van de griet. Barradeel twisten te hebben bestaan over de grensscheiding, totdat geeindigd zijn, door een arbitrale uitspraak van den Stadhouder van Friesland van 30 April 1684, volgens welke onder anderen de Stad Harlingen verpligt is tot onderhoud der armen van Almenum.
Hier werd, zoo men wil, in 777 de eerste Christenkerk van Friesland, door het toen bloeijend, doch reeds sedert de 11de eeuw uitgestorven geslacht der Fortemans, gesticht en aan den aartsengel Michaël; later werd zij meermalen herbouwd en eindelijk, ingevolge octrooi van den koning van Spanje, van 6 September 1565, in 1580 binnen de nieuwe wallen van Harlingen getrokken. In deze kerk werden, naar men wil, de oude privilegiën van Karel den Groote bewaard. De Dorpsingezetenen behooren thans kerkelijk onder Harlingen, en het grietenijbestuur moet ook regt hebben op eene zitplaats in de groote kerk te Harlingen, althans tot het houden der stemmingen van Almenum, in die kerk.
Men telt hier 111h., en 550 inw., onder welk 480 Herv., 50 R.K. en 15 Doopsgez., die hun bestaan grootendeels vinden in veeteelt, alsmede in den arbeid in de aldaar gevestigde fabrijken, waarvan de eigenaars in Harlingen wonen, zijnde 1 kalkbranderij, 1 oliemolen, 2 pelmolens, 7 houtzaagmolens, 1 dakpan- en estrikfabrijk, en 1 linnenbleekerij. Van de 2 lijnbanen is er nog maar ééne in werking. Ook is hier nog eene in 1828 geheel nieuw gebouwde school met onderwijzerswoning, die doorgaans door 100 leerlingen, onder welke vele uit de stad Harlingen, bezocht wordt.
Weleer lagen onder Almenum, de sloten Bolta, Harlinga, Harns, Gratinga, van welke laatste de tegenwoordig onder het dorp behoorende Gratindabuurt of Grettingabuurt haren naam ontleent. Op den zeedijk alhier, bij de grensscheiding der contributien van den vijf deelen zeedijkbuitendijks en binnendijks, staat het monument van steen, ter eere van Caspar Robles, een Spaansch landvoogd, die de verbetering van de zoo nuttige zeedijken, ten spijt van aanmatigingen en vooroordeelen, met kracht heeft doorgezet.
Door dit dorp loopen de trekvaarten van Harlingen naar Franeker en van Harlingen naar Bolsward.
In 1064 beging Ruurd Harlinga, op het kerkhof te Almenum, in eenen twist over het voorgaan ten offer, eenen manslag aan Sakser van Harns. In 1516 stak Frits van Gombach, Drost van Harlingen om redenen van defensie, de kerk en buurt van Almenum in brand. 
35559 
248 Almere Haven, Flevoland  5.22027777777778  52.3394444444444  Almere Haven is een stadsdeel binnen de gemeente Almere in de Nederlandse provincie Flevoland. Het stadsdeel heeft 22.565 (2006) inwoners en ligt aan het Gooimeer.
Almere Haven is het oudste gedeelte van Almere. De eerste woningen werden opgeleverd in november 1976, toen de eerste bewoners arriveerden, destijds vooral Amsterdammers. Toen werd Almere Haven nog aan elkaar geschreven, als "Almerehaven". Bij de instelling van de gemeente Almere op 1 januari 1984 werd tevens de naam van dit stadsdeel gewijzigd.
In Almere Haven liggen de wijken De Marken, De Grienden, De Meenten, De Werven, De Hoven, De Wierden, De Gouwen en De Velden. De Steiger en De Paal zijn de industrieterreinen van Almere Haven.
In Almere Haven worden jaarlijks het landelijk bekende Stoomfestival en het Havenfestival georganiseerd. Het Stoomfestival trekt telkens vele duizenden (internationale) bezoekers. 
32140 
249 Almere, Flevoland  5.22555555555556  52.3758333333333  Almere is een gemeente in de Nederlandse provincie Flevoland, in de polder Zuidelijk Flevoland. De gemeente grenst aan Lelystad en Zeewolde en aan het Gooimeer, IJmeer en Markermeer. De stad ligt geheel onder zeeniveau (2 tot 5 meter).
Geschiedenis
Van oorsprong waren de IJsselmeerpolders vooral of zelfs uitsluitend bedoeld als landbouwgrond. Echter, na de Tweede Wereldoorlog kwam men tot het inzicht dat de snel groeiende bevolking van met name Amsterdam voor een deel elders gehuisvest zou moeten worden. Zo ontwierp men twee steden in de polders Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. De stad in Oostelijk Flevoland werd Lelystad, de stad in zuidelijk Flevoland werd op de eerste schetsen nog Zuidweststad genoemd, maar kreeg in de jaren zeventig de naam Almere, naar de vroeg-Middeleeuwse naam van de Zuiderzee (zie Almere (meer)).
De eerste woningen in Almere werden opgeleverd in november 1976. De stad werd toen nog direct bestuurd door het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders (Z.IJ.P.), met een landdrost aan het hoofd. In 1984 werd wat er nog over was van het OL ZIJP opgedeeld in de gemeenten Almere en Zeewolde. De gemeente Almere beschouwt zich als de rechtsopvolger van het Openbaar Lichaam en voert ook hetzelfde wapen. Tot 1986, de oprichting van de provincie Flevoland, nam het Ministerie van Binnenlandse Zaken de provincietaken waar.
Oorspronkelijk was Almere opgezet als meerkernige stad. Dit beleid is losgelaten, zodat bijvoorbeeld een wijk als Tussen de Vaarten kon worden gebouwd. Ook ziet men tussen de oudste en de nieuwste woonwijken duidelijk een veranderd woningbouwbeleid terug: in de jaren zeventig was dit gericht op nivellering en functionaliteit, in de jaren negentig werd het de trend meer exclusieve en opvallende woningen te bouwen (bijvoorbeeld in de Regenboogbuurt). In 2006 werd het eerste deel van het nieuw gebouwde stadscentrum opgeleverd. Deze opening, die oorspronkelijk op 25 maart gepland stond werd uitgesteld, omdat op het laatste moment er onzekerheid ontstond over veiligheid van een woontoren in het nieuwe stadscentrum, het Kanteel genaamd. Dit temeer daar deze staat direct naast de wandelroute die Koningin Beatrix zou nemen tijdens haar wandeling door het nieuwe stadshart op 1 mei.
Stadsdelen
Almere bestaat (of zal bestaan) uit de volgende stadsdelen:
* Almere Stad
* Almere Haven
* Almere Buiten
* Almere Hout
* Almere Poort (in aanbouw)
* Almere Pampus (in ontwerp)
Almere is thans de grootste gemeente van Flevoland met 181.092 inwoners (1 januari 2007, bron: CBS), en de achtste gemeente van Nederland. Sinds het voetbalseizoen 2005/2006 wordt er in Almere betaald voetbal gespeeld door FC Omniworld. Almere heeft een stedenband met de Ghanese stad Kumasi. 
32139 
250 Almería, Andalucía, España  -2.4655723571777344  36.83924031966465  Almería is the capital of the province of Almería, Spain. It is located in southeastern Spain on the Mediterranean Sea and all its area is an important Mediterranean resort.
History
The name "Almería" المراية stems from Al-Mariyat: "The Mirror of the Sea", in Arabic.
The city was founded by Abd ar-Rahman III of Cordoba, in 955, as a principal harbor in his extensive domain to strengthen his Mediterranean defenses.
Its Moorish castle, Alcazaba, is the second largest among the Muslim fortresses of Andalusia after the Alhambra.
In this period, the port city of Almería reached its historical peak, continuing, after the fragmentation of the Caliphate of Cordoba, under powerful local Muslim taifa emirs like Jairan, the first independent Emir of Almería and Cartagena and Almotacin the poet emir, both fearless warriors but also patrons of the arts. A silk industry, based upon plantings of mulberry trees in the hot dry landscape supported Almería in the 11th century and made its strategic harbour an even more valuable prize. Contested by the emirs of Granada and Valencia, Almería suffered many sieges, and one especially fierce when Christians, called to the Second Crusade by Pope Eugene III, were also encouraged to fall upon the Muslim infidel on a more familiar coast.
On that occasion Alfonso VII, at the head of mixed forces of Catalans, Genoese, Pisans and Franks led a crusade against the rich city, and Almería was occupied in October 1147. Within a decade it had passed to the control of the puritanical Almoravid emirs, and though its glorious culture was diminished, not until the late 15th century did it fall permanently into Christian hands, surrendered to the Catholic Monarchs, Ferdinand and Isabella, December 26, 1489.
See: List of Almería Kings
The 16th century was for Almería a century of natural and human catastrophes, for there were at least four earthquakes— of which the one in 1522 was especially violent— devastating the city. The people who had remained Muslim were expelled from Almería after the War of Las Alpujarras in 1568 and scattered across Spain. Landings and attacks by Berber pirates were also frequent in that century, and continued until the early 18th century. In that time, huge iron mines were discovered and French and British companies came to settle in the area, bringing renewed prosperity and bringing Almería back to a relative importance within Spain.
During the Spanish Civil War the city was shelled by the German navy. It and Málaga were the last cities to surrender to Francisco Franco's "National Spain" forces. In the second half of the 20th century, Almería witnessed spectacular economic growth due to tourism and its intensive agriculture, with plants grown year-round in massive 'invernaderos' - plastic-covered intensive farms.
After Franco's death and the approval of the new Spanish Constitution, the people of southern Spain were called into referendum to approve an autonomous status for the region. The province of Almeria voted in favour of it and join the newly created autonomous region of Andalusia.
Almería es una ciudad costera y portuaria española, capital de la provincia homónima de Andalucía, entre Granada y Murcia.
Está rodeada por la sierra de Gádor al oeste, al norte por Sierra Alhamilla, al este por una llanura que culmina en la sierra de Cabo de Gata, en el Parque Natural de Cabo de Gata-Níjar (una de las esquinas de la Península Ibérica) y al sur se abre a una amplia bahía. La ciudad, situada en el sureste de España, a orillas del Mar Mediterráneo, está bordeada por el río Andarax. Es la capital de la costa de Almería, que se extiende a lo largo de 219 km. También ostenta el título de ser la capital europea con más horas de sol al año, haciendo honor a un acertado eslogan que dice Almería, donde el sol pasa el invierno (Rodolfo Lussnigg).
Culturalmente, es famosa por la Alcazaba, el Cargadero de Mineral (también conocido como Cable Inglés), la Catedral y su Museo Arqueológico. El cultivo en invernaderos, la construcción y el turismo son las principales fuentes de ingresos de la ciudad. En 2005 fue sede de los Juegos de Mediterráneos, los cuales dotaron a la ciudad de una magníficas y necesarias instalaciones deportivas como son El Estadio de los Juegos Mediterráneos o la Villa Mediterránea de El Toyo. Posee un aeropuerto internacional. La isla de Alborán pertenece, administrativamente, al ayuntamiento de la ciudad, y concretamente, al barrio de Pescadería.
Historia editar
El lugar que ocupa la actual provincia de Almería es, en palabras del prestigioso historiador y arqueólogo Luis Siret, "un impresionante museo natural". Ello se explica, en principio, por las tres culturas neolíticas que se dan en el territorio de la provincia, hecho el cual es único en nuestro continente: la de Almería, la de Los Millares y la de El Argar, con su aportación a la cultura campaniforme y celta. En el periodo clásico, son muchas las poblaciones íberas y las colonias fenicias y cartaginesas que cobran importancia en Almería. Es destacable la importancia de varias poblaciones ya en la Roma clásica, como las de Urci (junto a la capital), Abdera (Adra), Murgi (El Ejido), Baria (Vera) o Tagilis (Tíjola). El puerto de la actual capital de Almería (Portus Magnus) ya era explotado y apreciado por los comerciantes del Lacio.
Es en el medievo cuando se da una riquísima y por desgracia ignorada relevancia de esta provincia. Para remontarse a su fundacíón, hay que decir que Bayyana, en el día de hoy el pueblo de Pechina situado en las orillas del río Andarax, era la capital de la Cora, teniendo su auge entre el siglo IX hasta mediados del siglo X. Tras el ataque de Fatimí al arrabal de Bayyana, es cuando Abderramán III decide en el 955 amurallar el poblado primitivo de la ciudad , La Medina, que se había formado alrededor de la atalaya, Bayyana - Almariyat (la atalaya que la importante República de Pechina tenía en la costa), nace la ciudad, la cual mandó edificar una fortaleza para defensa de la ciudad. Almería era una población total y radicalmente islámica. La Almería musulmana llegó a ser una ciudad grandiosa. Después de Córdoba, era la ciudad más influyente y próspera de la península y una de las más ricas de todo el orbe islámico. Con posterioridad, en el año 965, se construye una Mezquita Mayor como lugar de oración y recogimiento. El almirante de la flota, que residía en Almería, era de facto el segundo poder en la España de la época y tenía a su disposición nada menos que 300 naves que fondeaban en el puerto, el más importante del califato. Ibn Maymun fue el más grande de estos almirantes de Almería, al que Almanzor envenenó, envidioso de su poder.
El puerto de Almería fue en el siglo X uno de los principales puertos de la base naval del Califato de Córdoba.
Con la muerte de Hixem II, se desmorona el Califato de Córdoba apareciendo los Reinos de Taifas en el siglo XI, en el que Almería se independiza bajo el mandato de Jairán. Sigue cobrando importancia, llegando a ser, como reino independiente, una de las taifas más prósperas. La ciudad tenía al menos quince puertas, que guardaban la entrada a una ciudad de cerca de un millón de metros cuadrados, laberíntica y abigarrada. De todas esas puertas, los contemporáneos destacaban por su belleza tres de ellas, que tenían un raro patio interior (en toda la España musulmana, sólo había dos ejemplos más de este tipo de puertas: una en Sevilla y otra en Granada). Llegó a contar con 10.000 telares, que creaban maravillosos tejidos de seda, entre los que destacaban un “tejido de Almería” que era exportado a casi todo el mundo árabe. Las crónicas medievales hablan maravillas de la actividad comercial de la ciudad y de la prontitud con que los almerienses hacían frente a los pagos. No sólo los tejidos, sino esclavos (Pechina y Verdún eran los comercios de esclavos más grandes de toda Europa), orfebrería y mármol (se han encontrado lápidas funerarias de mármol de Macael hasta en Nigeria) eran su fuerte. El puerto almeriense era un prodigio de animación y bullicio. Sin duda, uno de los más importantes del Mediterráneo en época califal, de taifas y con los almorávides. Estos últimos dieron cobijo a piratas, convirtiendo al puerto no sólo en la envidia sino, también, en el terror de sus enemigos.
El investigador Florentino Castro Guisasola publicó en 1930 el libro El esplendor de Almería en el siglo XI, título que habla por sí solo. La Almería musulmana está presente en muchos textos medievales, como el Romance del Conde Arnaldo o Las Serranillas, del Marqués de Santillana. Los árabes también cantaron las magnificencias de la ciudad, como el sabio almeriense del siglo XIV, Aben Jatima, en su libro Ventajas de Almería respecto a los otros países de España.
Lo que se ha venido llamando siglo de oro de la ciudad rozaba su cénit cuando el Papa Eugenio III convocó una cruzada contra la ciudad. Cristianos del sur de Europa se reunieron para acabar con la cruel Almería, como la llamaban los juglares de la época. En el sur de Francia, los romances comparaban Almería con una “piscina” que lavaría los pecados de aquellos que se unieran a la cruzada. El conde Ramón Berenguer de Barcelona, Alfonso VII de León, el rey García Ramírez IV de Navarra y Álava (nieto del Cid) o el gran duque Guillermo VI de Montpellier junto con genoveses y pisanos (que veían como una infranqueable competencia el emporio del puerto de la ciudad y que habían sufrido los ataques de su flota), se dieron cita ante las murallas de Almería. Cada uno traía entre sus huestes a lo más granado de la caballería europea, nombres protagonistas de romances medievales (como el conde de Astorga, Ramiro Flores de Guzmán, llamado la “Flor de las Flores” en el “Poema de Almería”, compuesto a raíz de la conquista). Tras una breve pero intensa resistencia, las murallas fueron asaltadas por doce puntos. Alfonso VII no quiso negociar paz alguna. De los habitantes de la ciudad, 10.000 pudieron huir milagrosamente hacia Murcia y 20.000 se refugiaron en la Alcazaba. De estos últimos, la mayoría de los varones fueron pasados a cuchillo. Alfonso VII, “el Sultancillo”, como le llamaban despreciativamente los almerienses, devastó Almería y destruyó sistemáticamente las industrias de la ciudad. Era el año 1147.
El botín fue espectacular. Los soldados se llenaron los bolsillos, pero los nobles se llevaron la mejor parte. Los jefes genoveses se llevaron el “Sacro Catino”, una gran fuente de esmeralda finamente tallada a seis puntas en la que, según la tradición, Jesucristo sirvió el cordero en la última cena. Alfonso VII se llevó partes de la gran mezquita, que depositó en el Monasterio de las Huelgas de Burgos, y ricos tejidos, con los que sería confeccionada la famosa casulla de San Juan de Ortega. El conde de Barcelona se llevó las espectaculares puertas de la Puerta de Pechina, forradas de cuero de buey y tachonadas con clavos de bronce, cuya última pista nos lleva a la capilla vieja de la Universidad de Barcelona.
A partir de ahí comienza una lento declinar. Tras diez años de dominio castellano, hasta 1157, los almohades lograrían recuperar la ciudad e intentan devolverle su antiguo esplendor, sin conseguirlo en absoluto. Los granadinos la hacen luego su puerto principal, pero Almería ya no es la de antes. Es destacable el épico y durísimo asedio que volvió a sufrir en 1309 por parte de las tropas de Jaime II de Aragón, que no pudieron con la sólida resistencia almeriense. En esta época, Almería es el escenario de batallas, incursiones y razzias entre los cristianos de Murcia y los moros de Granada. Y en esta época probablemente tiene origen el dicho: Cuando Almería era Almería, Granada era su alquería.
Durante el siglo XV, las luchas por el trono del reino de Granada se irán sucediendo, proclamándose rey de Almería Abdalá El Zagal, reinado que durará poco tiempo porque el 26 de diciembre de 1489, los Reyes Católicos conquistan la ciudad y El Zagal les entrega las llaves de Almería.
Tras la reconquista definitiva, pronto se ve que la ciudad no significaría para los cristianos lo que fue para los árabes.
Se podría afirmar que, mientras los Reyes Católicos estaban celebrando gozosamente la Navidad en la Alcazaba, después de entrar en la ciudad, un estilo de vida y una época brillante expiraba en la ciudad.
Almería en época musulmana se dividía en tres barrios:
* El núcleo primitivo fue La Medina.
* El arrabal de Al-Hawd (El Algibe), actuales barrios de La Chanca y Pescadería.
* El arrabal de La Musalla que se extendía desde la actual calle de La Reina hasta la Rambla Obispo Orberá.
Este brusco deterioro de las prosperidad de Almería está adobado además con una sucesión de terremotos, dos de los cuales son terribles: el de 1518, que elimina para siempre la Vera musulmana, matando a todos sus habitantes, y el de 1522, que se dejó sentir hasta en las Azores, y que devasta Almería por completo, convirtiéndola casi en un solar y siendo la principal causa de la destrucción de la práctica totalidad de los edificios que los árabes habían levantado en ella, así como de la catedral antigua.
Estos terremotos y la esquilmación demográfica hacen que apenas haya mención a Almería hasta la modernidad. Es en el siglo XIX cuando resurge su puerto debido a la extracción minera y la exportación de uva de Berja y Ohanes. Surgimiento a tiempo para poder ser considerada como capital de la provincia homónima en la nueva reasignación que se hace a finales de siglo. 
60978 
251 Almert, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  8.358056  51.149167  Almert ist ein Ortsteil der Stadt Schmallenberg in Nordrhein-Westfalen.
Almert gehörte 1543, wie mehrere Orte in der heutigen Stadt Schmallenberg, zum Amt Bilstein. Der kleine Ort liegt rund zwei Kilometer östlich von Grafschaft und ein Kilometer südwestlich von Oberkirchen. Angrenzende Orte sind Grafschaft, Winkhausen, Oberkirchen und Schanze. In Almert gibt es einige Bauerhöfe und eine Kapelle. 
34608 
252 Almkerk, Woudrichem, Noord-Brabant  4.964726  51.772885  Almkerk (Brabants: Almkérk) is een plaats in het noorden van de provincie Noord-Brabant, hemelsbreed ongeveer 12 km ten zuiden van Gorinchem. De naam is afkomtig van de kerk die gebouwd was langs het riviertje de Alm. In 1277 wordt de naam "Almekercke" voor het eerst in geschriften aangetroffen. Het aantal bewoners was in 2004 ruim 3600. Almkerk maakt sinds 1973 deel uit van de gemeente Woudrichem en ligt in het land van Heusden en Altena.
Het is vanouds een protestants dorp dat zich bevond op de overgang van het katholieke Brabant naar het protestantse Zuid-Holland. In de rivier de Alm bevond zich een oud sluisje, een zogenaamd verlaat (nu de naam van de sporthal "'t Verlaat"). Vroeger stond in het dorp een molen, waaraan de Molenwijk nog herinnerd. Almkerk is van origine een plattelandswoonkern, maar heeft zich door de jaren heen behoorlijk uitgebreid voor haar eigen begrippen. Het intieme karakter en het open land eromheen geven het dorp zowel in zomer als winter een pittoreske sfeer.
Tegenwoordig zijn de inwoners een mix van forenzen en vanoudsher in regio aanwezige families. Het door de ligging in het Land van Heusden en Altena is het voor sommige evenementen een interessante locatie. 
35140 
253 Almoçageme, Portugal  -9.47124052021536  38.797756180298556  Almoçageme (pronounced: Al-mu-sa-jè-mê) is a large village on the Portuguese municipality of Sintra and in the Freguesia of Colares. It is home to Adraga Beach  64729 
254 Almond, Portage County, Wisconsin, USA  -89.41042900085449  44.260328702000244  Almond is a village in Portage County, Wisconsin, United States. The population was 459 in the 2000 census.
History
Incorporated in 1905, the town originated when Jacob Meyers from Mohawk Valley, New York, started a stagecoach and freight route between Berlin and Stevens Point. He needed a stop for the horses between route so he set up a barn and inn on the site of what is now Almond. The U.S. government signed a treaty with the Menominee Indians ceding land in central Wisconsin in 1848, which opened up the area to settlement. A post office was established on July 8, 1850, at the stagecoach stop. James F. Moore, a native of Almond N.Y., became postmaster. 
83979 
255 Almuniente, Monegros, España  -0.410475  41.949613  Monegros is een comarca van de Spaanse provincies Zaragoza en Huesca. De hoofdstad is Sariñena, de oppervlakte 2764,90 km2 en het heeft 21.641 inwoners (2002).
Gemeenten
Albalatillo, Albero Bajo, Alberuela de Tubo, Alcubierre, La Almolda, Almuniente, Barbués, Bujaraloz, Capdesaso, Castejón de Monegros, Castelflorite, Farlete, Grañén, Huerto, Lalueza, Lanaja, Leciñena, Monegrillo, Peñalba, Perdiguera, Poleñino, Robres, Sangarrén, Sariñena, Sena, Senés de Alcubierre, Tardienta, Torralba de Aragón, Torres de Barbués, Valfarta en Villanueva de Sigena. 
36475 
256 Alnwick, Northumberland, England, United Kingdom  -1.7054  55.41  Alnwick (pronounced "anick" ˈænɪk) is a small market town in north Northumberland, in the north-east of England. It serves as the administrative centre for the Alnwick district, and had a population of 7,100 at the time of the 2001 census.
Overview
According to Country Life, October 2002, the "historic county town of Northumberland and seat of the Duke of Northumberland, Alnwick is the most picturesque market town in Northumberland, and the best place to live in Britain". The town is situated 30 miles south of Berwick-upon-Tweed and the Scottish border, and 7 miles inland from the North Sea.
The town dates back to approximately 600AD, and over the centuries has thrived as an agricultural centre; as the location of Alnwick Castle and home of what were in medieval times the most powerful northern barons, the Earls of Northumberland; as a staging post on the Great North Road between Edinburgh and London, and latterly as a modern rural centre cum dormitory town. The fabric of the town centre has changed relatively little and still retains much of its original character; however there has been appreciable growth in size over the last ten years, with a number of housing estates covering what had been pasture, and new factory and trading estate developments along the roads to the south of the town.
Features
The town's greatest building is Alnwick Castle, the home of the Percy family, the Dukes of Northumberland, and site of the Alnwick Garden; it dominates the west of the town, above the River Aln. The Castle is the hub of a number of commercial, educational and tourism operations. It houses American students studying in Europe; is the base of Northumberland Estates, the Duke's commercial enteprise; and is in its own right a tourist attraction. The castle is open from April to September, and the Gardens all year around. It is the second largest inhabited castle in England, after Windsor. Benjamin Disraeli describes Alnwick as 'Montacute' in his novel Tancred.
The centre of town is the marketplace, with its market cross, and the relatively modern Northumberland Hall, used as a meeting place. Surrounding the marketplace are the main shopping streets, Narrowgate, Fenkle Street, and Bondgate Within. The last of these is a wide, spacious road fronted by attractive commercial buildings. In medieval times, Alnwick was a walled city, and one remain - Hotspur Tower, an ancient gate - is extant, dividing Bondgate Within from Bondgate Without, and restricting vehicles to a single lane used alternately in each direction. Pottergate Tower, at the other side of the town, also stands on the site of an ancient gate, but the tower itself was rebuilt in the 18th century. Its ornate spire was destroyed in a storm in 1812. Outside the line of the walls, the old railway station building is relatively ostentatious for such a small town, arising out of its frequently being used by royal travellers visiting the Duke and Alnwick Castle.
The town has a thriving playhouse, a multi-purpose arts centre, which stages a hectic programme of theatre, dance, music, cinema, and visual arts exhibitions, and supports a weekly local newspaper - the Northumberland Gazette.
In 2003, the Willowburn Sports and Leisure Centre was opened on the southern outskirts of the enlarged town. More widely, the Alnwick district boasts a wealth of sporting and leisure facilities, including football, cricket, rugby, rambling, rock climbing, water sports, cycling and horse riding. Golfers can find thirteen golf courses within 30 minutes drive of the town.
The castle is popular with film-makers: Harry Potter; Blackadder and Robin Hood, Prince of Thieves are some of the films shot here.
Major events in the Alnwick calendar include:
* A Shrove Tuesday football match, known as Scoring the Hales is played on the fields below the castle between the parishes of St. Paul and St. Michaels. The ball is fetched from Alnwick Castle in procession, preceded by the Duke of Northumberland's piper. The game is won by whichever team is first to score 3 "hales" or goals.
* Alnwick Fayre, staged in the summer as a costumed re-enactment of a mediaeval fair in which residents of the town dress up in authentic costumes
* the Alnwick International Music Festival
* the Alnwick Castle Tournament – a medieval jousting spectacular in the grounds of Alnwick Castle.
Other places of interest in and near the town include:
* Brizlee Tower, a Grade 1 listed folly tower set atop a hill in Hulne Park, the Duke's walled estate, designed by Robert Adam in 1777 and erected in 1781 for Hugh Percy, 1st Duke of Northumberland.
* the Hotspur Tower, part of the remains of the ancient town wall, and named for Sir Henry Percy, also called Harry Hotspur, the eldest son of the 1st Earl of Northumberland and a major character in Henry IV, Part 1.
* the Nelson Memorial, Swarland, emphasising a local link to the admired Admiral.
* the White Swan Hotel, an 18th Century Coaching Inn that now houses the First Class Lounge and other fittings from the Titanic's near identical sister ship RMS Olympic
* the Northumberland Fusiliers Museum.
* the Pinfold, a stone circular structure within the centre of the town, built to imprison stray cattle.
* RAF Boulmer, which serves as the base for an air-sea rescue helicopter, and has a role in early warning radar surveillance and communications, but which is threatened with closure.
* the Tenantry Column - much in the style of Nelson's Column, 83 feet tall and topped by the Percy Lion, symbol of the Percy family - designed by Charles Harper and erected for Hugh Percy, 2nd Duke of Northumberland in 1816.
History
The history of Alnwick is the history of the castle and its lords, from the days of Gilbert Tyson, variously known as Tison, Tisson, and De Tesson, one of the Conqueror's standardbearers, upon whom this northern estate was bestowed, until the present time. After being held by the family of De Vesci (of which the modern rendering is Vasey — a name found all over south-east Northumberland) for over two hundred years, it passed into the hands of the house of Percy in 1309.
At various points in the town are memorials of the constant wars between Percys and Scots in which so many Percys spent the greater part of their lives. A cross near Broomhouse Hill across the river from the castle marks the spot where Malcolm III of Scotland was killed in 1093. At the side of the broad shady road called Rotten Row, leading from the West Lodge to Bailiffgate, a tablet of stone marks the spot where William the Lion of Scotland was captured in 1174, by Odinel de Umfraville and his friends; and there are many others of similar interest.
Hulne Priory, outside the town walls and within Hulne Park, the Duke's walled estate, was a monastery founded in the 13th century by the Carmelites; it is said that the site was chosen for some slight resemblance to Mount Carmel where the order originated. Substantial ruins remain.
In the winter of 1424, much of the town was burnt by a Scottish raiding party. 
257 Alpen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.5125  51.575  Die Gemeinde Alpen liegt am unteren Niederrhein im Nordwesten des Bundeslands Nordrhein-Westfalen und ist eine kreisangehörige Gemeinde des Kreises Wesel im Regierungsbezirk Düsseldorf. Sie ist Mitglied der Euregio Rhein-Waal.
Geographie
Räumliche Lage
Die Gemeinde Alpen liegt in der niederrheinischen Tiefebene, zwischen Xanten (10 km) und Rheinberg (8 km) sowie 11 km südwestlich der Kreisstadt Wesel. Im nordwestlichen Gemeindegebiet liegen Teile des Naturschutzgebiets Grenzdyck.
Gemeindegliederung
Die Gemeinde Alpen gliedert sich in die vier Ortsteile Alpen, Bönninghardt, Menzelen und Veen.
Geschichte
Alpen wurde 1074 zum ersten Mal urkundlich erwähnt und bis etwa 1330 von dem Geschlecht „von Alpen“ beherrscht. Von 1330 bis 1422 besaßen die Vögte von Köln den Ort, die sich dann ebenfalls von Alpen nannten. 1354 erhielt Alpen Stadtrechte und später sogar das Münzrecht. Bis 1602 blieb Alpen im Besitz der Grafen von Neuenahr und fiel dann bis zur französischen Besetzung (1794–1815) in den Besitz der Grafen von Bentheim.
Gebietsreform
Alpen gehörte in vorrevolutionärer Zeit zum kurkölnischen Amt Rheinberg, das unter anderem 1815 auf dem Wiener Kongress dem Königreich Preußen zugeschlagen wurde. Daraufhin kam Alpen im Zuge der Preußischen Verwaltungsorganisation am 23. April 1816 zum Landkreis Rheinberg als einem von über 40 Landkreisen der Provinz Jülich-Kleve-Berg, der späteren Rheinprovinz, der aber schon 1823 mit dem Landkreis Geldern vereinigt wurde. Diese Vereinigung wurde bereits 1857 rückgängig gemacht. Von da ab gehörte Alpen zum Landkreis Moers.
Zum 1. Juli 1969 wurden in der 1. Phase der Neugliederung in Nordrhein-Westfalen die bis dahin selbstständigen Gemeinden Alpen, Menzelen und Veen des ehemaligen Amtes Alpen-Veen zur neuen Gemeinde Alpen zusammengeschlossen.
Seit dem 1. Januar 1975 gehört Alpen zum Kreis Wesel, in dem der frühere Kreis Moers aufging. 
80 
258 Alphen aan de Rijn, Zuid-Holland  4.651038  52.127792  Alphen aan den Rijn is een stad en gemeente in Zuid-Holland, en ligt aan de Oude Rijn tussen Leiden, Gouda en Bodegraven en Ter Aar. Buiten de stad Alphen aan den Rijn zelf telt de gemeente ook nog de dorpen Aarlanderveen en Zwammerdam. De Alphenaren zelf noemen het centrum van hun woonplaats "het dorp".
Geschiedenis
Het gebied bij Alphen aan den Rijn werd 2000 jaar geleden al bewoond.
In de Romeinse tijd was de Oude Rijn de hoofdtak van de Rijn. De rivier zette bij overstromingen zand en klei af, waardoor een landschap van oeverwallen en kommen ontstond. In Alphen is dit nog steeds herkenbaar in de naamgeving van de stadsdelen "Hoge zijde" en "Lage zijde", aan de linker- respectievelijk de rechteroever van de rivier.
Op de plek waar nu het centrum van Alphen aan den Rijn zich bevindt, stond in Romeinse tijden het castellum Albanianae. De Romeinen bouwden toen ook de eerste brug over de Oude Rijn. Vanaf de regering van de Romeinse keizer Claudius (41 - 54 na Chr.) waren hier afdelingen van het Romeinse leger gelegerd. De noordelijke grens van het Romeinse Rijk lag namelijk langs de huidige Oude Rijn, en hier werden dan ook door de Romeinen diverse versterkte legerplaatsen gebouwd. Zo zijn ook in het dichtbij gelegen dorp Zwammerdam resten van een Romeins castellum gevonden, evenals resten van 6 Romeinse platbodems. Al in de Romeinse tijd ontwikkelde zich handel en nijverheid, waardoor Alphen aan den Rijn langzaam uitgroeide tot een belangrijk handelscentrum in de regio. Germaanse aanvallen maakten daar echter een einde aan in het jaar 240 na Chr.
Na een hoop strubbelingen en problemen met overstromingen, vooral in Utrecht en Leiden, werd de Oude Rijn in 1122 bij Wijk bij Duurstede afgedamd. De aftakking die eerst als "Lek" begon, werd de hoofdstroom van de rivier. Sindsdien trad de Oude Rijn niet meer buiten zijn oevers. In en na de Middeleeuwen was Alphen een ambachtsheerlijkheid onder de naam Alphen en Rietveld.
In de 17e eeuw kwam Alphen verder tot bloei. Het was toen een pleisterplaats voor postrijders en handelsverkeer over land en water. Op gedeelten langs de Oude Rijn is nu nog het jaagpad te zien, waarlangs de trekschuiten werden voortgetrokken. De huidige gemeente Alphen aan den Rijn is gevormd in 1918. Toen werden de kleinere gemeenten Alphen, Aarlanderveen en Oudshoorn samengevoegd. In 1964 werd de gemeente uitgebreid met Zwammerdam. 
35778 
259 Alphen en Riel, Alphen-Chaam, Noord-Brabant  4.967271  51.495218  Alphen en Riel is een voormalige gemeente in de provincie Noord-Brabant.
De gemeente is in 1997 opgeheven. Het grootste deel, met het dorp Alphen maakt sindsdien deel uit van de gemeente Alphen-Chaam. Het overige deel, met het dorp Riel, is bij de gemeente Goirle gevoeg 
33162 
260 Alphen, Alphen aan den Rijn, Zuid-Holland  4.660196968261744  52.12781529702325  Alphen is een plaats en voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland, aan de Oude Rijn.
Per 1 januari 1918 werden de gemeenten Alphen, Aarlanderveen, Oudshoorn een deel van Zwammerdam samengevoegd tot een nieuwe gemeente Alphen aan den Rijn. 
131513 
261 Alphen, Appeltern, Gelderland  5.47138888888889  51.8213888888889  Alphen (ook: Alphen aan de Maas) is een dorp met ongeveer 1700 inwoners in het zuidwesten van de Gelderse gemeente West Maas en Waal.
Een van de bezienswaardigheden is de zeer oude kerk. De fundamenten en een deel hiervan behoren tot de oudste kerken van Nederland.
Alphen is door een veerdienst verbonden met het Brabantse Lith, en ook met het Brabantse Oijen.
In de omgeving vindt veel landbouw en fruitteelt plaats.
Momenteel (oktober 2005) worden er voorbereidingen getroffen voor grootscheepse buitendijkse ontzanding. Deze vinden plaats om een alternatief te bieden voor het gat van Maasbommel. Zowel vanuit Lith als vanuit Alphen wordt hier kritisch naar gekeken. 
1306 
262 Alsace Manor, Berks County, Pennsylvania, USA  -75.85435152053833  40.39768106457434  Alcase Manor is a village in Berks County, Pennsylvania United States
Berks County is a county located in the U.S. state of Pennsylvania. As of the 2010 census, the population was 411,442. The county seat is Reading. Berks County is part of the Reading, PA, metropolitan statistical area and as of 2005, is also considered part of the Philadelphia combined statistical area.
History
Reading developed during the 1740s when the inhabitants of northern Lancaster County sent several petitions requesting that a separate county be established. With the help of German immigrant Conrad Weiser, the county was formed on March 11, 1752 from parts of Chester County, Lancaster County, and Philadelphia County.
It was named after William Penn's family home of Reading, Berkshire, England. Berks County began much larger than it is today. The northwestern parts of the county went to the founding of Northumberland County in 1772 and Schuylkill County in 1811, when it reached its current size. In 2005, Berks County was added to the Delaware Valley Planning Area due to a fast-growing population and close proximity to the other communities. 
84712 
263 Alsace Township, Berks County, Pennsylvania, USA  -75.8650148  40.379377  Alsace Township (pronounced "ALL-siss") is a township in Berks County, Pennsylvania, United States. The population was 3,689 at the 2000 census. As of the 2005 census estimate, the population had slightly risen to 3,730.  84708 
264 Alsbach, Westerwald, Rheinland-Pfalz, Deutschland  7.660346031188965  50.46324130696844  Alsbach ist eine Ortsgemeinde im Westerwaldkreis in Rheinland-Pfalz. Sie gehört der Verbandsgemeinde Ransbach-Baumbach an
Geschichte
Alsbach wurde 1143 erstmals erwähnt. 1564 wurde im Kirchspiel Alsbach unter der wiedischen Herrschaft die Reformation eingeführt. Aufgrund des Beitritts der beiden nassauischen Fürsten zum Rheinbund und der gleichzeitigen Mediatisierung der wiedischen Fürsten gehörte Alsbach ab 1806 zum Herzogtum Nassau und kam 1866 zum Königreich Preußen. Unter der preußischen Verwaltung gehörte Alsbach zum Unterwesterwaldkreis im Regierungsbezirk Wiesbaden. Nach dem Zweiten Weltkrieg kam Alsbach zum neu gebildeten Land Rheinland-Pfalz. Der Unterwesterwaldkreis und damit Alsbach war nun dem neuen Regierungsbezirk Montabaur zugeordnet. Nach dessen Auflösung kam 1968 Unterwesterwaldkreis zum Regierungsbezirk Koblenz, seit 1972 gehört Alsbach der Verbandsgemeinde Ransbach-Baumbach und seit 1974 dem Westerwaldkreis an. 
132472 
265 Alsdorf, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.166667  50.883333  Die Stadt Alsdorf 'alsdɔrf ist eine mittlere kreisangehörige Stadt und ein Mittelzentrum im nordrhein-westfälischen Kreis Aachen.
Geografie
Alsdorf liegt in der Nähe des Dreiländerecks Deutschland/Belgien/Niederlande im äußersten Westen der Bundesrepublik Deutschland. Nachbargemeinden sind, im Uhrzeigersinn und im Norden beginnend, Baesweiler, Aldenhoven, Eschweiler, Würselen, Herzogenrath und Übach-Palenberg. Alsdorf gehört zum Nordkreis Aachen.
Geschichte
Die erste geschichtliche Erwähnung fand der Ortsname Alsdorf im Jahre 1191 in einer kirchlichen Urkunde unter dem Namen „alstorp“.
Bis 1789 gehörte Alsdorf zum Herzogtum Limburg der Österreichischen Niederlande. Die heutigen östlichen Stadtteile Hoengen, Schaufenberg und Warden gehörten zum Oberamt Jülich und Ofden zum jülicher Amt Wilhelmstein. Diese Teilung setzte sich bei den Franzosen fort: 1813 gehörte die Mairie Alsdorf zum Kanton Rolduc im Département Meuse inferieure (Untere Maas), während die drei Mairien Hoengen, Bardenberg (mit Duffesheide und Reifeld) und Broich (mit Ofden und Hof Kellersberg) zum Kanton Eschweiler und die Mairie Setterich (mit Bettendorf und Schaufenberg) zum Kanton Linnich - beide Département de la Roer (Rur) gehörten.
1818 wurden in Preußen Kreise und Regierungsbezirke gebildet, und das heutige Alsdorfer Gebiet lag zum ersten Mal vollständig in einer Verwaltungseinheit: dem Regierungsbezirk Aachen. Aber die heutigen Stadtteile waren auf verschiedene Bürgermeistereien und Kreise verteilt. Bettendorf und Schaufenberg gehörten zur Bürgermeisterei Setterich, dann zu Siersdorf, dann wieder zu Setterich im Kreis Jülich. Die übrigen gehörten zu verschiedenen Gemeinden im Kreis Aachen: Alsdorf, Bardenberg, Broichweiden und Hoengen. Von 1927 bis in die 1950er Jahre gehört Alsdorf zum Arbeitsamtbezirk Eschweiler.
In Alsdorf befand sich die Grube Anna des Eschweiler Bergwerks-Vereins. Am 21. Oktober 1930 ereignete sich ein schweres Grubenunglück mit 271 Toten. Die Kohleförderung wurde Ende 1983 eingestellt.
Von 1968 bis 1970 fanden in Alsdorf Prozesssitzungen zum Contergan-Skandal statt.
1972 wurden auf Grund von § 4 des Aachen-Gesetzes Alsdorf, Bettendorf und Hoengen zur neuen Stadt Alsdorf zusammengeschlossen sowie weitere kleinere Gebietsänderungen vorgenommen. Hoengen schlug im Vorfeld den alternativen Namen "Broichtal" für die neue Stadt vor. Ferner kam Hoengen vom Bereich des Amtsgericht Eschweiler an das Amtsgericht Aachen. 
35014 
266 Alstaden, Oberhausen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.822638511657715  51.46098881210898  Alstaden ist ein Stadtteil der kreisfreien Stadt Oberhausen in Nordrhein-Westfalen.
Geschichte
Alstaden gehörte lange Zeit zur Herrschaft Broich.
Im 19. Jahrhundert gehörte Alstaden die meiste Zeit zum Landkreis Mülheim an der Ruhr, bis es am 1. April 1910 Oberhausen eingemeindet wurde.
Am 31. Oktober 2007 lebten hier 18.272 Einwohner. 
62196 
267 Alstätte, Ahaus, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  52.066667  Die Stadt Ahaus liegt im westlichen Münsterland im Nordwesten des Bundeslands Nordrhein-Westfalen und ist eine Mittlere kreisangehörige Stadt des Kreises Borken im Regierungsbezirk Münster.
Stadtgliederung
Ahaus besteht aus den Ortsteilen:
* Ahaus
* Graes (Ortsteil)
* Ottenstein (Ortsteil)
* Wessum (Ortsteil)
* Wüllen (Ortsteil)
* Alstätte (Ortsteil) 
35167 
268 Alswede, Preußisch Oldendorf, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  8.559036254882812  52.33743685775091  Preußisch Oldendorf ist eine Stadt am Nordrand des Wiehengebirges im Nordosten von Nordrhein-Westfalen und ist eine kreisangehörige Stadt des Kreises Minden-Lübbecke im Regierungsbezirk Detmold.
1905 wurde dem Ortsnamen amtlich der Zusatz „Preußisch“ zwecks besserer Unterscheidung im Bahn- und Postverkehr hinzugefügt.
Gebietsneugliederung 1973
Die heutige Stadt wurde im Rahmen der Gebietsreform im Zuge des Bielefeld-Gesetzes geschaffen. Das ehemalige Amt Pr. Oldendorf gab die einwohnerstärkste Gemeinde Blasheim an die Stadt Lübbecke ab, erhielt aber im Gegenzug die zum damaligen Amt Alswede gehörenden Gemeinden Hedem und Lashorst. Ursprünglich war gedacht, wie in Lübbecke, den Mittellandkanal zur Nordgrenze der neuen Stadt Pr. Oldendorf zu machen und diese Gebiete der neuen Gemeinde Stemwede, bzw. Espelkamp anzugliedern. Dies wurde jedoch von den beroffenen Gemeinden Getmold und Schröttinghausen heftigst bekämpft, die, wenn sie schon die Selbständigkeit aufgeben sollten, wenigstens geschlossen eingemeindet zu werden wünschten. Von den Süd-Gemeinden wurde Zeit lang die Bildung einer Großgemeinde Börninghausen-Holzhausen gefordert, zu der es dann aber doch nicht kam. Als Ergebnis lässt sich konstatieren, dass alle betroffnen Gemeinden geschlossen in der Stadt Pr. Oldendorf aufgingen.
Geschichte
Am 1. Oktober 1899 erhält Preußisch Oldendorf im Ortsteil Holzhausen-Heddinghausen Anschluss an den Eisenbahnverkehr, als die Nebenbahn von Bünde (Westf) nach Bassum (Ravensberger Bahn) in Betrieb genommen wurde. Knapp ein Jahr später am 9. August 1900 kommt bereits die Zweigstrecke über Preußisch Oldendorf und Bad Essen nach Bohmte Ost mit Anschluss an die Hauptbahn Münster (Westf)–Osnabrück–Bremen (KBS 385) hinzu.
Zum 1. Januar 1973 wird im Zuge der Neugliederung das Amt Preußisch Oldendorf aufgelöst und die neue Stadt Preußisch Oldendorf mit 10 Stadtteilen gebildet. 
48247 
269 Alt Ruppin, Brandenburg, Deutschland  12.849444  52.947222  Alt Ruppin ist ein Stadtteil der brandenburgischen Kreisstadt Neuruppin im Landkreis Ostprignitz-Ruppin. Der Ortsteil hat etwa 2.900 Einwohner.
Direkt am Ruppiner See gelegen und teilweise als Insel von den zwei Armen des Rhins umspült, bietet Alt Ruppin eine gute Ausgangsbasis zur Erkundung der Ruppiner Schweiz.
Die erste urkundliche Erwähnung stammt aus dem Jahre 1237 als Olden Rupyn. Das Stadtrecht erhielt Alt Ruppin 1840
Neuruppin ist die Kreisstadt des brandenburgischen Landkreises Ostprignitz-Ruppin. Nach Eingemeindungen der Stadt Alt Ruppin und 13 Dörfern 1993 zählt Neuruppin 32.000 Einwohner bei einer Fläche von 303 km².
Zum Gedenken an den in Neuruppin geborenen Dichter Theodor Fontane trägt die Stadt den Beinamen Fontanestadt.
Neuruppin ist Mitglied der Arbeitsgemeinschaft „Städte mit historischen Stadtkernen“ des Landes Brandenburg.
Neuruppin is a town in Brandenburg, Germany. Located on the shore of the Ruppiner See (a lake), it is the capital of the district of Ostprignitz-Ruppin. Population: 32,800 (1999).
Neuruppin has the reputation of being the most Prussian of all Prussian towns, due to its former status as a Prussian garrison town. The novelist Theodor Fontane, the general Hermann Hoth, and the architect Karl Friedrich Schinkel were born in Neuruppin. Frederick the Great lived in Neuruppin in his years as crown prince of Prussia.
The name Neuruppin means "New Ruppin"; the original settlement of Ruppin (later Alt Ruppin, "Old Ruppin") was located on the tiny island of Poggenwerder in the middle of a lake. It was founded about 1150. Some hundred years later, when the island became too small for the growing population, the settlement of Neuruppin on the shore of the lake was established. The first settlers built the church of St. Trinitatis (1246), which still stands today.
In 1688 Neuruppin became a Prussian garrison town. After a disastrous fire in 1787 the Classicism of the rebuilt town's buildings characterise its townscape to the present day. It remained a garrison town until the late 20th century, since Soviet (resp. Russian) troops were stationed here until 1993; during this time there were as many Soviet soldiers as inhabitants in Neuruppin.
Image:Altruppin-1650-Merian.jpg 
33576 
270 Alt-Hoeselt, Hoeselt, Limburg, België  5.491138  50.827824  Hoeselt is een plaats en gemeente in de provincie Limburg in België. De gemeente telt ruim 9000 inwoners.
Regio
Hoeselt bevindt zich in de regio Vochtig Haspengouw. De kern van Hoeselt leunt nog aan bij het meer stedelijke Bilzen maar het grondgebied van de gemeente ten zuiden van de kern heeft alle kenmerken van een ruraal landschap van vochtig Haspengouw: natuurlijke valleien, reliëfverschillen met valleihellingen, kasteeldomeinen met bossen, lintbebouwing, fruit en graslanden. De landschappelijke belevingskwaliteit kan, naar Vlaamse normen, als hoog beschouwd worden.
Geschiedenis
Gelegen dicht bij het "Romeinse" Tongeren werden ook in het huidige Hoeselt heel wat overblijfselen ontdekt uit de Romeinse tijd. Uit de moederparochie Hoeselt ontstonden later 7 afhankelijke kerken: Sint-Huibrechts-Hern, Vliermaal, Beverst, Romershoven, Schalkhoven, Werm en Alt-Hoeselt. In 1066 kwam de parochie Hoeselt in handen van de kapittelheren van Hoei. Hoeselt heette toen nog Housle (Hus + Lo: huis bij het bos). De bossen werden in de 12de en 13de eeuw ontgonnen en gecultiveerd.
Hoeselt was later een deel van het koninklijk Frankisch gebied en kwam dra onder het directe bestuur van de prinsbisschop van Luik. Het centrum - met het driehoekig dorpsplein (dries)- en de motheuvel getuigen nu nog van dit verre Frankisch verleden.
Kernen
* Hoeselt
* Alt-Hoeselt
* Onze-Lieve-Vrouw-Parochie (soms ook wel de Neder of Neroy(e) genoemd)
* Romershoven
* Schalkhoven
* Sint-Huibrechts-Hern
* Vrijhern
* Werm
Het oudste geschrift over Alt-Hoeselt gaat terug tot 965, toen prinsbisschop Everard van Luik een hoeve in Althuolst schonk aan de Saint-Martin in Luik.
Als kwartkapel hing de kerk van Alt-Hoeselt tot 1834 af van de moederkerk van Hoeselt.
Op bestuurlijk vlak maakte Alt-Hoeselt steeds deel uit van de heerlijkheid Hoeselt en omvatte het de kwartieren Alt-Hoeselt-Dorp en Alt-Hoeselt-Brouck.
De vruchtbare akkergronden werden reeds vanaf de Gallo-Romeinse tijd bewerkt en gaven het ontstaan aan talrijke grote hoeves: het Hof van den Edelbampt, het hof van Pietersheim, het hof van Stevordia, het hof van Eysse. Enkel het hof Ter Poorten overleefde de tand des tijds. 
38948 
271 Altburg, Calw, Baden-Württemberg, Deutschland  8.7023  48.7243  Altburg ist ein Ortsteil von Calw in Baden-Württemberg.
Altburg ist der höchstgelegene Stadtteil von Calw und liegt in einer Höhe von 540 bis 650 m ü. NN am Ostrand der Enz-Nagold-Platte, von der aus bei guter Sicht Hecken- und Schlehengäu und auch die Schwäbische Alb überblickt werden können.
Derzeit hat Altburg ca. 2.800 Einwohner in den Weilern Oberriedt, Speßhardt, Spindlershof und Weltenschwann. Der Ort gehörte schon um 830 zum Kloster Hirsau. Dorthin existiert(e) angeblich auch ein Geheimgang, durch den zuweilen die Mönche des Klosters flüchteten, um sich ein Bisschen Freiheit zu verschaffen.
Die Martinskirche mit ihren mittelalterlichen Deckengemälden ist eines der bemerkenswerten Bauwerke von Altburg. Der älteste Teil der als Wehrkirche erbauten Kirche ist der Turm aus dem 12. Jahrhundert.
Altburg hat einen Fussballverein. Der 1. FC Altburg wurde 1920 gegründet und hat ca. 400 Mitglieder. Die 1. Mannschaft der Aktiven spielt im Moment in der Bezirksliga, die 2. Mannschaft in der Kreisliga B. 
37337 
272 Altdorf, Bayern, Deutschland  11.356944  49.3875  Altdorf bei Nürnberg (amtlich: Altdorf b.Nürnberg) ist eine Stadt im mittelfränkischen Landkreis Nürnberger Land.
Geografische Lage
Die ehemalige Universitätsstadt liegt 25 km südöstlich von Nürnberg, inmitten einer reizvollen Mittelgebirgslandschaft (400 - 700 m ü. M.) mit Rhätschluchten (Rhät = Oberer Keuper), wald- und wiesenreichem Oberland. Im Winter ist Altdorf sehr schneereich, im Sommer bietet die hügelige Umgebung viele Freizeitmöglichkeiten, wie Radtouren und Wanderungen. Von Hegnenberg aus kann man bei sonnigem Wetter einen Panoramablick über das mittelalterliche Städtchen genießen.
Eine Luftaufnahme aus dem Jahr 2005. Der Blick geht in etwa nach Westen.
Eine Luftaufnahme aus dem Jahr 2005. Der Blick geht in etwa nach Westen.
Ortsteile
Adelheim | Eismannsberg | Grünsberg | Hagenhausen | Hegnenberg | Lenzenberg | Lochmannshof | Ludersheim-Au | Ludersheim | Oberrieden | Oberwellitzleithen | Prackenfels | Prethalmühle | Pühlheim | Rasch | Raschbach | Röthenbach b. Altdorf | Schleifmühle | Stürzelhof | Unterrieden | Unterwellitzleithen | Waldspitze | Wappeltshofen | Weinhof | Ziegelhütte
Historische Daten
* 800 - Fränkischer Königshof
* 1129 - Erste urkundliche Erwähnung
* 1281 - Der Bezirk "Hofmark Altdorf" untersteht der kaiserlichen Verwaltung
* 1299 - Altdorf wird an die Grafen Nassau verpfändet
* 1368 - Stiftung von Märkten
* 1387 - Erste urkundliche Erwähnung als "Stadt", Bau von Graben und Mauern
* 1504 - Eroberung durch die Nürnberger, Sitz eines Nürnberger Pflegamtes
* 1575/1578 - Sitz des nürnbergischen Gymnasiums, Akademie
* 1622 - Universitätsprivileg (Universität bis 1809); einer der berühmtesten Schüler ist Albrecht von Wallenstein
* 1666 - Philosoph Leibniz promoviert in Altdorf
* 1672 - Johann Christoph Sturm gründet das Collegium Curiosum sive Experimentale, dessen Mitglied Leibniz wurde
* 1806 - Altdorf kommt mit Nürnberg zum Königreich Bayern
* 1824 - Die Stadt erhält das Königliche Schullehrerseminar
* 1925 - Im Seminargebäude werden durch den Landesverband für Innere Mission Einrichtungen für Körperbehinderte geschaffen
* 1945 - Sitz des Landratsamtes (bis 1965)
* 1945 - Ab Mai 1945, mit Besatzung der Amerikaner, Sitz der U.S. Soldatenzeitung "The Stars and Stripes" (Southern Germany Edition, später dann umbenannt in European Edition, bis zu dem Umzug nach Griesheim/Hessen) in den ehemaligen Gebäuden der NS-Zeitung "Der Stürmer". Die erste Ausgabe (Vol.1-No.1) wurde am 08. Mai 1945 (zufälligerweise auch V-E-Day) mit dem Titel "ETO WAR ENDS" gedruckt und ausgeliefert
* 1972/1978 - Gebietsreform mit Eingemeindung umliegender Gemeinden 
37244 
273 Altdorf, Kantons Uri, Schweiz  8.643364906311035  46.88105103914781  Altdorf (UR) ist eine politische Gemeinde und der Hauptort des Kantons Uri in der Schweiz. Die Gemeinde zählt 8'595 Einwohner (2006) und gilt damit nicht als Stadt.
Geographie
Der Ortskern von Altdorf liegt auf 458 m ü. M. in der Reussebene, wenig oberhalb der Mündung der Reuss in den Urnersee.
Zur Gemeinde gehört neben dem Dorf auch die Streusiedlung Eggbergen (1410-1678 m.ü.M.) am Westhang der Höch-Egg (1785 m.ü.M.).
Immerhin 235 ha oder 23,0 % der Gemeinde sind Siedlungsfläche. Davon sind 116 ha Gebäude- und 27 ha Industrieareal sowie 69 ha Verkehrsfläche. Etwas umfangreicher ist die Landwirtschaftsfläche mit 367 ha oder einem Anteil von 35,9 %. Darunter befinden sich, eine Seltenheit in Uri, keine Alpgebiete. Dagegen sind 360 ha Wies- und Ackerland. Ausserdem sind 402 ha oder 39,3 % von Wald und Gehölz bedeckt. Unproduktives Gebiet umfasst den kleinen Rest des Gemeindegebiets, genauer 19 ha oder 1,9 %.
Die westliche Gemeindegrenze bildet die Reuss. Kurz vor ihrer Einmündung in den Urnersee dreht die Gemeindegrenze nach Nordosten, umschliesst in einem Halbrund die Streusiedlung Eggbergen und geht zur Höchegg. Von dort verläuft sie in südlichen Richtungen bergab bis kurz vor den Schächen(-Bach). Und schliesslich nördlich des Bachs in westlicher Richtung zurück zur Reuss.
Altdorf grenzt im Westen an Attinghausen und Seedorf, im Norden an Flüelen, im Osten und Süden an Bürglen und im Süden an Schattdorf.
Bevölkerungsentwicklung
Die Einwohnerzahl erreichte um die Mitte des 18. Jahrhunderts die Marke von 3000 Personen. Beim Franzosenüberfall (Errichtung der Helvetischen Republik 1798) erlitt das Dorf wegen des heftigen Kampfes gegen die fremden Truppen einen massiven Bevölkerungsrückgang als Folge des Einäscherns des Wohnungsbestands. Teile der Bevölkerung verliessen Altdorf und liessen sich in Nachbargemeinden nieder. In der Ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts stagnierte die Einwohnerzahl. Danach wuchs sie bis 1880 stark an (1850-1880:+37,6 %). In den 1880er-Jahren schrumpfte sie massiv wegen der Wirtschaftskrise und dem darauf folgenden Einbruch des weit verbreiteten Heimgewerbes um 12,5 %. Zwischen 1888 und 1920 folgte ein grosser Wachstumschub (1888-1920:+63,8 %). Gründe hierfür waren der Anschluss an die Bahn (Gotthardlinie) und die Ansiedlung von Industrie. Nach einer Stagnationsphase in den 1920er-Jahren kam es zwischen 1930 und 1970 zu einem erneuten Wachstumsschub (1930-1970:+103,9 %). Die Bevölkerungszahl verdoppelte sich also. Viele Leute aus dem oberen Kantonsteil und aus dem Ausland wanderten in dieser Zeit zu. In der Zeit der Erdölkrise in den 1970er-Jahren verliessen etliche ausländische Bewohner den Ort wieder (1970-1980:-4,8 %). Doch seit 1990 ist wiederum ein kleiner Wachstumsschub zu beobachten, so dass die heutige Einwohnerzahl wieder nahe dem Rekord von 1970 liegt.
Sprachen
ie Bevölkerung war früher vollumfänglich Mitglied der Römisch-Katholischen Kirche. Die Konfessionsverhältnisse im Jahr 2000 lassen immer noch die ursprüngliche Struktur erkennen. 6701 Personen waren katholisch (78,46%). Daneben gab es 7,19% evangelisch-reformierte und 3,56% orthodoxe Christen, 4,50% Muslime und 2,96% Konfessionslose. 221 Personen (2,59%) machten keine Angaben zu ihrem Glaubensbekenntnis.
Herkunft – Nationalität
Von den Ende 2005 8615 Bewohnern waren 7424 (86,18%) Schweizer Staatsangehörige. Die Zugewanderten stammen mehrheitlich aus Italien, der Türkei, Serbien-Montenegro, Kroatien, Deutschland und Sri Lanka. Bei der Volkszählung 2000 waren 7145 Personen (83,66%) Schweizer Bürger; davon besassen 274 Personen die doppelte Staatsbürgerschaft.
Geschichte und Sehenswürdigkeiten
Das Dorfbild zeichnet sich durch prächtige Herrenhäuser und von heimgekehrten Söldnerführern errichtete Palazzi aus. Gut erhalten ist z.B. der Herrensitz Im Eselmätteli (1684-1666) mit einer reichen Innenausstattung aus der Zeit des Spätbarock und Rokoko.
Laut dem Stück von Friedrich Schiller ist Altdorf der Schauplatz des Apfelschusses von Wilhelm Tell. Nachdem dieser sich weigerte, Gesslers Hut auf der Stange zu grüssen, wurde er von Gessler dazu gezwungen, einen Apfel vom Kopf seines Sohnes zu schiessen. Dies soll sich auf dem Altdorfer Marktplatz ereignet haben, wo deswegen 1895 am Fusse eines alten Turms (Türmli) das Telldenkmal, eine Bronzestatue des Zürchers Richard Kissling, die Tell und seinen Sohn zeigt, errichtet wurde. 1899 wurde nahe dem Ort ein Theater (Tellspielhaus) eröffnet mit dem alleinigen Zweck, Friedrich Schillers Schauspiel Wilhelm Tell aufzuführen.
1899 wurde die Klausenpassstrasse eröffnet, die von Altdorf aus durch das Schächental und über den Klausenpass (1948 m) nach Linthal im Kanton Glarus führt.
2 km von Altdorf entfernt befindet sich an der Klausenpassstrasse das Dorf Bürglen, wo Tell geboren worden sein soll. Er soll auch dort gestorben sein, während er im Fluss Schächen das Leben eines Kindes rettete.
Am linken Reussufer, gleich gegenüber Altdorf, liegt Attinghausen, wo das zerstörte Schloss, das einst einem der Gründer der Schweizerischen Eidgenossenschaft gehörte, heute das kantonale Antiquitätenmuseum beherbergt.
Oberhalb des Ortes befindet sich das älteste Kapuzinerkloster (Kloster Allerheiligen) der Schweiz aus dem Jahre 1581. Dieses Kloster ist zugleich das erste Kapuzinerkloster, das nördlich der Alpen errichtet wurde.
Altdorf brannte 1400, 1693 und 1799 ganz oder teilweise ab. 
477 
274 Alte Piccardie, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  7.033056  52.534167  Osterwald ist eine Gemeinde und Teil der Samtgemeinde Neuenhaus im Landkreis Grafschaft Bentheim in Niedersachsen. Die Gemeinde besteht aus den Gemeinden Osterwald, Alte Piccardie und Hohenkörben (Kirchspiel Veldhausen).
Durch Osterwald fließen die Soermannsbecke und die Böltbecke, die später in die Lee münden. 
112 
275 Alten-Karin, Mecklenburg-Vorpommern, Deutschland  11.77309513092041  54.00479770501754  Carinerland ist eine Gemeinde im Nordwesten des Landkreises Rostock in Mecklenburg-Vorpommern (Deutschland). Die Gemeinde wird vom Amt Neubukow-Salzhaff mit Sitz in der Stadt Neubukow verwaltet.
Geschichte
Die Gemeinde wurde am 15. März 2004 aus den vormals selbständigen Gemeinden Kamin, Karin, Krempin und Ravensberg gebildet.
Sehenswürdigkeiten
Dorfkirche Alt Karin
Naturschutzgebiet Entenmoor Moitin 
142202 
276 Altena, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.666667  51.3  Altena ist eine mittlere kreisangehörige Stadt im Märkischen Kreis in Nordrhein-Westfalen.
Geographische Lage
Die Stadt liegt im Sauerland im Tal der Lenne. Der höchste Punkt ist der Kohlberg mit 511 m über NN. Der tiefste Punkt liegt am Hünengraben bei 150 m über NN. Das heutige Gebiet der Stadt ist etwa 44,3 km² groß. 61% der Stadtfläche werden von Wald eingenommen.
Altena grenzt an Nachrodt-Wiblingwerde, Iserlohn, Hemer, Neuenrade, Werdohl, Lüdenscheid und Schalksmühle.
Geschichte
Die Stadt Altena entstand unterhalb der gleichnamigen, im 12. Jahrhundert gebauten Burg einer Seitenlinie der Grafen von Berg, welche sich dann Grafen von Altena und später Grafen von der Mark nannten. Der Name der Burg ist wohl ein vorgermanischer Flussname und entstammt von dem Fluss und der Landschaft "Altena" in Brabant. Die Grafen von Berg leiteten mit der Namensgebung einen Besitzanspruch her, den es allen Anschein nach nicht gegeben hat, ein damals übliches Verfahren. Die Erklärung von "Altona" (Hamburg, hier geht es um eine Gaststätte) von „all te na“ (all zu nah), nach einer heimischen volkstümlichen Sage, ist hier strikt auszuschließen. Graf Engelbert III. von der Mark verlieh Altena am 20. Dezember 1367 die Freiheitsrechte. 1609 fiel das Gebiet an den Kurfürsten von Brandenburg. Seit dem 3. Oktober 1753 bestand als einer von vier Landkreisen in der Grafschaft Mark der Kreis Altena. 1794 bekam Altena den Titel Stadt, obwohl sie die Stadtrechte eigentlich nie verliehen bekam. Nach dem Frieden von Tilsit gehörte die Stadt, sowie die gesamte Grafschaft zum französischen Großherzogtum Berg. Nach dem Wiener Kongress 1815 ging die Grafschaft zurück an Preußen und wurde Teil des neuen Regierungsbezirkes Arnsberg und ist dies heute noch. 
36121 
277 Altenach, Alsace, France  7.111973762512207  47.60646830214737  Altenach est une commune française, située dans le département du Haut-Rhin et la région Alsace.
Histoire
Mentionné sous la forme Altnach en 1397. D'un probable *Altanacum, nom de domaine gallo-romain en -acum, précédé du nom de personne gallo-roman Altanus ou d'un nom de personne germanique équivalent, hypocoriste d' Alto, basé sur le thème ald (vieux). Homonymie avec Authenay (Altenaio v. 1168).
On trouve une variante non attestée *Altanius, dans les noms du type Autigny, Autignac.
Altenach ist eine französische Gemeinde im Département Haut-Rhin der Region Elsass. Sie ist Mitglied der Communauté de communes de la Porte d’Alsace.
Geschichte
Altenach wird erstmals 1302 erwähnt und gehörte damals zur Grafschaft Pfirt (Ferrette). Der Ursprung des Ortsnamens wird in der Bezeichnung „Alti Ach“ („Alter Bach“) vermutet 
82929 
278 Altenberge, Niedersachsen, Deutschland  7.139568328857422  52.81949397335823  Altenberge ist eine dorf in Niedersachsen, Nicht zu verwirren mit Altenberge in Nordrhein-Wesphalen.  476 
279 Altenberge, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.468986511230469  52.046686865170585  Altenberge (plattdeutsch Ollenbiärg) ist eine Gemeinde im Kreis Steinfurt in Nordrhein-Westfalen.
Gliederung
Die Gemeinde Altenberge besteht aus dem Ort Altenberge und sechs Bauerschaften:
Entrup
Entrup ist flächenmäßig die größte Bauerschaft in Altenberge.
Hansell
Hansell wurde im 14. Jh. erstmals urkundlich erwähnt und hat knapp 300 Einwohner. Es grenzt als einzige der Altenberger Bauerschaften nicht an den Altenberger Ortskern und liegt zwischen Münster-Nienberge, Greven und Altenberge. Zudem besitzt Hansell einen Siedlungskern um die Kirche St. Johannes Nepomuk, die bis 2009 eine eigenständige Kirchengemeinde bildete. Nach einer vollzogenen Fusion ist sie nun die Filialkirche der Pfarrgemeinde St. Johannes Baptist. In Hansell prägen insbesondere Landwirtschaft, Viehzucht, Fremdenverkehr sowie reges Vereinsleben im Schützenverein „An De Buorg“ und in der kfd den Ort.
Hohenhorst
Ein im Süden von Hohenhorst gelegener Hügel wird Rösteberg genannt. In diesem soll, einer lokalen Sage nach, der Riese Grinkenschmied gewohnt haben. In Hohenhorst wurde auch der Sandstein gebrochen, der zur Wiederherstellung des münsterschen Domes nach dem Zweiten Weltkrieg verwendet wurde.
Kümper
Die Bauerschaft Kümper ist nicht nur flächenmäßig die kleinste, sie ist auch mit 269 Menschen die einwohnerschwächste Bauerschaft. Geschichtlich wird Kümper kaum erwähnt; am 28. Oktober 1842 wurde es dem „Amt Altenberge“ zugesprochen, da die Bauerschaft nie ein souveränes Amt oder Kirchspiel war. Kümper hat seit vielen Jahren eine starke Flächenabnahme zu verzeichnen, da das Gewerbegebiet West sich immer tiefer in die Bauerschaft ausdehnt. Zu den Sehenswürdigkeiten in Kümper zählen die Kornbrennerei Geuker-Wiedemann, das Trecker- und Schlepper-Museum auf dem ehem. Betriebsgelände der Schlepperfabrik H. Wesseler OHG.
Waltrup
Als Sehenswürdigkeit gilt die 1953 errichtete „Madonna der Landstraße“, eine Kapelle für Reisende an der L 510 zwischen Altenberge und Münster. Durchschnittlich 70 Kerzen am Tag haben 2007 in der Waltruper Kapelle gebrannt, insgesamt 28400. 12324,88 Euro kamen im Opferstock zusammen.
Westenfeld
Eine Sehenswürdigkeit in Westenfeld ist das Haus Bödding auf dem Hof Kintrup. Auf dem alten Gräftenhof mit seinem großen Wehrspeicher wohnten früher die Ritter von "Oldenberge". Seit 1900 ist der Hof im Besitz der Familie Kintrup.
Geschichte
Erstmals urkundlich erwähnt wurde die Pfarrei Altenberge im Jahre 1181, der Ort ist aber wohl weit vorher entstanden. Wahrscheinlich bestand der Ort schon zur Zeit des ersten Bischofs von Münster, Liudger (742–809). Karl der Große hatte diesem 792 die Missionierung im westlichen Sachsen übertragen. Liudger baute das spätere Bistum Münster auf; in dieser Zeit sind ist es zu zahlreichen Gründungen von Pfarreien und dem Bau von Kirchen, vermutlich auch in Altenberge gekommen. Der Ort war ursprünglich Bestandteil der Freigrafschaft Münster im Dreingau und unterstand im 12. Jahrhundert der Verwaltung der Ritter von Altenberge.
Von den Zerstörungen im Zweiten Weltkrieg blieb Altenberge weitestgehend verschont. 
151069 
280 Altenbücken, Niedersachsen, Deutschland  9.146422863268526  52.77840138570748  Altenbücken ist ein Ortsteil der Gemeinde Bücken im Landkreis Nienburg/Weser in Niedersachsen (Deutschland).
Geografie
Altenbücken liegt 19 km nördlich der Kreisstadt Nienburg/Weser und 4 km südlich von Hoya im Marschgebiet der Weser.
Das Dorf Altenbücken, mit dem Ortsteil Stendern, ist 8,8 km² groß und hat ca. 450 Einwohner.
Geschichte
Der Name "Altenbücken" weist darauf hin, dass der Ort älter als das benachbarte Bücken ist, dessen Stift den Namen übernahm. In Schriften des Bremer Bischofs Ansgar aus dem Jahr 860 wird der Ort als "Bokkenhusen" erwähnt. Im nördlichen Teil Altenbückens, befand sich bis etwa 1200 die "Veste Hodenberg" des uralten Adelsgeschlechts derer von Hodenberg. Ein Denkmal kennzeichnet die Stelle, an der sich die Burg befand. Sie waren Schirmvögte seit Gründung des Stifts Bücken. Seit 1974 ist Altenbücken ein Ortsteil der Gemeinde Bücken.
Das im südlichen Teil Altenbückens befindliche Stendern steht seit jeher in Beziehung zum Stift Bücken. Hier befand sich einer der "Siebenmeierhöfe", auf denen die Stiftsherren lebten. Ab 985 wird ein adeliges Geschlecht "derer von Stendern" erwähnt, das noch im 16. Jahrhundert blühte. 1929 wurde die ehemals selbstständige Gemeinde Stendern zu Altenbücken eingemeindet. 
68815 
281 Altenburg, Thüringen, Deutschland  12.433333  50.985  Die ehemalige Residenzstadt Altenburg ist eine über 1.000 Jahre alte Stadt im Osten des Freistaates Thüringen und gehört zur Metropolregion Sachsendreieck. Altenburg ist Kreisstadt des Landkreises Altenburger Land. Die Stadt mit ihren etwa 38.000 Einwohnern ist in der Landesplanung als Mittelzentrum mit Teilfunktionen eines Oberzentrums ausgewiesen. Sie wurde vor allem durch das hier um 1820 erfundene Kartenspiel Skat bekannt.
Geografie
Altenburg befindet sich fast in der Mitte des Städtedreiecks Leipzig-Chemnitz-Gera. Die Stadt liegt 36 km nordöstlich von Gera, 55 km südlich von Leipzig und etwa 45 km nordwestlich von Chemnitz. Sie wurde auf einem hügligen Gebiet erbaut, dessen tiefster Punkt bei 162 m und der höchste bei 234 m ü. NN. liegt. Das Gebiet gehört zu den letzten Ausläufern des Erzgebirgsvorlandes, die nördlich der Stadt in der Leipziger Tieflandsbucht enden.
Altenburg wird von den Gewässern Pleiße, Blaue Flut und Deutscher Bach durchflossen. Der Fluss Pleiße durchfließt die Stadt im Süden im Ortsteil Ehrenberg. Das Gewässer Deutscher Bach fließt im Norden Altenburgs durch die Stadtteile Steinwitz, Drescha, Nord und Kauerndorf, wo der Bach dann in die Blaue Flut mündet. Diese wiederum entspringt bei Graicha im Altenburger Land und durchfließt die Stadt von Süd-West nach Nord-Ost. Sie wurde nach einer hier ansässigen Färberei benannt, die das meist blaue Färbereiabwasser ungeklärt in den Bach abließ.
Geschichte
Besiedlung und Aufstieg zur Kaiserpfalz
Die ersten Siedlungen im heutigen Stadtgebiet entstanden schon vor rund sechstausend Jahren. Schon damals war der Boden im Altenburger Raum sehr fruchtbar, zudem boten die Wälder und die fischreichen Gewässer genug Nahrung. Auch gaben die aufragenden Porphyritfelsen Schutz vor Angreifern. Zwischen 1300 und 700 v. Chr. fand eine starke Besiedlung des Gebietes statt, jedoch sind auch erhebliche Siedlungsschwankungen festzustellen. Aufgrund der Zerstörung des Thüringer Reichs 531 n. Chr. siedelten sich immer mehr westslawische Stämme im Altenburger Raum an. In dieser Zeit entstand auf den Porphyritfelsen die erste Burganlage.
Erstmals urkundlich erwähnt wurde Altenburg im Jahr 976. Vorausgegangen war die Slawenunterwerfung östlich der Elbe-Saale-Linie seit dem Jahr 928 durch Heinrich I. und der Gründung der Markgrafschaft Meißen. Es wird angenommen, dass die slawische Wallanlage auf dem Porphyritfelsen durch deutsche Ritter eingenommen und als Burgward umfunktioniert wurde. Im Jahr 976 trägt Kaiser Otto II. die Rechte der Burgward Altenburg dem Bistum Zeitz zu. Die nächste urkundliche Erwähnung erfolgt erst 1132 als Kaiser Lothar III. die Kaiserpfalz Altenburg nutzte. In der Urkunde wird sie „castro Plysn“ genannt. Die Kaiserpfalz war der Grund, dass aus der Siedlung, die sich unmittelbar bei der Pfalz befand, eine Stadt wurde, die jetzt den Namen Altenburg trug. Zudem trug die Reichsstraße „Via Imperii“ dazu bei, dass sich Handwerker und Kaufleute ansiedelten. Neben der Siedlung am Brühl gab es noch eine weitere Siedlung um den Nikolaikirchturm. Dieses Gebiet kam erst in der Zeit unter Kaiser Friedrich I. zu Altenburg.
Nach Lothar von Supplinburg hielt sich König Konrad III. im Jahr 1150 auf der Pfalz auf. Friedrich I. „Barbarossa“ hatte seinen ersten urkundlichen Aufenthalt im Februar 1165. Jedoch war sein zweiter Besuch im Juli 1172 von höherer Bedeutung. Nach seinen Rückschlag in Italien musste er seine Macht im Gebiet nördlich der Alpen ausbauen. Gebietsveränderungen werden durchgeführt. 1174 werden fränkische, egerländische und pleißenländische Territorien zusammengelegt. Nürnberg, Eger, Altenburg, Colditz, Lausick und Leisnig werden zu wichtigen Orten staufischer Reichspolitik. Auch die Gründung des Augustiner-Chorherrenstiftes „Unserer Lieben Frauen St. Marien auf dem Berge vor Altenburg“, das Barbarossa zugeschrieben wird, fällt in die Zeit. Barbarossa weilte noch vier weitere Male in Altenburg (1180, 1181, 1183 und 1188), weshalb Altenburg den Beinamen „Barbarossastadt“ erhielt. Auch die Nachfolger Heinrich VI., Philipp von Schwaben, Otto IV., Friedrich II., Heinrich VII., König Rudolf von Habsburg und Adolf von Nassau nutzten Altenburg als Residenz. Auch der polnische (Senior-) Fürst Władysław II. Wygnaniec (eingedeutscht Ladislaus, wörtlich eigentlich Romuald od. Rodewald II. der Vertriebene) lebte hier über viele Jahre und starb 1159 auf der Burg.
1192 wird in einem Dokument erstmals der Neue Markt erwähnt und ist somit ein Beleg, dass sich die Stadt vom alten Markt „Brühl“ Richtung Süden ausbreitete. 1223 bekommt Altenburg mit der St. Nikolai eine zweite Stadtkirche. Der Kirchturm entstammt vermutlich aus dem 12. Jahrhundert und diente vorher als Wachturm. Auch zwei weitere Klöster entstanden. 1238 entstand am westlichen Ende der Stadt ein Franziskaner-Kloster und vor 1245 das Nonnenkloster der Magdaleniterinnen (Weißfrauen). Die Stadtgrenze (Mauer) war danach großzügig angelegt, so dass lange Zeit keine Erweiterung vorgenommen werden musste. Zudem besaß Altenburg fünf Stadttore.
Im Besitz der Wettiner
1253 bekamen die Wettiner erstmals politischen Einfluss auf das Pleißenland mit Altenburg, Chemnitz und Zwickau. Kaiser Friedrich II. gab es als Pfand einer Mitgift bei der Hochzeit seiner Tochter Margarethe mit Albrecht II., dem Sohn des Markgrafen Heinrich des Erlauchten. 1256 bestätigte Heinrich der Erlauchte das Stadtrecht von Altenburg. Zu Unruhen kam es im Jahr 1273. Grund dafür waren Spannungen zwischen der Stadtbevölkerung und den Augustiner-Chorherren.
Am 31. Mai 1307 führte Friedrich der Freidige mit seinen Bruder Diezmann eine Streitmacht von Leipzig in Richtung Altenburg. Bei der Schlacht bei Lucka gewann Friedrich gegen König Albrechts Heer. Friedrich dem Freidigen wurde 1311 die Schutzherrschaft über das Pleißenland zugesprochen. 1329 wurde ihm dies vom deutschen König offiziell anerkannt. Altenburg gehörte nun zur Mark Meißen und somit zum wettinischen Besitz. Friedrich der Strenge erneuerte 1356 das Altenburger Stadtrecht.
Im Jahr 1420 zog Friedrich I. zum ersten Kreuzzug gegen die Hussiten nach Böhmen. Drei weitere sollten folgen. Ein Heer aus Altenburg nahm 1426 an der Schlacht bei Aussig teil. Die Taboriten unter Andreas Prokop schlugen jedoch das meißnische Aufgebot. Daraufhin zog ein Heer von Taboriten, Waisen und Pragern über das Erzgebirge nach Sachsen. Leipzig, Altenburg und Plauen wurden belagert. Insgesamt belagerten die Hussiten die Stadt Altenburg drei Tage lang. Nach Abzug waren die St. Bartholomäi-Kirche und ein großer Teil der Stadt zerstört.
1455 raubte Ritter Kunz von Kaufungen die beiden Prinzen des Kurfürsten Friedrich des Sanftmütigen, Ernst und Albrecht, aus dem Altenburger Schloss, um seine Forderungen gegenüber dem Kurfürsten durchzusetzen (Altenburger Prinzenraub).
In der Zeit der Reformation
Vermutlich im Haus des Schneiders Nikolaus Hofmann in der Johannesgasse trafen sich im Jahr 1462 regelmäßig abends einige Stadtbewohner. Sie predigten und beichteten ohne Priester. Als einziges Gebet erkannten sie das Vaterunser an. Die Lehre vom Fegefeuer, von der Wirkung der Sakramente und vor allem das Ablasswesen wird von ihnen als falsch angesehen oder kritisiert. Auch Reliquiendienst und Heiligenverehrung werden infrage gestellt und das apostolische Symbol als Erfindung der römischen Kirche abgelehnt. Daraufhin wird ihnen ein Ketzerprozess gemacht.
1485 kam es zur Leipziger Teilung, indem Kurfürst Ernst und Herzog Albrecht die gemeinschaftlich regierten Ländereien untereinander aufgeteilt wurden. Dadurch gelangte Altenburg in ernestinischen Besitz. Zu Beginn des 16. Jahrhunderts war Altenburg eine Stadt mit mehr als 3.000 Einwohnern. Es gab 81 verschiedene Gewerbe. Der Altenburger Rat bestand aus 12 Mann vor allem Vertretern aus dem Handwerk. Händler waren nicht vertreten.
Am Franziskaner-Kloster kam es im Dezember 1521 zu Tumulten. Anschließend sollen die Aufrührer zum Magdaleniterinnen-Kloster gezogen sein, um dort eine Männerhose als Fahne zu hissen. Die Urheber wurden zudem durch die Altenburger Ratsherren gedeckt.
Ein Brief der Bürger an den Kurfürsten mit der Bitte nach einem evangelischen Prediger, ließ dieser aber unbeantwortet. Deshalb wandten sich die Bürger an Martin Luther. Dessen Empfehlung Gabriel Zwilling folgte zwar dem Ruf nach Altenburg rasch, galt jedoch beim Kurfürsten als Unruhestifter. Trotz Unterstützung der Altenburger Bürger und durch Martin Luther selbst, wurde Zwilling durch Dr. Wenzeslaus Linck ersetzt. Auch dieser blieb nur kurz in Altenburg, sein Nachfolger wurde Georg Spalatin. Dessen enge Freundschaft zu Martin Luther bescherte der Stadt mehrere Besuche des Reformators. Die Verhandlungen zwischen den Klerikern und Ratsherren über die Reformation gingen trotzdem nur langsam voran. Im Frühjahr 1525 kam es zu einem Aufstand von Stadtbewohnern und der Landbevölkerung. Im Juli 1525 wurden daraufhin einige Bauern hingerichtet und vierzigfachen Haus- und Landesverweis ausgesprochen, um ein Exempel zu statuieren. Die Anführer des Aufstandes wurden hingegen nur zur einjährigen Haft im Staatsgefängnis verurteilt. Das milde Urteil kam durch die Autonomie Altenburgs zustande. Georg Spalatin trieb derweilen die Reformation in Altenburg voran. Er initiierte 1528 die erste Kirchenvisitation und säkularisierte die fünf Altenburger Klöster. 1545 starb Spalatin.
Sachsen-Altenburg ältere Linie
1547 siegt Kaiser Karl V. in der Schlacht bei Mühlberg (Schmalkaldischer Krieg) über Kurfürst Johann Friedrich. Dadurch gelangt Altenburg kurzzeitig in albertinischen Besitz. Durch den Vertrag von Naumburg kommt die Stadt schon 1554 wieder unter ernestinische Herrschaft. Durch zahlreiche Teilungen im Thüringer Gebiet wird Altenburg im Jahr 1603 mit der Gründung des Herzogtums Sachsen-Altenburg wieder zur Residenzstadt.
Im Dreißigjährigen Krieg kommt der größte Teil der Einwohner ums Leben. Von den im Jahre 1618 1.650 Altenburgern mit Bürgerrechten (Einwohnerzahl insgesamt ca. 5.000) leben 1632 nur noch 650. Ein Jahr später sinkt die Zahl noch einmal rapide. Die Verordnungen, die Friedrich Wilhelm II. nach dem 30jährigen Krieg erlässt, dienen vor allem der Stabilisierung der angeschlagenen Wirtschaft. Das Zunfthandwerk verliert dabei ein Teil seiner Unabhängigkeit, erfährt aber dadurch auch eine Bestandssicherung. Jedoch bleibt die wirtschaftliche Situation in Altenburg angespannt.
Sachsen-Gotha-Altenburg
1672 stirbt die Herzogsfamilie aus. Das Herzogtum wird zwischen Sachsen-Gotha und Sachsen-Weimar aufgeteilt. Die Stadt selbst gehört nun zu Sachsen-Gotha, das sich von nun an Sachsen-Gotha-Altenburg nennt, verliert aber den Status einer Residenzstadt. 1735 erlässt Herzog Friedrich III. ein Mandat, das den Handel und den Aufbau von Manufakturen vorantreiben soll. Von 1760 bis 1790 entstehen in Altenburg acht neue Manufakturen.
Im Jahre 1806 tritt das Doppelherzogtum Gotha und Altenburg dem Rheinbund bei und wird damit Verbündeter Napoléons. In der Stadt werden alsbald auch Franzosen einquartiert. Zwischen 1810 und 1818 entwickelt sich hier das Skatspiel.
Sachsen-Altenburg jüngere Linie
Nach dem Aussterben des Herzogshauses Gotha-Altenburg kam das Herzogtum Sachsen-Altenburg durch den Teilungsvertrag von Hildburghausen 1826 an den bisherigen Herzog Friedrich III. von Sachsen-Hildburghausen, der als Herzog Friedrich von Sachsen-Altenburg fortan in der Stadt residierte.
Die Bevölkerung war mittlerweile so angewachsen, dass Altenburgs Stadtgrenzen erweitert werden musste. Die mittelalterliche Stadtbefestigung wurde daraufhin aufgegeben. Von 1825 bis 1836 wurden alle fünf Stadttore abgerissen. Im Jahr 1831 wurden die Siedlungen, die an Altenburg grenzten, eingemeindet. 1820 wird der Ruf von Händlern nach einem Zollverein laut. Ein Teilziel wird 1828 mit dem Beitritt der Thüringer Staaten zum Mitteldeutschen Handelsverein erreicht. Erst 1833 findet dies durch die Integration des Mitteldeutschen Handelsverein in den Zoll- und Handelsverein ihren Abschluss. Dies wirkte sich sehr positiv auf die Wirtschaft in Altenburg auf.1831 erhält die Stadt eine neue Verfassung, nachdem es ein Jahr vorher zu Unruhen gekommen war. Grund war die Unzufriedenheit der Bürger mit den Verfassungszuständen. So wurde auch das fast 600 Jahre alte Bierbannmeilenrecht abgeschafft. In dieser Zeit wächst Altenburg weiter, sowohl wirtschaftlich als auch von der Bevölkerungszahl. 1836 befinden sich in Altenburg 26 Fabriken. Darunter die 1832 gegründete Spielkartenfabrik der Gebrüder Bechstein, aus der später die Marke ASS hervorgeht. Die meisten Arbeiter sind in der Leder- und Textilherstellung, der Zigarrenherstellung und der Holzindustrie beschäftigt. Einen kräftigen Anschub bekam die Wirtschaft mit dem Anschluss der Stadt an das Eisenbahnnetz durch die Sächsisch-Bayrische Eisenbahn, als erste Stadt der Thüringer Staaten. Altenburg verfügte mit dem Leipziger Bahnhof zunächst über einen Kopfbahnhof in der heutigen Fabrikstraße, der 1876 durch den heute noch vorhandenen Bahnhof ersetzt wurde. Während der 48er-Revolution kommt es im Juni 1848 in Altenburg zu den sogenannten Barrikadentagen, bei denen ein Angriff sächsischer Truppen aus Leipzig verhindert wird. Am 30. November vollzieht Herzog Joseph den Rücktritt; sein Bruder Georg wurde neuer Herzog von Sachsen-Altenburg. Um weitere Aufstände zu verhindern, wird Militär nach Altenburg geschickt.
Der wirtschaftliche Aufschwung geht indes weiter. Statt Textil- und Ledergewerbe dominieren nach 1850 vor allem Metall-, Chemie- und Druckereibetriebe. In der Produktion von Nähmaschinen waren die Altenburger führend. Im Jahr 1897 wird die Stadt zur Garnisonstadt. Das 8. Thüringische Infanterieregiment Nr. 135 wird hier stationiert. Auch der 1913 errichtete Flugstützpunkt Altenburg geriet bald ins Visier des Militärs. 
33441 
282 Altendorf, Dorsten, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.0131106000000045  51.6357948  Altendorf (Dorsten), Ortsteil von Dorsten, Kreis Recklinghausen, Nordrhein-Westfalen  148854 
283 Altendorf, Nordhorn, Grafschaft Bentheim, Niedersachsen, Deutschland  7.067778  52.431944  Nordhorn ist die Kreisstadt des Landkreises Grafschaft Bentheim im äußersten Südwesten Niedersachsens nahe der niederländischen und der nordrhein-westfälischen Grenze.
Stadtteile von Nordhorn
Ältere Stadtteile: Altendorf, Bimolten, Bookholt, Brandlecht, Bakelde, Frensdorf, Frenswegen, Hesepe, Hestrup, Hohenkörben.
Neuere Stadtteile: Blanke, Blumensiedlung, Neuberlin, Stadtflur, Bussmaate, Streng, Klausheide. 
36987 
284 Altenessen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.009167  51.496389  Altenessen besteht aus den beiden Essener Stadtteilen Altenessen-Nord und Altenessen-Süd; diese Teilung ist aber lediglich für die Essener Verwaltungsrichtlinien relevant und tritt im Sprachgebrauch und Empfinden der Bürger kaum auf. Altenessen hat zusammengenommen 43.650 Einwohner (Stand: 31. Dezember 2006) und ist somit der bevölkerungsreichste Stadtteil. Altenessen befindet sich im Norden der Stadt Essen im Stadtbezirk V Altenessen/Karnap/Vogelheim und wird begrenzt durch die Stadtteile Essen-Vogelheim und Essen-Bochold im Westen, im Süden durch das Nordviertel, im Osten durch Essen-Katernberg und Essen-Stoppenberg und im Norden durch Essen-Karnap, wobei hier die Emscher mit dem parallel verlaufenden Rhein-Herne-Kanal die Grenze bildet. So hat Altenessen eine Gesamtfläche von 11,39 Quadratkilometern auf einer durchschnittlichen Höhe von 42 Metern ü. NN.
Geschichte
Erstmals tauchen die Bezeichnungen Alden Essende oder Aldenessende ab 1120 ergänzend zum eigentlichen Essen auf. Die Abgrenzung von Altenessen zu Essen wird erstmals am 7. Dezember 1310 in einer Urkunde festgehalten.
Altenessen wurde am 1. April 1915 zur Stadt Essen eingemeindet. 
34349 
285 Altenhagen, Hagen, Niedersachsen, Deutschland  7.987507  52.202241  Hagen am Teutoburger Wald ist eine Gemeinde im Südwesten des Landkreises Osnabrück in Niedersachsen
Gemeindegliederung
Gemeindeteile sind:
* Altenhagen
* Gellenbeck
* Hagen (früher: Beckerode)
* Mentrup
* Natrup-Hagen
* Sudenfeld
Geschichte
Hagen wurde 1097 das erste Mal in einer Urkunde des Adeligen Ruothward an den Bischof Wido von Osnabrück erwähnt. In dieser Urkunde wird von der „parrochia Hagen“ (Pfarrei Hagen) gesprochen. Dies deutet darauf hin, dass bereits schon deutlich vor der urkundlichen Erwähnung 1097 eine Gemeinde Hagen mit kirchlichen Strukturen existiert hat, welche mit den heutigen Grenzen Hagens deckungsgleich ist. In der Urkunde überträgt der Osnabrücker Grundbesitzer und Adeliger Ruothward dem Osnabrücker Bischof Wido zwei Bauernhöfe in der Pfarrei Hagen und einen in der Pfarrei Bramsche, welche im nördlichen Teil des Osnabrücker Land liegt. Bereits am 8. Dezember 852 wurde ein Bauernhof aus dem Hagener Ortsteil Mentrup in einer Übertragung von König Ludwig der Deutsche an das neugegründete Kloster in Herford namentlich erwähnt. Auch die Bauernschaft Beckerode, welche später einen Ortsteil Hagens bildet, wurde bereits zwischen 1082 und 1096 im Zuge des Einnahmeregisters des Benediktinerinnenklosters Herzebrock erwähnt. Unklar bleibt hierbei die genaue Datierung des Einnahmeregisters und um welchen Hof aus der Bauernschaft Beckerode es sich genau handelt.
Am 12. April 1723 brannte fast der gesamte Ortskern Hagens bei einem großen Brand nieder. Durch eine Unachtsamkeit des Küstersohnes geriet dessen Kotten in Brand. Durch die fachwerkliche Bauweise der Gebäude, der strohbedeckten Dächer und dem eng gedrängten Bau der Gebäude in der Hagener Dorfstraße konnte sich das Feuer sehr schnell von Haus zu Haus ausbreiten und zerstörte neben elf Wohnungen, zwei Backhäusern und zwei Ställen auch das Pastorat, die Schule und das hölzerne Kirchturmdach inklusive der zwei Glocken. Das Kirchenschiff blieb glücklicherweise dank des Ziegeldaches weitestgehend unbeschädigt, jedoch deuten noch heute rote Spuren im kirchlichen Mauerwerk auf den Brand hin. Auf Grund der fehlenden finanziellen Mittel waren erst im Jahre 1736 alle sichtbaren Brandschäden behoben, doch der Schock bei der Bevölkerung war noch über Jahre hinweg spürbar.
Ein weiterer, vom Ausmaß vergleichbarer Brand, ereignete sich am 17. August 1892, als ein junger Bursche in der Scheune des Gibbenhofes ein Streichholz ins Stroh fallen ließ. Die Hagener Feuerspritze, welche schnell herbeigeholte wurde, versagte leider ihren Dienst, weshalb eine notgedrungene Eimerkette vom Dorfbrunnen bis zum Gibbenhof hergestellt wurde. Als jedoch im bereits völlig in Brand stehenden Gibbenhof der „Schnapskeller“ explodierte, sprangen Funken auf nahe gelegene Gebäude über und setzten auch diese in Brand. Ein weiteres Ausbreiten der Flammen konnte auch durch die Absendung von Hagener Arbeitern aus der nahe gelegenen Eisenhütte Georgs-Marien-Bergwerks- und Hüttenverein in Georgsmarienhütte und der Unterstützung von umliegenden Feuerwehren nicht verhindert werden, weshalb 18 Häuser einschließlich ihrer Nebengebäude völlig niederbrannten. Doch im Gegensatz zum Brand von 1723 hatte dieser Brand weitaus geringere Folgen, da öffentliche Gebäude wie Kirche und Schule verschont blieben und die Betroffenen Hausbesitzer allesamt in einer Brandschutzversicherung waren. Auswirkungen hatte der Brand lediglich auf das Erscheinungsbild des Ortskernes, welcher nun mit „modernen“ Gebäuden bebaut wurde. Außerdem wurde Hagen eine neue, moderne Feuerspritze zugesichert, welche noch heute existiert.
Die heutige Gemeinde Hagen am Teutoburger Wald wurde durch die Gebietsreform 1972 aus den Gemeinden Hagen und Niedermark gebildet, die wenige Jahre zuvor aus den Gemeinden Altenhagen, Mentrup und Hagen-Beckerode bzw. Gellenbeck, Sudenfeld und Natrup entstanden waren.
Es gibt viele Orten mit dem Name Altenhage
Altenhagen
52°03' 8°39'


Germany
203.2 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
51°22' 7°28'


Germany
264.6 miles WSW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°16' 12°46'


Germany
123.6 miles NNW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°11' 13°10'


Germany
115.5 miles N of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°02' 11°48'


Germany
123.8 miles NNW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
53°46' 13°07'


Germany
87.1 miles N of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen, Altenhagen-Nienhagen
53°40' 12°04'


Germany
96.8 miles NW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°38' 10°07'


Germany
138.0 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°26' 9°21'


Germany
170.4 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°16' 9°17'


Germany
174.3 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°12' 8°00'


Germany
228.7 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°10' 9°31'


Germany
165.6 miles W of Berlin 52°31' 13°24'Altenhagen
52°03' 8°39'


Germany
203.2 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
51°22' 7°28'


Germany
264.6 miles WSW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°16' 12°46'


Germany
123.6 miles NNW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°11' 13°10'


Germany
115.5 miles N of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
54°02' 11°48'


Germany
123.8 miles NNW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
53°46' 13°07'


Germany
87.1 miles N of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen, Altenhagen-Nienhagen
53°40' 12°04'


Germany
96.8 miles NW of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°38' 10°07'


Germany
138.0 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°26' 9°21'


Germany
170.4 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°16' 9°17'


Germany
174.3 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°12' 8°00'


Germany
228.7 miles W of Berlin 52°31' 13°24'
Altenhagen
52°10' 9°31'


Germany
165.6 miles W of Berlin 52°31' 13°24' 
778 
286 Altenkirchen, Rheinland-Pfalz, Deutschland  7.645556  50.687222  Die Kreisstadt Altenkirchen im vorderen Westerwald in Rheinland-Pfalz (Deutschland) ist Verwaltungssitz des Landkreises Altenkirchen und der Verbandsgemeinde Altenkirchen. Altenkirchen ist Mittelzentrum und eine anerkannte Fremdenverkehrsgemeinde.
Stadtgliederung
Altenkirchen hat folgende Stadtteile:
* Bergenhausen
* Dieperzen
* Honneroth
* Leuzbach
Nachbargemeinden
An Altenkirchen grenzen folgende Gemeinden (in Uhrzeigerrichtung, von Norden beginnend): Bachenberg, Obererbach (Westerwald), Mammelzen, Michelbach, Gieleroth, Fluterschen, Almersbach, Schöneberg, Neitersen, Helmenzen, Kettenhausen, Busenhausen.
Geschichte
Erstmals erwähnt wird Altenkirchen 1131 in einer Urkunde Papst Innozenz II., der dem Bonner Stift St. Cassius und Florentius die beiden Höfe zu Birnbach und Altenkirchen bestätigte.
Schon in der Mitte des 12. Jahrhunderts wird Altenkirchen in den Besitz der Grafen von Sayn gelangt sein, die die Vögte des Stiftes St. Cassius waren. Am 16. Dezember 1314 verlieh König Ludwig der Bayer Altenkirchen Stadtrechte. Kaiser Karl IV. bestätigte am 4. Februar 1357 die Altenkirchener Stadtrechte, nur wenige Tage bevor dem wiedischen Almersbach auf dem gegenüberliegendem Ufer der Wied ebenfalls die Stadtrechte verliehen wurden.
1534 fand in Altenkirchen der erste Landtag der Sayn'schen Lande statt. 1561 kam es zur Einführung der Wittenberger Reformation durch die Grafen von Sayn. Graf Heinrich IV. ließ 1586 das Altenkirchener Schloss errichten, das 1862 abgerissen wurde. Mit ihm starben 1606 die Grafen von Sayn im Mannesstamm aus. Als am 12. September 1605 Wilhelm III. Graf von Sayn-Wittgenstein-Sayn die Regierung der Grafschaft übernahm, verfügte er den Übergang zum reformierten Bekenntnis. Sayn-Wittgenstein-Sayn starb 1636 im Mannesstamm aus. Die Erbtöchter Sayn-Wittgenstein-Sayns teilten 1670 die Grafschaft. Ernestine, verehelicht mit dem Burggrafen zu Kirchberg erbte Sayn-Hachenburg, Johannette, verheiratet mit Herzog Johann Georg von Sachsen-Weimar-Eisenach, erhielt Sayn-Altenkirchen. So fiel die Stadt 1670 an das Herzogtum Sachsen-Weimar-Eisenach. Daniel Eberlin, später Schwiegervater von Georg Philipp Telemann, war zwischen 1665 und 1668 Hofmusiker am Altenkirchener Schloss.
1728 brannte die Stadt fast gänzlich nieder. 1741 erbten die Markgrafen von Brandenburg-Ansbach die Grafschaft Sayn-Altenkirchen, 1791 traten diese die Grafschaft an Preußen ab, das Sayn-Altenkirchen infolge des Reichsdeputationshauptbeschlusses vom 25. Februar 1803 an das Herzogtum Nassau abgeben musste. Mit dem Wiener Kongress 1815 fiel Sayn-Altenkirchen wieder an Preußen und ging als Landkreis Altenkirchen im preußischen Regierungsbezirk Koblenz auf. Kirchspiel und Stadt Altenkirchen wurden dem Amt Altenkirchen zugeordnet.
Während der Revolutionskriege kam es am 4. Juni 1796 zwischen den französischen Truppen unter General Kléber und den kaiserlichen Habsburgern unter Befehl Herzog Ferdinand von Württemberg zur Schlacht bei Altenkirchen. Bei weiteren Kämpfen wurde im Herbst 1796 der französische General Marceau so schwer verwundet, dass er in Altenkirchen verstarb. Ein Großfeuer zerstörte am 23. April 1893 59 Wohnhäuser, 33 Nebengebäude und die evangelische Kirche, die zwischen 1822 und 1827 nach den Plänen des Berliner Baumeisters Karl Friedrich Schinkel errichtet worden war.
1939 wurden die Orte Leuzbach und Bergenhausen nach Altenkirchen eingemeindet. Im März 1945 kam es zu mehreren Luftangriffen, die die Stadt nahezu vollständig zerstörten, über 200 Menschen wurden getötet. Mit dem Landkreis Altenkirchen kam Altenkirchen 1946 zu Rheinland-Pfalz. 
33704 
287 Altenlingen, Lingen, Niedersachsen, Deutschland  7.293848991394043  52.539903908698705  Stadtgliederung
Die Stadt Lingen (Ems) setzt sich aus der historischen Kernstadt, bestehend aus der Altstadt und den Stadtteilen Reuschberge, Stroot, Damaschke, Heukamps-Tannen und Telgenkamp, sowie 10 Stadtteilen zusammen, die die Kernstadt umschließen und früher selbständige Landgemeinden waren. In den 1970er Jahren wurde das Gebiet der Kernstadt durch Zusammenschlüsse und Eingemeindungen im Rahmen der Gemeindereform vergrößert. Schon 1970 schlossen sich die Gemeinden Darme, Laxten und Brockhausen freiwillig Lingen an. 1974 wuchs die Stadt um die Gebiete der bisherigen Gemeinden Bramsche-Wesel, Estringen, Hüvede-Sommeringen, Mundersum, Baccum, Ramsel, Münnigbüren, Holthausen-Biene, Brögbern, Clusorth-Bramhar, Altenlingen und Schepsdorf. 1978 wurden kleinere Gebiete der Gemeinde Wietmarschen an Lingen übertragen, nämlich Wachendorf, Rheitlage und Herzford.
1. Altenlingen
2. Baccum
3. Biene
4. Bramsche
5. Brockhausen
6. Brögbern
7. Clusorth-Bramhar
8. Darme
9. Estringen
10. Holthausen
11. Hüvede-Sommeringen
12. Laxten
13. Mundersum
14. Münnigbüren
15. Ramsel
16. Schepsdorf
17. Wachendorf 
78346 
288 Altenoyte, Niedersachsen, Deutschland  7.878420  53.035919  ALTENOYTE
State : Niedersachsen
District (Kreis) : Cloppenburg
Incorporated into : 1974 Friesoyte
Im Zweiten Weltkrieg wurde Friesoythe zu 90% zerstört. Das Amtsgericht Friesoythe wurde 1974 aufgelöst, seitdem gehört Friesoythe zum Bezirk des Amtsgerichts Cloppenburg. In der Niedersächsischen Gebietsreform von 1974 wurden die Gemeinden Altenoythe, Friesoythe, Markhausen, Neuvrees, Gehlenberg, Thüle und Neuscharrel zur heutigen Großgemeinde Friesoythe zusammengeschlossen. Gehlenberg und Neuvrees gehörten bis zur Eingemeindung zum Landkreis Aschendorf-Hümmling.
Friesoythe
Ortsteile
* Ahrensdorf
* Altenoythe: Fläche: 63 km², Einwohner: 5.439
Kirchen
Bis zum 2. Februar 2008 gab es sechs Kirchengemeinden im Stadtgebiet Friesoythe, nämlich die St.Marien-Gemeinde Friesoythe von 1677, die St.Vitus Gemeinde Altenoythe von 855, die St. Johannes Gemeinde Markhausen von 1423, die St. Johannes-Baptist Gemeinde Thüle von 1922, die St. Josef Kapellengemeinde Kampe, die seit 1986 von der St. Vitus Gemeinde Altenoythe mitverwaltet wird, die St. Ludger Gemeinde Neuscharrel von 1857. Diese wurden nun zur St.Marien Gemeinde Friesoythe zusammengefügt. Es gibt noch eine katholische Kirche im Friesoyther Stadtbereich, die St.Prosper Kirche Gehlenberg von 1829, die aber zum Bistum Osnabrück gehört, außerdem besitzt die Stadt eine evangelische Kirche, die Michaelis Kirche von 1912 in Friesoythe. 
37887 
289 Alteveer, Hoogeveen, Drenthe  6.4875  52.6741666666667  Alteveer is een dorp in de Nederlandse provincie Drenthe, gemeente De Wolden, met ongeveer 630 inwoners.
Alteveer is een veenkolonie uit de zeventiende eeuw. Het is een lintdorp met aan de zuidkant van het lint enige nieuwbouw.
Behalve een Gereformeerde kerk, een protestants-christelijke basisschool, kroegje, jeugdsoos, snackbar en een bibliotheek zijn er geen voorzieningen en is het dorp aangewezen op Zuidwolde of Hoogeveen. De omgeving bestaat uit landbouwgebied (veenontginningen) en kleine bospercelen. Ten westen van het dorpsgebied ligt het Steenberger Oosterveld, het grote bosgebied van Zuidwolde. 
34614 
290 Alteveer, Onstwedde, Groningen  6.994434  53.052057  Alteveer is een streekdorp in de buurt van Onstwedde in de provincie Groningen, gedeeltelijk in de gemeente Stadskanaal en gedeeltelijk in de gemeente Pekela. Het heeft ongeveer 1300 inwoners in 2003. Het dorp ligt aan weerszijden van de N365 en naast de N366.
In Alteveer is het multifunctioneel dorpscentrum de Drijscheer, waar sportieve en culturele gebeurtenissen plaatsvinden. Voor dit gebouw ligt een zwerfsteen van 30 ton die tussen Alteveer en Tange is opgegraven. Verder was de Coöperatieve aardappelmeelfabriek Alteveer in het dorp gevestigd. Deze was in 1909 opgericht en is inmiddels gesloten is. Bakkerij Muntinga, die voor de wijde omgeving brood bakte was in Alteveer gevestigd en is in 2006 verhuisd naar Winschoten. In Alteveer is het bedrijf Unitel gevestigd, dat in 2004 de telegramdienst van KPN telecom heeft overgenomen. Er zijn twee basisscholen: Christelijke basisschool De Höchte en openbare basisschool 't Zonnedal.

De kei van 30 ton voor het dorpshuis de Drijscheer die tussen Alteveer en Tange is opgegraven in Alteveer zelf en even ten zuiden van het dorp (in Höchte) ligt een morene uit de ijstijd. De maximale hoogte van deze morene is tien meter boven NAP.
Aan de noordoostelijke zijde van het dorp ligt het terrein van zandzuigerij Van de Velde. Hier wordt wit zand gewonnen dat is aangevoerd door de voormalige rivier Eridanos. Ook onder het dorp zelf heeft het bedrijf inmiddels zandlagen weggezogen. Toen dit gegeven zo rond 2003 in de aandacht kwam naar aanleiding van de behandeling van een vergunning zorgde dit voor ongerustheid binnen het dorp. 
48998 
291 Alteveer, Roden, Drenthe  6.43239256738525  53.111265948874085  Alteveer is een buurtschap ruim een kilometer ten zuiden van het Noord-Nederlandse dorp Roden, in het noorden van de provincie Drenthe. Het maakt deel uit van de gemeente Noordenveld.  148724 
292 Altharen, Niedersachsen, Deutschland  7.216667  52.766667  Haren ist eine Stadt an der Ems im Westen Niedersachsens, innerhalb des Landkreises Emsland, mit 22.754 Einwohnern auf 208,8 km².
Geschichte
Eingemeindungen in das Stadtgebiet von Haren
Infolge der Gemeindereform gehören seit 1. März 1974 die folgenden einst selbstständigen Gemeinden zur Stadt Haren:
1. Altenberge
2. Emen
3. Emmeln
4. Fehndorf
5. Landegge
6. Lindloh
7. Raken
8. Rütenbrock
9. Schwartenberg
10. Tinnen
11. Wesuwe
12. Altharen (nördlich von Wesuwe)
13. Erika (nördlich von von Altenberge) 
35924 
293 Althausen, Bad Mergentheim, Baden-Württemberg, Deutschland  9.74560260772705  49.47018784222325  Bad Mergentheim ist eine Stadt an der Tauber im Nordosten Baden-Württembergs, etwa 35 km südwestlich von Würzburg bzw. 56 km nordöstlich von Heilbronn. Vor der Bildung des Landes Baden-Württemberg war sie die nördlichste Stadt Württembergs. Heute ist sie nach Wertheim die zweitgrößte Stadt des Main-Tauber-Kreises und ein Mittelzentrum.
Seit 1926 trägt Mergentheim die Bezeichnung Bad. Seit dem 1. April 1975 ist Bad Mergentheim Große Kreisstadt. Mit den Gemeinden Assamstadt und Igersheim hat Bad Mergentheim eine Verwaltungsgemeinschaft vereinbart.
Stadtgliederung
Das Stadtgebiet Bad Mergentheims gliedert sich in die Kernstadt und folgende 13 Stadtteile, die im Rahmen der Gebietsreform der 1970er Jahre eingegliedert wurden und zu denen teilweise weitere Wohnplätze mit eigenem Namen gehören (in Klammer die Einwohnerzahl am 31. März 2004) und Fläche in ha:
Althausen (596) 1.264,2
Apfelbach mit Apfelhof (351) 910,5
Dainbach (373, einziger badischer Stadtteil) 727,6
Edelfingen (1.357) 748,0
Hachtel (357) 826,1
Herbsthausen (195) 357,4
Löffelstelzen (1.000) 509,3
Markelsheim (1.986) 1.511,8
Mergentheim (12488) 1.651,2
Neunkirchen (850) 255,7
Rengershausen (484) 1.066,9
Rot mit Dörtel und Schönbühl (263) 818,3
Stuppach mit Lustbronn und Lillstadt (683) 1.530,1
Wachbach (1.304) 818,8
Geschichte
Mergentheim wurde 1058 als „Mergintaim“ erstmals urkundlich erwähnt (comitatus Mergintaim in pago Tubergewe). 1280 wurden der Siedlung die Zollrechte von Herzog Johann von Lothringen zuerkannt. Am 2. Juli 1340 wurde Mergentheim auf Bitten des Deutschmeisters Wolfgang von Nellenburg durch Kaiser Ludwig den Bayern zur Stadt erhoben. Von 1526 bis 1809 war Mergentheim Hauptsitz des Deutschen Ordens (Sitz des Hochmeisters). Seit 1809 gehörte die Stadt zum Königreich Württemberg. Im gleichen Jahr wurde Mergentheim Sitz eines Oberamtes. 1826 wurden die Heilquellen wiederentdeckt, aufgrund derer Mergentheim zur Badestadt wurde. 1926 wurde Mergentheim das Prädikat Bad verliehen. 1938 wurde das Oberamt Mergentheim in den Landkreis Mergentheim überführt.
Nach dem Ende des Zweiten Weltkriegs 1945 gehörte Bad Mergentheim zur Amerikanischen Besatzungszone. Die amerikanische Militärverwaltung richtete ein DP-Lager ein zur Unterbringung so genannter Displaced Persons (DP). Die meisten von ihnen stammten aus Litauen.
Der Landkreis Bad Mergentheim bestand bis zur Kreisreform zum 1. Januar 1973, als der Bestandteil des neuen Main-Tauber-Kreises wurde. Dadurch verlor Bad Mergentheim seine Funktion als Kreisstadt zugunsten von Tauberbischofsheim.
Ab 1972 wurden im Zuge der Gemeindereform 13 bis dato selbstständige Gemeinden, teilweise mit weiteren zugehörigen Wohnplätzen, nach Bad Mergentheim eingemeindet. Infolgedessen überschritt die Einwohnerzahl der Stadt Bad Mergentheim 1975 die Grenze von 20.000. Daraufhin stellte die Stadtverwaltung den Antrag auf Erhebung zur Großen Kreisstadt, was die Landesregierung von Baden-Württemberg mit Wirkung vom 1. April 1975 beschloss.
Von 1962 bis 1993 war in der Stadt die Panzerbrigade 36 „Mainfranken“ der Bundeswehr stationiert.
Religionen
Das Gebiet der Stadt Bad Mergentheim gehörte ursprünglich zum Bistum Würzburg. Die Reformation konnte sich zunächst nicht durchsetzen, doch wurde während der Schwedenzeit das lutherische Bekenntnis eingeführt, als der katholische Pfarrer zum Protestantismus übertrat. Die Gottesdienste wurden zunächst in der St. Johannis-Kirche, dann in der Marienkirche abgehalten. Die katholischen Gottesdienste wurden in jener Zeit in der Schlosskirche gehalten. Nach Rückkehr des Hochmeisters von Stadion wurde die Stadt jedoch wieder fast vollständig rekatholisiert. Die Gemeinde gehörte zunächst noch zum Bistum Würzburg, wurde dann nach dem Übergang an Württemberg ab 1814 Teil des Generalvikariats Ellwangen, bevor sie 1821/1827 der neu gegründeten Diözese Rottenburg (heute Rottenburg-Stuttgart) zugeordnet wurde. Bad Mergentheim wurde Sitz eines Dekanats. Die heutigen Pfarrgemeinden im Stadtgebiet gehören zu zwei Seelsorgeeinheiten. Zur Seelsorgeeinheit 1a gehören die Gemeinden St. Gumbert Apfelbach, St. Johann Baptist Bad Mergentheim mit Filialkapelle in Edelfingen, Zur heiligsten Dreifaltigkeit Löffelstelzen und St. Kilian Markelsheim, zur Seelsorgeeinheit 1b gehören die Gemeinden Maria Krönung Stuppach, St. Leonhard Rengershausen, Filialkirchengemeinde St. Pius Laibach, St. Georg Wachbach, St. Petrus und Paulus Rot und Filialkirchengemeinde Mariä Himmelfahrt Hachtel. Der ehemals badische Stadtteil Dainbach hat eine neugotische katholische Kapelle aus dem Jahr 1900. Die Gemeindeglieder gehören zur ebenfalls badischen Nachbarpfarrei Unterschüpf und damit zum Erzbistum Freiburg. Die Stadtteile Althausen, Neunkirchen und Herbsthausen sind überwiegend evangelische Orte.
Nach dem Übergang an Württemberg gründete sich in Bad Mergentheim wieder eine protestantische Gemeinde, welche 1815 die Schlosskirche als Gottesdienstraum zuerkannt bekam. Einen eigenen Pfarrer erhielt die Gemeinde ab 1825. Die Gemeinde ist von Anfang an Glied der Evangelischen Landeskirche in Württemberg. Bad Mergentheim wurde seinerzeit zwar Sitz des Oberamtes, die kirchliche Verwaltung, das Dekanatamt, war und blieb jedoch in Weikersheim. Daher gehört die Kirchengemeinde Bad Mergentheim bis heute zum Kirchenbezirk Weikersheim. Neben der Kernstadtgemeinde Bad Mergentheim gibt es in den Stadtteilen Althausen, Edelfingen, Herbsthausen, Markelsheim, Neunkirchen und Wachbach jeweils eine eigene evangelische Kirchengemeinde bzw. Kirche. Letztere ist auch für Hachtel zuständig. Die evangelische Kirchengemeinde Dainbach gehört bis heute zur Evangelischen Landeskirche in Baden (Kirchenbezirk Boxberg).
Neben den beiden großen Kirchen sind in Bad Mergentheim auch freikirchliche Gemeinden vertreten, darunter eine Gemeinde der Gemeinschaft der Siebenten-Tags-Adventisten und die 1991 gegründete Evangelisch-Freikirchliche Gemeinde (Baptisten). Auch eine neuapostolische Gemeinde ist in Bad Mergentheim ansässig. Des Weiteren gibt es ein Gemeinschaftshaus der Bahai und eine Altpietistische Gemeinschaft.
Juden gab es in Mergentheim seit dem Mittelalter. Sie wurden vom Deutschen Orden zugelassen, auch um dessen wirtschaftlichen Interessen zu dienen. Mit ca 5 % in der ersten Hälfte des 20. Jahrhunderts lag ihr Bevölkerungsanteil weit über dem Durchschnitt des Deutschen Reiches (knapp 1 %). Die Geschichte bis hin zur Zerstörung durch den Nationalsozialismus (Vertreibung und Ermordung) wird in dem Buch Die letzten Mergentheimer Juden von Hermann Fechenbach geschildert, einem nach England emigrierten Maler. 
595 
294 Alting, Beilen, Drenthe  6.538023948669434  52.8675507699814  Alting is een buurtschap vlak bij Beilen  82806 
295 Altkalkar, Kalkar, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.286139999999932  51.73561  Altkalkar ist ein Stadtteil von Kalkar. Er geht fließend in die Bebauung des Stadtkerns von Kalkar über.
Altkalkar ist der einwohnerreichste und älteste Stadtteil von Kalkar, seine Besiedlung setzt im 7. Jahrhundert n. Chr. ein. Die Gründung der mittelalterlichen Stadt Kalkar erfolgte 1230 östlich dieser Altsiedlung auf landwirtschaftlich schlecht nutzbarem Unland.
Die Pfarrkirche Altkalkers - St. Pankratius - wird 1281 erstmals erwähnt. Der Bau wurde 1640 vollständig zerstört und ab 1689 an gleicher Stelle wieder errichtet, und nach erneuter Zerstörung 1892 im neugotischen Stil neu erbaut.
Im Mittelalter wurde auf dem etwas südlich gelegenen Monreberg, von den Grafen von Kleve eine Burg errichtet, welche allerdings im Dreißigjährigen Krieg zerstört wurde.
Am 1. Juli 1969 wurde Altkalkar nach Kalkar eingemeindet. 
131080 
296 Altleiningen, Rheinland-Pfalz, Deutschland  8.07546615600586  49.50877277963176  Altleiningen ist eine Ortsgemeinde im rheinland-pfälzischen Landkreis Bad Dürkheim.
Geschichte
Name
Altleiningen, ursprünglich Leiningen, wurde erstmals im Jahre 780 urkundlich erwähnt, als das Bestandsverzeichnis des 50 km entfernten Klosters Lorsch Waldbesitz „in linunga marca“ (lat. für auf leiningischem Gebiet) aufführte. Das Attribut bezog sich auf den Leinbaum, eine Bezeichnung, die damals in der Gegend meist für den Spitz-Ahorn, aber auch für die Sommerlinde verwendet wurde. Weil beide Baumarten an seinen Ufern häufig vorkamen, führte der Eckbach zu dieser Zeit auch den Namen Leinbach.
Vom alten Ortsnamen leitet sich das Adelsgeschlecht der Leininger ab, dem das Leiningerland jahrhundertelang zu Eigen war.
Zuordnung
Nach dem Zweiten Weltkrieg gehörte der Ort zum Landkreis Frankenthal, der 1969 im Zuge der rheinland-pfälzischen Verwaltungsreform aufgelöst wurde. Altleiningen wechselte in den neugeschaffenen Landkreis Bad Dürkheim. 1972 wurde Altleiningen der ebenfalls neugeschaffenen Verbandsgemeinde Hettenleidelheim zugeordnet.
Religionen
2007 waren 45,7 Prozent der Einwohner evangelisch und 30,1 Prozent katholisch. Die übrigen gehörten einer anderen Religion an oder waren konfessionslos. 
82975 
297 Alto, Fond du Lac County, Wisconsin, USA  -88.7955379486084  43.67678339533827  Alto is a town in Fond du Lac County, Wisconsin, United States. The population was 1,103 at the 2000 census.  84333 
298 Alton, Madison County, Illinois, USA  -90.17766952514648  38.89277643113051  Alton is a city on the Mississippi River in Madison County, Illinois, United States, about 15 miles (24 km) north of St. Louis, Missouri. The population was 27,865 at the 2010 census. It is a part of the Metro-East region of the Greater St. Louis metropolitan area in Southern Illinois. It is famous for being the hometown of Robert Wadlow, the bluffs north of the city, and its role preceding and during the American Civil War, specifically the once rambling civil war prison that sat in the city.
The city has been labeled "The most haunted city in America" by paranormal enthusiasts, due to its claimed haunted hot spots, such as McPike mansion and other structures, most built on foundations of stone from the Civil War prison where many atrocities took place. The city holds regular ghost tours and has been visited by television crews looking for proof in the paranormal.
History
The Alton area was home to Native Americans for thousands of years before the 19th-century founding by European Americans of the modern city. Historic accounts indicate occupation of this area by the Illiniwek or Illinois Confederacy at the time of European contact. Earlier native settlement is demonstrated by archaeological artifacts and the famous prehistoric Piasa bird painted on a cliff face nearby. The image was first written about in 1673 by French missionary priest Father Jacques Marquette.
19th century
Alton was developed as a river town in 1818 by Rufus Easton, who named it after his son. Easton ran a passenger ferry service across the Mississippi River to the Missouri shore. Alton is located amid the confluence of three significant navigable rivers: the Illinois, the Mississippi, and the Missouri. A monument and multilevel observatory, located at the confluence of the Missouri and Mississippi near the levee in Wood River, is under construction to provide an overview of the Great Rivers area.
Alton grew into a matter-of-fact river trading town with an industrial character. Its steep-sloped streets led to massive concrete grain silos and railroad tracks along the waterfront, and brick commercial buildings throughout downtown. Once the site of several brick factories, Alton has an unusually high number of streets still paved in brick. The lower levels of Alton are subject to floods, many of which inundated the historic downtown area. The flood levels of different dates are marked on the large grain silos near the Argosy Casino at the waterfront.
In the 19th century, it was an important town for abolitionists, as Illinois was a free state across from the slave state of Missouri. Escaped slaves would cross the Mississippi to seek shelter in Alton, and proceed to safer places through stations of the Underground Railroad. On the clear and chilly moonlit night of Tuesday, November 7, 1837, the abolitionist printer Reverend Elijah P. Lovejoy was murdered by a pro-slavery mob while he tried to protect his Alton-based press from being destroyed for the third time. He had printed many abolitionist tracts and distributed them throughout the area. When one of the mob made a move to set the building on fire (an old warehouse), Lovejoy himself, armed with only a pistol, went outside to try and stop him. The pro-slavery man promptly shot him dead (with a shotgun, five rounds through the midsection); the mob then stormed the entire warehouse and threw his printing press into the Mississippi. Lovejoy thus became the first martyr of the abolition movement. As a consequence, representatives came to Alton when they drafted the Thirteenth Amendment of the Constitution, to permanently end slavery throughout the Union. During the years before the American Civil War, several homes were equipped with tunnels and hiding places for stations on the Underground Railroad to aid slaves escaping to the North.
On October 15, 1858, Alton was the site of the seventh Lincoln-Douglas debate. A memorial at the site in downtown Alton features undersized statues of Lincoln and Douglas, as they would have appeared during the debate.
Although Alton once was growing faster than its sister city of St. Louis, a coalition of St. Louis businessmen planned to build a town to stop its expansion and bring business to St. Louis. The result was Grafton, Illinois.
The first penitentiary in Illinois was built in Alton. While only a corner of it remains, it once extended nearly to "Church Hill". During the American Civil War, Union forces used it to hold prisoners of war, and some 12,000 Confederates were held there. During the smallpox epidemic of 1863-1864, an estimated 1500-2200 men died. A Confederate mass grave on the north side of Alton holds many of the dead from the epidemic. A memorial marks the site. Often when Confederate prisoners escaped, they tried to cross the Mississippi River back to the slave state of Missouri.
Many blocks of housing in Alton were built in the Victorian Queen Anne style, which marks a more successful period of the city's history. At the top of the hill in the commercial area, several stone churches and a fine city hall mark the city's pride. Numerous residences on hills have sweeping views of the Mississippi River.
20th century
Robert Pershing Wadlow, listed in the Guinness Book of Records as the world's tallest documented man at 8 feet 11.5 inches tall, 2,72 m , is buried in Upper Alton Cemetery. The earth over his grave was raised so visitors can compare its length to other graves. A memorial to him, including a life-sized statue and a replica of his chair, stands on College Avenue, across from the Southern Illinois University Dental School.
The Sisters of St Francis of the Martyr St George have their American province motherhouse in Alton.
According to the Illinois Department of Conservation, in 1937 two commercial fishermen from Alton, Herbert Cope and Dudge Collins, caught a bull shark in the Mississippi River. Late that summer they had realized something was troubling their wood and mesh traps. Concluding that it was a fish, they built a strong wire trap and baited it with chicken guts. The next morning, they caught the 5-foot 84-pound shark, which they displayed in the Calhoun Fish Market, where it attracted crowds for days.
In 1954, the city of Alton was named as one of the three finalists for the location of the new United States Air Force Academy. Alton lost to the winning site of Colorado Springs, Colorado.
Flood of 1993
Because of Alton's location at the Mississippi River, the Great Flood of 1993 with its high water level caused severe damage to the city. Alton's water supply was cut off due to flooding, and townspeople had to be supplied with bottled water for more than three weeks. Many local businesses, including Anheuser-Busch of St. Louis, Missouri, donated funds to help the people of Alton.
Clark Bridge
The original bridge connecting Alton, IL with West Alton, MO was a two-lane (one in each direction) bridge that had become a hazard for motorists and a hindrance for emergency vehicles. It is the northernmost bridge in the St. Louis metropolitan area. It was torn down in the early-mid 1990s.
The current Clark Bridge, with two lanes of divided traffic in each direction, plus two bike lanes, opened in 1994, following work through the Great Flood of 1993. The award-winning cable-stayed design was done by Hanson Engineers of Springfield, Illinois. Pieces of cables identical to those of the bridge were handed out in educational settings all over the city to allow the city's children to "take home a piece of the bridge". The complex work of construction of the bridge was featured in a program on PBS TV. 
84774 
299 Altona, Hamburg, Deutschland  10.038611  53.568611  Altona ist der westlichste Bezirk der Freien und Hansestadt Hamburg. Es hat heute 241.352 Einwohner (2005) und erstreckt sich über eine Fläche von 78,3 km2. Am 1. April 1938 wurde die bis dahin selbständige holsteinische Großstadt mit dem Groß-Hamburg-Gesetz eingemeindet. Altona grenzt im Süden und Osten an den Bezirk Hamburg-Mitte, im Nordosten an den Bezirk Eimsbüttel und im Norden und Westen an das Bundesland Schleswig-Holstein.
Geografie
Der Bezirk Altona ist größtenteils identisch mit der bis 1938 selbständigen Stadt Altona/Elbe – abgesehen davon, dass Eidelstedt und Stellingen-Langenfelde heute zum Bezirk Eimsbüttel gehören und der Grenzverlauf zu Sankt Pauli kleinere Veränderungen erfahren hat. Der Bezirk besteht aus 13 Stadtteilen, die sich von der Bebauungs- und Bevölkerungsdichte (2001) her drei Typen zuordnen lassen:
* den östlichen Bezirks-Stadtteilen Altona-Altstadt, Altona-Nord und Ottensen, die im Wesentlichen dem alten Stadtkern entsprechen, mit 9.400 bis 11.300 Ew./km² (weitgehend Geschosswohnungsbau)
* den abseits der Elbe gelegenen Stadtteilen (Bahrenfeld, Groß Flottbek, Iserbrook*, Lurup*, Osdorf*) mit 2.300 bis 5.000 Ew./km² (gemischte Bebauung)
* den westlichen Elbvororten (Blankenese*, Nienstedten*, Othmarschen und Rissen*) einschließlich des teilweise ländlichen Sülldorf* mit 900 bis 1.800 Ew./km² (ganz überwiegend Einzelhäuser und Villen).
Hinweis: Die mit * markierten Stadtteile gehören zum Ortsamtsgebiet Blankenese. Eine Karte der Lage der Stadtteile kann hier eingesehen werden.
Landschaftlich ist der Bezirk in drei elbparallele, über etwa 15 km in West-Ost-Richtung verlaufende Streifen gegliedert:
* der sehr schmale, uneingedeichte Elbstrand, zum Hinterland durch einen steil aufsteigenden Hang begrenzt
* das eiszeitlich geformte Hochufer (Endmoränenwall), das in Blankenese (Falkenstein, Bismarckstein, Süllberg) bis etwa 90 m aufragt und nur an wenigen Stellen durch die Einmündung von Bächen abgeflacht ist: am Fischmarkt durch die Pepermölenbek, in Teufelsbrück durch die Flottbek
* die sich landeinwärts anschließende, überwiegend flache Geest, die im nordwestlichen Teil noch heute landwirtschaftlich genutzt wird (Osdorfer bzw. Sülldorf-Rissener Feldmark) und mit dem Klövensteen auch ein größeres Waldgebiet aufweist.
Verkehrsverbindungen:
Mit dem Bahnhof Hamburg-Altona liegt ein bedeutender Eisenbahn-Knotenpunkt des deutschen Bahnnetzes und auch des ICE-Netzes innerhalb des Bezirks. Der Altonaer Bahnhof ist Endpunkt und Ausgangspunkt für zahlreiche Eisenbahn-Verbindungen aus und in Richtung Süden und von und nach Skandinavien.
Mit der Autobahn A 7 (E 45; Ausfahrten HH-Othmarschen, -Bahrenfeld und -Volkspark) führt eine wichtige europäische Nord-Süd-Verbindung und mit den B 4 und B 5 zwei große nationale Nord-Süd- bzw. Ost-West-Straßenverkehrsverbindungen, letztere mit Hauptstadt-Anschluss, direkt durch den Bezirk.
Die innere Erschließung und die Verbindung mit anderen Hamburger Stadtteilen durch den Öffentlichen Personennahverkehr im Rahmen des Hamburger Verkehrsverbundes leisten insbesondere die S-Bahn-Linien 1, 11, 2, 21, 3 und 31, sowie zahlreiche Buslinien und auch einige Elbfähren.
Außerdem durchqueren den Bezirk die Radfernwege Hamburg-Bremen, der Elberadweg, der Nordseeküstenradweg und der Nordheide-Radweg. In der Planung oder Durchführung sind auch innerstädtische Radrouten etwa vom Bahnhof Altona zur Universität und von den Elbvororten über Ottensen bis St.Pauli.
Geschichte
Die Anfänge
Um 1535 entstand Altona als Fischersiedlung in der schauenburgischen Grafschaft Pinneberg in Holstein. Allerdings wird bereits 1310 die Umwandlung eines Meierhofes am Pepermolenbach in das Kloster Herwardeshude (1246) urkundlich erwähnt, wo eine kleine Siedlung entsteht, die z.T. auf Altonaer Boden liegt. In dieser Urkunde ist auch erstmalig von Ottensen (Ottenhusen, ab 1390 Vogtei) die Rede, zu der Altona anfangs gehört.
Einer Legende zufolge soll die Keimzelle (und der Anlass für den Namen) eine Rotbierkneipe gewesen sein, um die herum sich Handwerker und Fischer ansiedelten – jedoch nach Ansicht des Hamburger Rates "all to nah" (allzu nah) an der Stadtgrenze. Der Kern dieser Ansiedlung, die Krogwirtschaft des Fischers Joachim vom Lohe, lag wohl am Geesthang zwischen dem späteren Nobistor und dem Altonaer Fischmarkt im Bereich der heutigen Straße Pepermölenbek. Der Name Altona könnte auch von einem Bach ("Altenau") herrühren.
Daneben gibt es spärliche Hinweise auf mögliche frühere Ansiedlungen im heutigen Bahrenfeld zwischen Schnackenburgallee und Altonaer Volkspark. So wird aus der Ortsbezeichnung "Winsberg" bzw. der Straße "Winsbergring" und der Straße "Hellgrundweg" ein Zusammenhang mit Odin/Wotan und Hel sowie daraus folgend die Existenz von germanischen Opferstätten abgeleitet.
Die Frühe Neuzeit
Von Anfang an kam es zwischen Hamburg und Altona zu Auseinandersetzungen über Weide- und Münzrechte, Zunft- und Glaubensfragen und die Nutzung der Elbe. 1591 brach gar ein Grenzkrieg aus, der auch vor dem Reichskammergericht ausgetragen wird und erst 1740 durch einen Vergleich endet. Ebenso akzeptierte Hamburg Altonas Stadtprivileg erst 1692 (Kopenhagener Rezeß).
Im Dreißigjährigen Krieg gerät auch Altona zeitweise zwischen die wechselnden Fronten: 1637 zählt man über 60 leerstehende Häuser, 1644/45 gerät es vorübergehend in schwedischen Besitz; andererseits wird 1638 eine prachtvolle Allee angelegt, die Palmaille. Zum Schutz der Bevölkerung vor Horden von marodierenden ehemaligen Landsknechten genehmigt Graf Otto von Schauenburg und Holstein-Pinneberg dem Ort 1639 die Gründung einer Schützencompagnie als Bürgerwehr und Brandgilde. Unter dem später angenommenen Namen Altonaer Schützengilde von 1639 existiert diese bis heute (seit 1864 allerdings als privater Verein).
Nach dem Aussterben der schauenburgischen Linie Pinneberg-Holstein (1640) fällt Altona an das Herzogtum Holstein und damit in Personalunion an den jeweiligen dänischen König; es gehört in dieser Zeit zum Heiligen Römischen Reich Deutscher Nation. Daher ist Altona zwar bis 1806 deutsch und bis 1864 holsteinisch, steht aber unter dänischer Verwaltung mit allen sich daraus ergebenden Angleichungen z. B. des geltenden Rechts und der Währung.
Am 23. August 1664 verleiht der dänische König Friedrich III. Altona die Stadtrechte; dieses Privileg umfasst unter anderem Zoll-, Stapel- und Gewerbefreiheiten sowie Gerichtshoheit. 1683 wird eine städtische Lateinschule gegründet, die 1738 zum Gymnasium erweitert wird, das unter dem Namen Christianeum heute noch besteht. Seit Mitte des 18. Jahrhunderts werden hier auch zahlreiche Schüler aus Altonas jüdischen Familien aufgenommen. Mit rund 12.000 Einwohnern 1710 und rund 24.000 Einwohnern 1803 ist Altona nach Kopenhagen die zweitgrößte Stadt innerhalb des dänischen Gesamtstaates, zu dem neben dem Königreich Dänemark auch die Herzogtümer Schleswig und Holstein, das Königreich Norwegen sowie Island und die Faröer-Inseln gehören. Außerhalb des Königreiches Dänemark ist Altona damit sogar die größte Stadt im dänischen Gesamtstaat.
Das 18. Jahrhundert
Im Zuge des Großen Nordischen Krieges erfolgt im Januar 1713 eine Brandlegung durch Soldaten des schwedischen Generals Stenbock. Im Osten beginnend, wird Haus für Haus planmäßig in Brand gesetzt. Daraus (etwa 60% der Gebäude werden zerstört) erklärt sich, dass außer der Straßenanlage der Palmaille so gut wie nichts mehr an das Altona vor dem "Schwedenbrand" erinnert.
Der im gleichen Jahr zum Oberpräsidenten ernannte Christian Detlev von Reventlow gilt als Neugründer der Stadt; u.a. erwirkt er beim König weitgehende Rechte zu ihrem Wiederaufbau. Ihm unterstehen auch Ottensen und Neumühlen. Mit Claus Stallknecht, der nahe dem Nobistor auch ein Rathaus (Amtssitz bis 1898, zerstört 1943) errichtet, wird ein eigener Stadtbaumeister bestellt. Die Zeit vom Wiederaufbau bis zur Kontinentalsperre (1807) wird von den Chronisten als "goldene Epoche" Altonas bezeichnet.
Im späten 18. Jahrhundert entwickelt sich Altona zu einem Zentrum der Aufklärung in Norddeutschland, personifiziert insbesondere ab 1757 in dem sozialreformerischen Stadtphysikus und Armenarzt Johann Friedrich Struensee, der ab 1769 zunächst als Leibarzt des dänischen Königs Christian VII. wirkt, dann als geadelter Geheimer Kabinettsminister innerhalb von nur 16 Monaten mehrere hundert Gesetze und Verordnungen zur Modernisierung des Staates Dänemark erlässt. Struensee wird von den ihres Einflusses beraubten Vertretern der "alten Ordnung" nach einem Schauprozess 1772 in Kopenhagen hingerichtet.
Altona hat sich zu allen Zeiten als "offene Stadt" verstanden, wie es das Wappen mit dem geöffneten Tor symbolisiert; politisch oder religiös Verfolgte ebenso wie Menschen, die aus wirtschaftlichen Gründen anderswo nicht geduldet wurden, finden hier Aufnahme: holländische Reformierte, Hugenotten, Mennoniten, Juden, unzünftige Handwerker, von den napoléonischen Besatzern vertriebene mittellose Bewohner Hamburgs (Winter 1813/14), aber auch längst vergessene Sekten wie Adamiten, Gichtilianer oder Separatisten. Sie genossen die geistigen wie ökonomischen Freiheiten, die "Hamburgs schöne Schwester" ihnen bot und trugen ihrerseits vielfach zur Entwicklung der Stadt bei. Die jüdischen Begräbnisplätze oder die Straßennamen Kleine bzw. Große Freiheit veranschaulichen dieses Klima der Toleranz in Altona auch auf dem Stadtplan. Diese Straßen wurden 1938 dem Stadtteil St. Pauli zugeordnet.
Entsprechend sind auch die 6 Stadttore, die seit 1740 Altona von Hamburgs Vorstadt "Hamburger Berg" (heute St.Pauli) trennen, eher offene Grenzmarkierungen: vom Elbufer aufwärts Pinnas-, Schlachter-, Trommel-, Nobis-, Hummeltor sowie der namenlose nördlichste Durchgang in der Nähe der Straße "Beim Grünen Jäger". An der südlichen Lage der fünf benannten Tore lässt sich gut erkennen, dass Altona selbst im 18. Jhd. noch überwiegend elbnah bebaut ist.
1742/43 wird die Hauptkirche St. Trinitatis errichtet. Die Monogramme der beiden dänischen Könige Christian V. und Christian VI. an den Sandsteinportalen zeigen, welche Bedeutung der großen neuen Hauptkirche in der damals zweitgrößten Stadt des dänischen Gesamtstaates beigemessen wurde. Schon seit 1694 stand vor einer älteren Kirche ein neuer Turm. Der Altonaer Zimmermei­ster Jacob Bläser hatte ihn errichtet und mit einem geschwun­genen Turmhelm in holländischer Manier bekrönt. Für Altona wurde er zum Wahrzeichen, und natürlich sollte er auch den Hamburger Türmen Konkurrenz machen. Als die alte Kirche baufällig geworden war, erhielt der holsteinische Baumeister Cay Dose den Auftrag für den Kirchenneubau. Dose plante die neue große Kirche auf einem kreuzförmigen Grundriss im Anschluss an den Bläserschen Turm. – Bereits ab 1718 war mit dem Bau der katholischen St.-Josephs-Kirche begonnen worden.
Die Ideen der französischen Revolution treffen auch im nördlichen Europa auf Zustimmung: in Altona gründen republikanisch gesinnte Intellektuelle und – für die damalige Zeit ungewöhnlich – einzelne Angehörige der städtischen Unterschichten 1792 einen Jakobinerclub, der regelmäßig in einer Herberge an Altonas Rathausmarkt tagt. Das Handeln seiner Mitglieder beschränkt sich auf das Verbreiten aufklärerischer und revolutionärer Ideen durch "wildes Plakatieren" von Flugblättern; der Kopf des Königs ist dadurch nicht bedroht. Christian VII. veranlasst, wohl auch, um allzu demokratischen Bestrebungen den Wind aus den Segeln zu nehmen, im selben Jahr mehrere Gesetze, durch die die allgemeine Schulpflicht eingeführt und wesentliche Schritte zur Judenemanzipation geleistet werden.
Das lange 19. Jahrhundert
Durch die Auflösung des Heiligen Römischen Reiches (1806) durch die Napoléonischen Kriege und die anschließende Zeit, in der Altona nicht mehr Teil eines deutschen Staates war, sowie durch die Mitgliedschaft im Deutschen Bund (1815) änderte sich in Altona – wie im Herzogtum Holstein insgesamt – politisch wenig: es wurde weiterhin durch den dänischen König verwaltet, in die dänische Politik einbezogen und von dieser gefördert. Zwischen 1848 und 1864 versuchte Dänemark wiederholt, die Verflechtung zwischen dem Königreich Dänemark und Holstein von einer Personalunion in eine Realunion umzuwandeln, was zum Schleswig-Holsteinischen Aufstand (1848–1852) und – einhergehend mit dem preußischen Expansionsdrang – zum Deutsch-Dänischen Krieg (1863/64) führte. 1864–1866 befand sich Altona (wie ganz Holstein) formal unter österreichischer Verwaltung (als Mandatar des Deutschen Bundes), von 1867 bis 1871 gehörte es danach allein zu Preußen und wurde mit der Gründung des Deutschen Reiches auch Teil des Reiches. Wirtschaftlich allerdings endete Altonas "goldene Zeit" durch die Napoléonische Kontinentalsperre abrupt: die totale Elbblockade brachte viele Handelshäuser, Reedereien und exportorientierte Gewerbe an den Rand des Ruins.
Durch ein Privileg des Königs Friedrich VI. erhielt der Astronomieprofessor Heinrich Christian Schumacher die Erlaubnis, an der Palmaille eine Sternwarte zu errichten (1821), die er größtenteils aus Privatmitteln und königlichen Zuschüssen unterhielt und die schnell hohes wissenschaftliches Renommée erlangte. Hier wurden auch die Astronomischen Nachrichten herausgegeben. Nach Schumachers Tod (1850) wurde das Observatorium unter wechselnden Direktoren und mit knapperen Mitteln weiterbetrieben, bis es 1872 nach Kiel verlegt wurde; das Gebäude wurde während eines Luftangriffes 1941 zerstört.
Altona war der erste Freihafen Nordeuropas (seit 1664); dadurch, aber auch durch die vorausschauende Planung unter Bürgermeister Carl Heinrich Behn, † 1853, die eine erhebliche Norderweiterung vorsah (welche Ende des Jahrhunderts realisiert ist), erlebte die Stadt eine wirtschaftliche Blütezeit.
Schleswig-Holsteins erste Kunststraße ("Chaussee", 1833) verband Altona und Kiel. Und 1839 schlägt die Geburtsstunde des (zunächst noch privat betriebenen) Personennahverkehrs: die Basson'sche Pferdeomnibuslinie trug dazu bei, den wachsenden Verkehr zwischen Altona und Hamburg zu bewältigen.
Im Vormärz formierte sich auch in Altona, obwohl es seit 1640 immer von den dänischen Königen begünstigt worden war, Widerstand gegen die wachsenden Danisierungsbestrebungen unter Christian VIII. und Friedrich VII.: ein Altonaer Kaufmann beispielsweise unterstützte die letztlich erfolglose Erhebung Schleswig-Holsteins gegen die Krone (23. März 1848) mit 100.000 Mark Courant; und zahlreiche Bewohner bejubelten Weihnachten 1863 den Einmarsch deutscher Bundestruppen in die Stadt (Beginn des deutsch-dänischen Krieges).
Von den Ideen der Freiheitskampfes begeistert, kommt auch die deutsche Turnbewegung nach Altona. Am 15. November 1845 gründet A. F. Hansen den Altonaer Turnverein mit dem Ziel, „die methodische Ausbildung der körperlichen Kräfte zum Gemeingut der ganzen Jugend, aller Klassen und Stände, zu machen”. 1846 entsteht die erste Turnhalle Norddeutschlands, ein Fachwerkschuppen, in der Turnstrasse*. In den turbulenten Jahren bis 1870 diente die Halle zwischenzeitlich auch als Wachlokal der Bürgerwehr, zur Unterbringung dänischer Gefangener und als Stallgebäude der österreichischen Kavallerie. 1877 errichtet der Verein etwas weiter östlich, zwischen König- und Kleiner Mühlenstraße*, eine neue Turnhalle. 1878 gründet sich im zu dieser Zeit noch selbständigen Ottensen der Ottensener Männerturnverein.
* Siehe auch das Verzeichnis historischer und heutiger Straßennamen in Altona.
Mitte des 19. Jahrhunderts, genau am 20. Juni 1850, erscheint mit den Altonaer Nachrichten die erste Tageszeitung im Großraum Hamburg. Die Buchdruckerei Hammerich & Lesser in der Königstraße gibt sie heraus. Altona war bereits seit dem 18. Jahrhundert ein wichtiger Pressestandort, an dem wegen der im Vergleich zu Hamburg größeren Toleranz der Obrigkeit u.a. der renommierte Altonaer Mercurius herausgegeben wurde. Der Verlag von Hammerich & Lesser wird 1909 von Hinrich Springer, dem Vater Axel Springers, und I. Wagner übernommen. Die Altonaer Nachrichten erscheinen bis zu ihrem Verbot 1941 und wieder von 1948 bis 1988, in den letzten Jahren nur noch als Lokalbeilage des Springer'schen Hamburger Abendblatts.
Am 16. Juni 1842 konstituierte sich die "Altona-Kieler Eisenbahn-Gesellschaft", die am 28. Juni des gleichen Jahres die königlich dänische Konzession zum Bau und Betrieb der König Christian VIII. Ostseebahn erhielt. Diese verband ab 1844 Altona mit Kiel. 1866 wurde die Hamburg-Altonaer Verbindungsbahn zum Hamburger Bahnhof Klosterthor gebaut, 1867 eine Strecke zum pinnebergischen Blankenese.
Ab 1876 führte eine Hafenbahn zum Elbufer abwärts, für die später der längste Eisenbahntunnel Norddeutschlands, der so bezeichnete "Schellfischtunnel" gebaut wurde (1992 stillgelegt). 1884 wurde für die schleswig-holsteinischen Bahnen die Königliche Eisenbahndirektion Altona eingerichtet. Im selben Jahr nahm die Altona-Kaltenkirchener Eisenbahngesellschaft AG (AKE, seit 1916 AKN) den Personen- und Güterverkehr zwischen Altona und Kaltenkirchen auf. Sie wurde 1898 bis Bad Bramstedt, 1916 bis Neumünster verlängert.
Zu Beginn des Jahres 1886 ging die Altona-Kieler Eisenbahn-Gesellschaft in das Eigentum des preußischen Staates über und erweiterte den Bestand der Preußischen Staatseisenbahnen. 1895 wurde etwa 500 Meter nördlich des ersten Bahnhofs ein neuer Altonaer Hauptbahnhof errichtet. Der bisherige Bahnhof wurde ab 1898 als Gebäude für das Rathaus genutzt.
Von der Industrialisierung profitierte das benachbarte Ottensen (Zuwachs von 4.660 (1855) auf 25.500 (1890) Einwohner) aufgrund wechselnder Zollgrenzen (1854, 1867) bis 1888 stärker als Altona. Zu den dominierenden Branchen zählten Glashütten und Tabakverarbeitung ("Piependreiher" = Zigarrendreher, meist in Heimarbeit), ab 1865 Eisen- und Metallindustrie (Gießereien, Maschinen-, Dampfkessel-, Schiffsschraubenbau), Nahrungs- und Genussmittelproduktion, Brauereien und vor allem fischverarbeitende Betriebe – 1913 ist Altona Deutschlands größter Anlandeplatz und Industriestandort für Fisch.
1863 errichtete eine private Gesellschaft an der Palmaille ein Museum, das 1888 von der Stadt übernommen wurde und 1901 in einem Neubau im neuen Stadtzentrum als landeskundliches Altonaer Museum seine Pforten öffnete.
Am 20. Juni 1880 eröffnete der Norddeutsche Renn- und Traber-Club in Bahrenfeld, vor den Toren Altonas, eine Trabrennbahn von 1320 Metern Länge mit Stallungen und Tribüne.
1889 wurden Ottensen und Neumühlen, 1890 Bahrenfeld, Othmarschen und Övelgönne eingemeindet. Dadurch und durch die Zuwanderung infolge der Industrialisierung wuchs Altonas Bevölkerung rapide: von 40.626 (1855) über 84.099 (1875) auf 143.249 (1890) Einwohner.
Um die Jahrhundertwende gründeten sich zunehmend Sportvereine, die sukzessive auch eigene Sportstätten anlegten; so wurde 1893 der Altonaer Cricketclub 1893 von Gymnasiasten und jungen Kaufleuten gegründet. Pfingsten 1903 richtete der inzwischen in Altonaer Fußballclub von 1893 (Altona 93) umbenannte Verein das allererste Endspiel um die Deutsche Fußballmeisterschaft auf der Exerzierweide in Bahrenfeld aus. Seit 1909 besitzt der Club die AFC-Kampfbahn an der Griegstraße (1944 in Adolf-Jäger-Kampfbahn umbenannt). Weitere Vereinsgründungen dieser Jahre waren der Hamburger Polo-Club (1898; spielte zunächst auf der Trabrennbahn, ab 1907 an der Jenischstraße in Flottbek), der Arbeiter-Radfahrer-Club Ottensen (ebenfalls 1898; als Mitglied des Arbeiter-Radfahrerbundes „Solidarität“ Teil der deutschen Arbeitersportbewegung) sowie der großbürgerliche Hamburger Golf-Club (1906; vereinseigene Anlage ebenfalls in Flottbek).
Seit 1913 kaufte oder pachtete der Magistrat gezielt private Flächen, um daraus öffentliche Grünanlagen zu schaffen (Donners, Gayenscher, Rathenau-, Jenisch- und Volkspark mit angrenzendem Hauptfriedhof) sowie, beginnend unterhalb von Rainville, den Elbuferweg (heute durchgehender Wander- und Radfernweg) herzustellen. Aus Anlass des 250jährigen Stadtjubiläums richtete Altona die Deutsche Gartenbauausstellung aus (1914) – diese wird allerdings überschattet vom Ausbruch des Ersten Weltkrieges.
1918 bis 1945
Nach dem Ersten Weltkrieg legt der Gartenbaudirektor Tutenberg nördlich der Trabrennbahn Bahrenfeld mit dem Volkspark ein zunächst 125 ha großes, stadtnahes Erholungsareal an; dazu entstehen an dessen Rändern der städtische "Centralfriedhof", ein Flughafen (an der Luruper Chaussee) und das Volksparkstadion. Seit den 1920er Jahren gilt Altona als die deutsche Großstadt mit den meisten Grünflächen (siehe auch unten).
Unter dem 1924 bis 1933 amtierenden Oberbürgermeister Max Brauer (SPD, seit 1919 bereits 2. Bürgermeister) erlebt die Stadt eine heute noch vielerorts sichtbare Aufschwungphase, die 1927 in der Verdoppelung der Stadtfläche durch die Eingemeindung der Elbdörfer Groß- und Kleinflottbek, Nienstedten, Blankenese und Rissen sowie der Geestgemeinden Osdorf, Iserbrook, Sülldorf, Lurup, Eidelstedt und Stellingen-Langenfelde kulminiert. Mit diesem keineswegs von allen betroffenen Gemeinden begrüßten Schritt (siehe Groß-Altona-Gesetz) geht eine vorausschauende Stadtentwicklungspolitik einher, die sich insbesondere in dem Generalbauplan (von Altonas Bausenator Gustav Oelsner bereits ab 1923 für Altona und andere preußische Gebiete rund um Hamburg aufgestellt), dem Ankauf von Bauerwartungsland und der Gründung (1922) des kommunalen Wohnungsbauunternehmens Siedlungs-Aktiengesellschaft Altona (SAGA) manifestiert. Für Erholungszwecke werden drei Grüngürtel durch die Stadt angelegt; auch Hagenbecks Tierpark in Stellingen ist nun eine Altonaer Attraktion.
Überhaupt ist dies die hohe Zeit der Kommunalisierung von Versorgungsdienstleistungen: das Wasserwerk am Baurs Berg in Blankenese, das Gaswerk in Bahrenfeld, das Elektrizitätswerk Unterelbe (EWU) in Neumühlen (1913 erbaut; Siemens-Anteile 1922 übernommen) befinden sich in städtischem Besitz – und reichen für den Bedarf der wachsenden Stadt bald schon nicht mehr aus: bereits 1928 geht in Schulau (heute Teil von Wedel/Holstein) ein zweites Kraftwerk ans Netz. Ebenso wird für die zunehmend erforderliche Nahverkehrserschließung 1925 ein städtischer Betrieb, die Verkehrs-Aktiengesellschaft Altona (VAGA), gegründet. Im selben Jahr eröffnet zudem Europas erste regelmäßige Wasserfluglinie zwischen Altona und Dresden.
Altona an der Elbe (so der offizielle Name) hat sich zu einer veritablen Großstadt mit einer von 172.628 (1910) auf 231.872 (1928) gestiegenen Einwohnerzahl gemausert. Damit ist es die größte Stadt in Schleswig-Holstein. Allerdings währt die Selbständigkeit nur noch knapp 11 Jahre.
Zu Ende der Weimarer Republik wehrt sich das "rote Altona" auch handfest gegen nationalsozialistische Einflüsse: Höhepunkt ist der Widerstand vieler Bewohner gegen einen Propagandamarsch schleswig-holsteinischer SA-Verbände durch die engen, dicht besiedelten Straßen von Altona-Altstadt. Dieser "Altonaer Blutsonntag" (17. Juli 1932) führt zum sog. "Preußenschlag", also der staatsstreichartigen Absetzung der von Otto Braun (SPD) geführten preußischen Regierung durch die Reichsregierung unter Franz von Papen. Nach der NS-Machtergreifung werden 4 Männer wegen angeblicher Verbrechen während des Blutsonntags von einem Sondergericht verurteilt und im Sommer 1933 in Altona hingerichtet: Karl Wolff, Bruno Tesch, August Lütgens und Walter Möller. Auch diese Namen findet man (seit den späten 1980ern) auf dem Altonaer Stadtplan; und in den 1990ern wurden endlich auch diese Unrechtsurteile aufgehoben.
Allerdings bleibt auch Altona nicht vom Niedergang der Golden Twenties und vom Aufkommen des Faschismus verschont. Die Arbeitslosenzahl steigt von 2.683 (Dezember 1929) auf 14.161 (Mai 1932). Und bei der Wahl zum Stadtverordnetenkollegium (Stadtrat) 1929 erhält die NSDAP zwar nur 6.880 Stimmen (hingegen SPD 46.122, KPD 18.046), aber bei den Reichstagswahlen im November 1932, auf dem Höhepunkt der Weltwirtschaftskrise, liegen die Nazis nur noch in Altstadt (hinter der KPD), Ottensen, Bahrenfeld und Lurup (hinter der SPD) lediglich auf Platz 2, während sie insbesondere in Rissen, Sülldorf, Oevelgönne (über 50%), Blankenese und Othmarschen (über 40%) ihre Hochburgen haben. Am 10. März 1933 – zwei Tage vor der Kommunalwahl – besetzen Nationalsozialisten nachts das Altonaer Rathaus und erklären den stellvertretenden Gauleiter Emil Brix zum neuen Oberbürgermeister. Entsprechend die Stimmenzahlen vom 12. März 1933: NSDAP 60.112, SPD 32.484, KPD 17.501, Kampffront Schwarz-Weiß-Rot 11.057.
In diesen Jahren kommt es auch hier zur Verfolgung von Andersdenkenden. Heute erinnern an das vielgestalte jüdische Leben in Altona nur noch Gedenkwerke wie
* der Findling am Rand des Bahnhofsvorplatzes (an die von hier aus Deportierten),
* der schwarze Quader von Sol LeWitt, ehemals Teil der Skulptur.Projekte, am Südende des Platzes der Republik (an die jüdische Gemeinde),
* eine Tafel an der Post in der Kirchenstraße (an die ehemalige Synagoge in der Kleinen Papagoyenstraße),
* die Namensliste im Untergeschoss des Ottenser Einkaufszentrums (an die auf dem inzwischen überbauten Friedhof Begrabenen).
Durch das Groß-Hamburg-Gesetz wird Altona 1937 zunächst Teil des Landes Hamburg und verliert seinen Status als selbständige Gemeinde durch Eingemeindung am 1. April 1938; die überraschten Bewohner der Stadt erfahren davon aus Zeitung oder Radio. Im Oktober des selben Jahres werden in Hamburg die Stadtteilgrenzen analog den Kreisgrenzen der nationalsozialistischen Parteiorganisation verändert; Altona geht dadurch eines Teils seines historischen Gebietes verlustig (vor allem gegenüber St. Pauli und Eimsbüttel) und ist jetzt identisch mit dem NSDAP-Parteikreis 7. Diese Änderungen sind auch nach Ende der NSDAP-Diktatur beibehalten worden.
Im Juli 1943 zerstören alliierte Bomber große Teile der Altstadt und verwandeln insbesondere das dicht besiedelte Gebiet zwischen Nobistor und Allee, Holsten- und Große Elbstraße in ein großflächiges Ruinenfeld; Altonas historischer Kern um Rathaus- und Münzmarkt wird auch nicht wieder aufgebaut. Auch nördlich der Stresemannstraße bis zum Eimsbütteler Marktplatz sind ganze Straßenzüge nicht mehr wiederzuerkennen. Von der Altonaer Hauptkirche St. Trinitatis bleiben lediglich die Umfassungswände mit den leeren Fensterhöhlen und der Turmsockel ausgeglüht stehen. Ein Wiederaufbau schien in den ersten Jahren nach dem Krieg unmöglich zu sein. Der Totalabbruch und die Errichtung einer moder­nen Kirche wurde diskutiert, doch in den 50er Jahren setzte sich die Überzeugung durch, dass der Traditionsbau der Altonaer Hauptkirche gerettet und, wenn auch in weitgehend moderner Form, wieder errichtet werden sollte. Das Handelszentrum Altona, der Fischmarkt, wird bis auf wenige Häuser zerstört und bis in die 70er Jahre hinein vernachlässigt.
Nach 1945
Nach dem Krieg werden dort neue Straßen angelegt (Verlängerung und Verbreiterung der Holstenstraße bis zur Reeperbahn, der Alsenstraße bis zur Fruchtallee) oder Freiflächen geschaffen ("Grünzug Neu-Altona" = Walter-Möller-Park), anstelle der kleinmaßstäblichen, geschlossenen Blockrandbebauung werden einzeln stehende Hochhäuser und Häuserblocks errichtet ("Neu-Altona-Plan"), um den Wohnungsmangel zu bekämpfen: denn noch bis etwa 1960 stehen in diesem Viertel "Nissenhütten"-Siedlungen und andere Notunterkünfte (z. B. hinter der Unzer- und an der Eggerstedtstraße).
In den folgenden Jahrzehnten setzt sich die Veränderung fort: unter der Devise "Luft und Licht für die Arbeiterschicht" kommt es zur Flächensanierung, etwa 1970 in Altonas ehemaligem Hauptgeschäftsviertel um die Große Bergstraße herum, am Hexenberg oder zuletzt noch 1980 im Gebiet der Behn'schen Stadterweiterung.
Spektakulärstes Beispiel aus der Mitte der 1970er Jahre: der Abriss des stadtbildprägenden Backstein-Hauptbahnhofs und seine Ersetzung durch ein Kaufhaus mit Gleisanschluss (Volksmund: "Kaufbahnhof"). Manches Großprojekt wird aber auch verhindert (z. B. ein Autobahnzubringer mitten durch Ottensen, das gleichzeitig in die (Büro-)"City West" umgewandelt werden soll, oder der Abriss des Krankenhauses an der Allee).
Mitte der 60er Jahre, mit der beginnenden Postmoderne, plädiert die Denkmalpflege für die Wiederherstellung der ursprünglichen Gestalt der Altonaer Hauptkirche im äußeren, im Inneren jedoch für eine moderne Lösung. Die Gestaltung der gesamten künstlerischen Inneneinrichtung und der Farbigkeit zeigen ein Bekenntnis zur Tradition, die mit künstlerischen Mitteln in die Sprache des 20. Jahrhunderts übersetzt wurde. Für die Verbindung von alt und neu erhielt der Wiederaufbau 1970 den Hamburger Architekturpreis als vorbildliches Bauwerk.
Nach der Sturmflut 1976 bekam der Altonaer Architekt Günter Talkenberg den Auftrag, ein Gutachten für den Küstenschutz zwischen Sankt Pauli und der ehemaligen, verfallenden Fischauktionshalle zu erstellen. Talkenberg insistierte auf einer städteplanerischen Lösung, die den Fischmarkt mit einer Platzrandbebauung einbezog und den Erhalt der Fischauktionshalle, die in Form einer dreischiffigen Basilika erbaut war, forderte. Niemand konnte sich zu diesem Zeitpunkt vorstellen, dass eine Halle, die bei Hochwasser geflutet werden muss, irgend einen wirtschaftlichen Nutzen haben könne. Sie wurde zum II. Hamburger Bauforum wieder eröffnet und mit einem Diplom des Europäischen Denkmalschutzes ausgezeichnet. 1988 bis 1994 entstand die postmoderne Platzrandbebauung des Altonaer Fischmarktes mit Wohnungen des Altonaer Spar- und Bauvereins und des Bauvereins der Elbgemeinden (BVE).
In den 1990er Jahren entsteht am Elbufer zwischen Altonaer Fischmarkt und Neumühlen ein Ensemble politisch zunächst heftig umstrittener Solitärbauten (Teil der Perlenkette des Hamburger Hafenrands), wodurch die Tertiärisierung der Volkswirtschaft auch in Altonas Stadtbild sichtbar wird: an die Stelle der fischverarbeitenden Industrie treten vor allem Bürokomplexe, Gastronomie und Freizeiteinrichtungen - und das nicht nur am Fluss: Reemtsma, British American Tobacco (BAT), Gartmanns Schokoladenfabrik, Holsatia-Holzverarbeitung, Margarine-Union und Essig-Kühne in Bahrenfeld, Zeise (Schiffsschraubenguss), Menck&Hambrock (Baggerherstellung) oder Aal-Friedrichs in Ottensen und die Elbschlossbrauerei in Nienstedten gehören zu den großen gewerblichen Arbeitgebern, die ihre Produktionsstätten in den letzten Jahrzehnten aufgegeben oder verlagert haben.
Politisch ist das Nachkriegs-Altona durch seine soziale Mischung aus innerstädtischen Arbeiter- und peripheren großbürgerlichen Wohnquartieren relativ heterogen – mit einer seit den 60er Jahren tendenziell abnehmenden sozialdemokratischen Dominanz. Zu Altona gehören einige von Hamburgs reichsten Stadtteilen, aber auch einige der einkommensschwächsten: mittlere Einkünfte pro Steuerpflichtigem 1998 in Othmarschen 81.149 € bei einem Sozialhilfeempfängeranteil von 0,9%, in Altona-Altstadt 23.599 € und 14,7%.
Seit Anfang der 1980er Jahre sind, bedingt durch die bauliche Aufwertung (Gentrifizierung) und die Entstehung diverser Milieus und Subkulturen vor allem in Ottensen und Altona, neue Präferenzen hinzugetreten, was sich unter anderem in grün-alternativen Bezirkswahlergebnissen von bis zu 22% (1997) äußert. Hamburgs erste formelle rot-grüne Koalition (1994–1997) entsteht ebenso in Altona wie die erste schwarz-grüne Kooperation (seit 2004).
Das Fortbestehen der historisch gewachsenen Offenheit und Toleranz drückt sich gleichermaßen in einem überproportionalen Immigrantenanteil an der Wohnbevölkerung (1998: 17,4% ggüb. 15,9% in ganz Hamburg) aus wie im Wiedererstarken eines spezifischen Altonaer Selbstverständnisses bis hin zu sezessionistischen Kräften ("Altonaer Freiheit"): 1989 hielt zum ersten Mal seit 1863 ein Abgeordneter wieder eine Rede auf Dänisch in der Bezirksversammlung.
Anlässlich der Durchfahrt eines britischen U-Bootes nach Hamburg erklärt die Bezirksversammlung 1983 den Bezirk Altona zur atomwaffenfreien Zone. 
33529 
300 Altona, Manitoba, Canada  -97.55  49.1  Altona (2006 population 3,709.)is a predominantly Mennonite community in southern Manitoba about 100 km south-west of Winnipeg and 133 km north of Grand Forks, North Dakota.
It is called "The Sunflower Capital Of Canada", and is host to the annual Sunflower Festival.
Altona was the site of the Rhineland Consumers Co-operative (founded 1931), the Altona Service Co-op (founded 1937) and the Altona Credit Union (founded 1939). These co-operative enterprises were a highly effective local response to the devastating impact of the Great Depression on local farmers' incomes. Jake Siemens played an important role in their development, and the growth of the co-operative movement in southern Manitoba.
The first Mennonite Central Committee Thrift Shop was founded in Altona in 1972. Staffed by volunteers, MCC Thrift stores now contribute about $4M annually to MCC projects. 
155 
301 Altorf, Alsace, France  7.529167  48.523056  Altorf is een gemeente in het Franse departement Bas-Rhin (regio Elzas) en telt 1156 inwoners (2005). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Molsheim.
Histoire
L'origine communément admise du nom d'Altorf est la forme Alt-dorf (vieux village) dont l'ancienne graphie est encore visible avant la seconde guerre mondiale. Néanmoins, la graphie Altorf ou Altorff plus ancienne n'écarte pas vraiment la racine latine altum.
Le blason d'Altorf, d'azur et d'or, représente un crampon de piège à loup, voire une crosse d'évêque. Il est visible sur le menhir Lange Stein marquant la limite géographique avec le village voisin de Dorlisheim.
Altorf est située sur l'ancienne via romana reliant Strasbourg au col stratégique du Donon. Rapidement, l'histoire du village se confond avec celle de son abbaye bénédictine, fondée en 974 par Hugues III d'Eguisheim. La chapelle est consacrée peu après, sous la houlette de Maïeul, évêque de Cluny.
En 1079, le pape saint Léon IX, issu de la puissante famille d'empire Eguisheim-Dabo consacre un autel à Saint Cyriaque, qu'il dota de reliques (bras du saint). Le reliquaire de style oriental représentant un buste en bois polychrome est une des pièces majeures de l'abbaye (seconde partie du XIIe siècle).
L'abbaye est dotée, tout comme Steige et Marmoutier de nombreuses dépendances, ce qui la rend très prospère. Les églises de Barembach et Grendelbruch, pourtant relativement distantes, sont incorporées à l'abbaye d'Altorf par la bulle de 1192 du pape Celestin III, impliquant notamment le rattachement des dîmes. Ses propriétés le long de la rive droite de la Bruche s'étendant depuis le cours de la Rothaine jusque dans la plaine d'Alsace reviendront à l'Evêché de Strasbourg en 1226 à l'extinction de la lignée Eguisheim. Par ailleurs, les empereurs lui donnèrent le droit de battre monnaie (monnaie de Saint-Cyriaque). Ce privilège fut transféré au XIIIe siècle à Dachstein puis Molsheim.
Le rayonnement culturel de l'abbaye conduisit à l'établissement d'une université, qui sera par la suite transférée à Molsheim dans le giron chartreux, avant d'être également déplacée pour constituer l'université de Strasbourg. L'architecte et érudit Johannes Christophorus Sturm fut recteur de l'université d'Altorf jusqu'en 1719.
La puissance économique et culturelle valut à Altorf quelques coups de sang : en 1262 où le village et le couvent sont incendiés par des strasbourgeois en révolte contre l'évêque Walter, en 1525 lors d'une jacquerie qui mit à sac l'abbaye (révolte des rustauds), et enfin un siècle plus tard pendant la guerre de Trente Ans.
L'épopée des Rustauds, qui prit naissance un peu partout dans le Saint-Empire, se cristallisa en Basse-Alsace autour d'Altorf, Dorlisheim et Boersch. Les chefs du mouvement Erasme Gerber et Georg Ittel respectivement de Molsheim et de Rosheim établirent avec une troupe de 1500 hommes leur quartier général à Altorf, d'où la contagion gagna toute la province en une semaine, avec des troupes pillant des couvents et rudoyant des juifs.
Le saccage de l'abbaye d'Altorf en particulier eut un retentissement considérable, cet épisode étant rapporté par une gravure de Matthias Grünewald. La révolte fut finalement réprimée quelques semaines plus tard, le 20 mai 1525 par le Duc Antoine de Lorraine, avec 18 000 morts du côté des insurgés.
A l'occasion de la guerre de Trente Ans, des troupes suédoises stationnèrent dans le village. On notera à cet égard qu'Altorf a constitué un point d'ancrage dans la reconquête de la Contre-Réforme catholique, reconquête qui avait déjà été préparée par l'ouverture d'un collège de jésuites à Molsheim en 1580. L'épitaphe de l'abbé Matern rappelle qu'il réussit en 1686 à ramener les habitants de la commune de Duttlenheim à l'Eglise romaine et les faisant quitter "la secte de Luther".
Cette période de guerre fut assurément difficile pour la population, si on en juge par le fait que la riche abbaye dut mettre en gage la crosse abbatiale en 1637 et ne fut en mesure de la récupérer que 20 ans plus tard.
L'abbaye et ses dépendances furent reconstruites à diverses reprises, les dernières en date étant au XVIIIe siècle (reconstruction des bâtiments conventuels et du transept à partir de 1715 par le maître baroque Peter Thumb, construction de l'orgue par André Silbermann en 1723) et plus récemment en 1991 une restauration complète lors du ministère du curé Henri Host et sous la houlette du service des Monuments Historiques.
En 1791, l'abbaye est dissoute par les révolutionnaires, les bénédictins sont contraints de partir. Le tympan roman sur la porte principale est détruit à cette période ; il sera remplacé en 1886 par le sculpteur Eugène Dock. Tous les bâtiments constituant l'abbaye sont rasés au XIXe siècle, hormis l'aile de l'abbé, qui fera plus récemment office de presbytère.
L'église est protégée par les Monuments Historiques en 1932, inscrite en 1937 et classée en 1983.
En 2000, le linteau de la porte du village (Klostermauer), endommagé en 1965, est restauré. En 2001, la Grange de la Dîme (Zehntelschir) également, pour devenir une médiathèque. En 2004, les jardins de l'abbaye (hortus, herbarium, pomarium) sont restaurés, aménagés et ouverts à la visite du public. 
36217 
302 Altötting, Bayern, Deutschland  12.676389  48.226389  Altötting ist die Kreisstadt des gleichnamigen Landkreises im Regierungsbezirk Oberbayern und liegt etwa 90 Kilometer östlich von München. Überregionale Bedeutung erfährt die Stadt als Wallfahrtsort (Schwarze Madonna).
Geografie
Die Stadt hat sich am Mörnbach auf einer ausgedehnten Hochschotterterrasse angesiedelt. Diese wurde in eisgrauer Vorzeit durch die Abflüsse des gewaltigen Inngletschers in jahrtausendelanger Arbeit aufgeschichtet. Drei Kilometer gegen Norden entfernt ist der Fluss Inn und zwei Kilometer südlich zieht in gleicher Richtung mit dem Strom ein gewaltiger Moränenschuttwall, dessen breiter Rücken stattliche Bauernhöfe trägt. Sie sind als Kastler Höhen bezeichnet. Seit der Eingemeindung der Gemeinde Raitenhart am 1. Januar 1972 in die Stadt Altötting liegt ein Stück des Inn mit ca. drei Kilometern Länge im Bereich der Stadt Altötting.
Geschichte
Kelten, Römer, Bajuwaren
Anfänge einer Siedlung lassen sich durch Funde in die Zeit der Urnenfelderkultur (ca. 1250 bis 750 v. Chr.) einordnen, wobei für die Anlage der Siedlung das umliegende Weidegebiet, die fischreichen Gewässer und der angrenzende Wald mit seinen Jagdmöglichkeiten die wichtigsten Voraussetzungen bildeten. Die Grabfunde der Urnenfelderzeit im Norden der Stadt und die bajuwarischen Reihengräber im Süden begrenzen einen Platz, der sich im Laufe eines Jahrtausends weniger durch seine Siedlungskontinuität als vielmehr durch seine Bedeutung als möglicher Kultort auszeichnet. Die fast quadratische Form des alten Kapellplatzes mit seiner hölzernen Umfriedung und die in der Mitte stehende Linde verweisen entweder auf eine Keltenschanze mit Kultbedeutung oder auf einen altgermanischen Dingplatz als Versammlungsort und Gerichtsstätte.
Neben dieser Kultgewichtigkeit wuchs aber auch die wirtschaftliche Bedeutung mit dem Ausbau der Salzausfuhr aus Hallein und Reichenhall in der Keltenzeit und der Anlage eines Kunststraßennetzes durch die Römer. Die Nähe zum alten Innübergang bei Ehring-Töging und zum dortigen Kreuzungspunkt der Verbindungsstraßen Juvavum (Salzburg) - Castra Regina (Regensburg) und Augusta Vindelicum (Augsburg) Ovilava (Wels) bzw. Batavis (Passau) rückte den alten Kultort mit seiner bescheidenen Siedlung auch mehr und mehr in das Blickfeld strategisch-militärischer Überlegungen. Diese Entwicklung, verbunden mit der geographischen Lage genau in der Mitte des sich ausbildenden agilolfingischen Herzogtums in Altbayern, führte zur ersten urkundlichen Erwähnung von Ötting als »villa publica« im Jahre 748 mit der Bezeichnung »Autingas«.
Mittelalter
Im frühen Mittelalter erscheint Autingas als Bezeichnung für die heutige Stadt. Erst seit der Gründung Neuöttings (wohl im Jahr 1224), verwendet man die Bezeichnung Altötting. Bereits 748 war der Ort eine Pfalz der Agilolfinger Herzöge von Baiern.
Vierzig Jahre später wurde Altötting karolingische Königspfalz. Aus dieser Zeit stammt vermutlich auch der älteste Bau der heutigen Wallfahrtskirche.
In den Jahren 876/877 stiftete König Karlmann ein Kloster in Altötting, in dem er auch begraben wurde. Unter den Wittelsbachern wurde ein Chorherrenstift in Altötting gegründet. Als Anfang des 13. Jahrhunderts die Salzstraße von Venedig nach Nürnberg nach und nach an den Inn verlegt wurde, gründeten die Wittelsbacher Neuötting mit Stadt- und Münzrecht. 
36463 
303 Alverdissen, Lippe, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  9.116667  51.983056  Geschichte
Barntrup und Alverdissen sind städtische Gründungen der Grafen von Sternberg, deren Territorium im Jahre 1220 von dem Herrschaftsgebiet der Schwalenberger Grafen abgetrennt wurde. Ursprünglich hieß Barntrup Barendorf und lag als frühe Siedlung am Schratweg, wo noch heute ein altes Katasterstück "Aule Kerke" heißt. Zwischen 1317 und 1359 entstand auf dem "Thornesberg", dem Hügelrücken, der sich von Osten nach Westen in das obere Begatal hineinschiebt, ein neues Berninctorp, das planmäßig als Siedlung auf der höchsten Stelle des 189 m hohen Bergrückens angelegt wurde und mit seinem Dreistraßensystem den alten Kern des heutigen Barntrups bildet. 
33585 
304 Alverna, Wijchen, Gelderland  5.75833333333333  51.8033333333333  Alverna is een kerkdorp in de Gelderse gemeente Wijchen, gelegen tussen Grave en Nijmegen. Het dorp is vernoemd naar La Verna in Toscane, de berg waar Franciscus van Assisi stigmata ontving.
Het dorp telt drie kloosters, waarvan er een ook La Verna heet. Het dorp bezit een molen uit 1887 waarvan het authentieke gangwerk nog geheel intact is. De naam van de molen, 'Schoonoord', heeft ook alles te maken met het oorspronkelijk religieuze karakter van het dorp. De molen wordt, maart 2006, geheel gerestaureerd in oorspronkelijke staat. Niet alleen de oorspronkelijke kleuren zijn teruggekeerd, ook het gestroomlijnde Van Bussselwieksysteem is geplaatst. Helaas staan er inmiddels zoveel bomen rond de molen dat over de westkant geen wind meer kan worden gevangen. Het maalwerk van de molen zal ook gerestaureerd worden, zodat na ruim 60 jaar stilstand weer 'Alvernees meel' gemalen kan worden. Voorts liggen er rond het dorp een kunstskibaan, een manege, een bowlingcentrum, en een golfbaan.
Alverna kwam in de publiciteit toen langs de toegangswegen plaatsnaamborden werden geplaatst die het dorp aanduidden met de gemeentenaam Wijchen. De Alvernezen bekladden de toegangsbordjes, tot de gemeente uiteindelijk besloot nieuwe bordjes langs de wegen te plaatsen met de naam Alverna. 
36592 
305 Alvord, Lyon County, Iowa, USA  -96.303715  43.342324  Alvord is a city in Lyon County, Iowa, United States. The population was 187 at the 2000 census.
Demographics
As of the censusGR2 of 2000, there were 187 people, 75 households, and 54 families residing in the city. The population density was 267.4/km² (684.8/mi²). There were 80 housing units at an average density of 114.4/km² (292.9/mi²). The racial makeup of the city was 100.00% White.
There were 75 households out of which 33.3% had children under the age of 18 living with them, 69.3% were married couples living together, 2.7% had a female householder with no husband present, and 26.7% were non-families. 25.3% of all households were made up of individuals and 14.7% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.49 and the average family size was 3.02.
In the city the population was spread out with 24.1% under the age of 18, 8.6% from 18 to 24, 27.8% from 25 to 44, 24.1% from 45 to 64, and 15.5% who were 65 years of age or older. The median age was 36 years. For every 100 females there were 94.8 males. For every 100 females age 18 and over, there were 94.5 males.
The median income for a household in the city was $38,750, and the median income for a family was $41,786. Males had a median income of $31,250 versus $20,625 for females. The per capita income for the city was $17,300. None of the families and 2.0% of the population were living below the poverty line, including no under eighteens and 16.7% of those over 64. 
1201 
306 Älvsbyn, Sverige  20.999507904052734  65.67546229289218  Älvsbyn is a town (pop. 5,000) in Norrbotten, Sweden and the seat of Älvsbyn Municipality, Norrbotten County.
Älvsbyn has a railway station that is served by trains running between Boden and Stockholm along the Swedish east coast. It also features a Youth Hostel with a small recreational park, including a swimming pool.
Älvsbyn är en tätort (köping) i Norrbotten samt centralort i Älvsbyns kommun i Norrbottens län.
Älvsbyn kallas "Norrbottens pärla" och är belägen vid Piteälven i södra Norrbottens län. Älvsbyn ligger i den s.k. fyrkanten i Norrbotten, 47 km söder om Boden, 65 km väster om Luleå och 50 km nordväst om Piteå. Den kända filmen Jägarna, som är baserad på ett verkligt fall av organiserad tjuvjakt i Norrbotten, är inspelad i Älvsbyn.
Orten har ofta kallast i landet vintertid och varmast i landet sommartid. Detta beror på att Älvsbyn ligger i en "gryta" med höga berg runt omkring. Avfolkning är ett problem för orten, som för många andra mindre samhällen. År 2005 hade invånarantalet minskat med 134 personer sedan tätortsavgränsningen 2000.
I Älvsbyn finns bland andra företagen Polarbröd, Älvsbyhus och Robotförsöksplats Norrland (RFN). 
884 
307 Alzey, Rheinland-Pfalz, Deutschland  8.11711349999996  49.74620119999999  Alzey (German pronunciation: ˈaltsaɪ ( listen)) is a Verband-free town – one belonging to no Verbandsgemeinde – in the Alzey-Worms district in Rhineland-Palatinate, Germany. It is the fourth-largest town in Rhenish Hesse, after Mainz, Worms, and Bingen.
Alzey is one of the Nibelungenstädte – towns associated with the Nibelungenlied – because it is represented in this work by the character Volker von Alzey. Hence, Alzey is also known as Volkerstadt.
The earliest traces of settlement in the Alzey area go back as far as the Neolithic. Alzey was founded as a vicus (village) in the Roman province of Germania Superior in the lands surrounding Mogontiacum (Mainz).
On a Nymphenstein ("nymph stone" – a kind of Roman altar stone). Alzey had its first documentary mention in 223 as Vicani Altiaienses ("Villagers of Alzey"). The name Altiaia could well come from as far back as an old, pre-Roman Celtic settlement's name used about 400 BC, although its exact origins have not been passed down to the present day. Over the ruins of the Roman vicus, which was destroyed about 350, a castrum was built about 390. In 406 and 407, the Burgundians, together with the Vandals, crossed the Rhine and settled in Mainz, Alzey and Worms as Roman confederates. The area was secured for them by treaty. In 436, the Burgundian kingdom was destroyed by the West Roman magister militum Flavius Aëtius with help from Hunnish troops. These events were worked into the Nibelungenlied, and form the origin of the legendary figure Volker von Alzey, the gleeman in the Nibelungenlied. After 450, Alzey passed to the Alamanni and the Franks when they took over the land. After Clovis I's death in 511, the Frankish Empire fell apart into separate smaller kingdoms, and Alzey became part of Austrasia, whose capital was at Metz. After unification of the Frankish kingdoms in the mid 8th century, Alzey passed in the 843 Treaty of Verdun to the Kingdom of the East Franks, a forerunner of the German Empire. In 897, Alzey was first mentioned as an Imperial fief.
12th century to early 20th century
In 1156, Alzey belonged to the Electorate of the Palatinate, and Konrad von Staufen attained the rank of Count Palatine in the Imperial castle, which had been completed in 1118. In 1277, Alzey attained the rank of town from Rudolf von Habsburg. In 1620, Count Spinola sided with the Catholic Emperor in the Thirty Years' War against the Protestant Electorate of the Palatinate and also conquered Alzey. In 1689, the town and the castle, under the French troops' scorched-earth policy, were burnt down in the Nine Years' War, when Louis XIV's armies had to leave areas conquered earlier. In 1798, areas west of the Rhine, among them those that until this time had been parts of the Electorate of the Palatinate, were annexed to France. Alzey belonged until 1814 to the Department of Mont-Tonnerre (or Donnersberg in German). In 1816, Alzey was attached to the Grand Duchy of Hesse. In 1909, the winemaking school (now the Landesanstalt für Rebenzüchtung) was founded. Its first head was Georg Scheu, after whom the grape variety Scheurebe is named.
Third Reich
On Kristallnacht (9 November 1938), the Alzey synagogue was destroyed and the fittings were burnt in front of the building. The ruin was torn down in the 1950s. A rescued Torah scroll can nowadays be found in the museum. On 8 January 1945, in World War II, the town narrowly missed being destroyed when 36 Boeing B-17 bombers had been sent to take out a railway bridge in Alzey. Owing to bad weather and a landmark misinterpretation – the crew mistook the top of the old watchtower for the church steeple – the bombers ended up dropping their load on the Wartberg, a nearby hill, giving rise to the legend of the Wartbergturm – the old tower – as Alzey's saviour.
Since 1945
Since 1947, Alzey has no longer been Hessian, but rather it became the seat of Alzey District in the newly formed state of Rhineland-Palatinate.
Since the merger of the old Alzey and Worms Districts in 1969, Alzey has been the seat of the new Alzey-Worms District and the seat of the Verbandsgemeinde of Alzey-Land, although as a Verband-free town, it does not actually belong to the Verbandsgemeinde.
Amalgamations
On 22 April 1972, the formerly autonomous centres of Weinheim, Heimersheim and Dautenheim were amalgamated with Alzey. The outlying centre of Schafhausen had already been a Stadtteil (constituent community) of Alzey since the Middle Ages.
Source: Wikipedia 
142131 
308 Amagansett, Suffolk, New York, USA  -72.14368839999997  40.9737117  Amagansett /ˌæməˈɡænsət/ is a census-designated place that roughly corresponds to the hamlet by the same name in the Town of East Hampton in Suffolk County, New York, on the South Shore of Long Island. As of the 2010 United States Census, the CDP population was 1,165. Amagansett hamlet was founded in 1680.
The area is sometimes referred to as Skimhampton. However this specifically refers to the area south of the Montauk Highway along Skimhampton Road. The artist Childe Hassam, who lived on Egypt Lane in East Hampton village, painted the area during the late 19th and early 20th centuries. Portions of Skimhampton and the area on the northwest side of Amagansett hamlet are within the census-designated place of East Hampton North.
Amagansett derives its name from the Montaukett name for "place of good water" from a water source near what today is Indian Wells beach.
Unlike the rest of the Hamptons, Amagansett was initially settled by the Baker, Conklin, and Barnes families, descendants of English settlers, and the Dutch brothers Abraham and Jacob Schellinger, the sons of a New Amsterdam merchant who moved to East Hampton between 1680 and 1690 after the English took over New Amsterdam.
During Operation Pastorius, a failed Nazi attack on the United States staged in June 1942, during World War II, four German spies were dropped off from a submarine on Atlantic Avenue beach in Amagansett, where they made their way to the village's Long Island Rail Road station and boarded a train for New York. A Coast Guardsman assigned to watch the beach noticed the suspicious strangers on the beach and notified the police and the FBI. In the spring of 2007 the original Coast Guard station, which had been moved to a private residence in 1966 to protect it from demolition, was moved back to near its original location at Atlantic Avenue beach. The Coast Guard barracks are now part of the East Hampton Town Marine Museum which includes exhibits from the town maritime history, including whaling relics and a cannon from the American Revolution ship HMS Culloden which ran aground at Montauk.
In 1998 President Bill Clinton, who was vacationing in East Hampton, gave a Saturday radio address from the Amagansett Fire House. On the same visit, Alec Baldwin and Kim Basinger hosted a dinner for the President at their home in the Stony Hill section of the hamlet. In 1999 President Clinton made his second visit to Amagansett and found time to play a round of golf at South Fork Country Club. He was joined by local prodigy Matthew Scott. When asked about his experience with the nation's 42nd president, Scott replied, "He was taller than I expected, which I didn't appreciate."
Amagansett includes a section of Further Lane, which is a block from the ocean, and has one of the biggest collections of mansions in East Hampton. In 2007, one of the estates sold for $107 million, the highest price for a private residential property. As part of the settlement, several 18th and 19th century buildings which had been moved to the estate to prevent demolition were moved elsewhere in the town—including five that were moved to form a campus for the East Hampton town government.
"Amagansett", a pictorial history of the hamlet, was published in 1997 by Carleton Kelsey, longtime director of the Amagansett Free Library and former town clerk, and Lucinda Mayo, descendant of one of Amagansett's 17th century founders.
Many houses and other buildings still stand from the 19th and even 18th century in Amagansett, Montauk, the Hamptons and other Long Island communities.
Source: Wikipedia 
141314 
309 Amaicha del Valle, Tucumán, Argentina  -65.91796875  -26.58416745790395  Tafí del Valle Department is a department in Tucumán Province, Argentina. It has a population of 13,883 (2001) and an area of 2,741 km². The seat of the department is in Tafí del Valle.
Municipalities and communes
* Amaichá del Valle
* Colalao del Valle
* El Mollar
* Tafí del Valle
Tafí del Valle es un departamento ubicado en el noroeste de la provincia de Tucumán (Argentina). Limita al norte con la provincia de Salta, al este con los departamentos Trancas, Tafí Viejo, Lules y Famaillá, al sur con el departamento Monteros, y al oeste con la provincia de Catamarca.
El relieve es prácticamente montañoso en su totalidad con la presencia de dos grandes valles, el de Tafí y el del Yocavil, este último perteneciente al conjunto denominado Valles Calchaquíes.
En su territorio tienen asiento tres de los más importantes destinos turísticos de la provincia: Tafí del Valle, El Mollar y las Ruinas de Quilmes. 
66614 
310 Amastris, Paphlagonia, Asia Minor, Turkiye  33.69232177734375  41.795888098191426  Paphlagonia was an ancient area on the Black Sea coast of north central Anatolia, situated between Bithynia and Pontus, and separated from Phrygia (later, Galatia) by a prolongation to the east of the Bithynian Olympus. According to Strabo, the river Parthenius formed the western limit of the region, and it was bounded on the east by the Halys river.
Although the Paphlagonians play scarcely any part in history, they were one of the most ancient nations of Anatolia (Iliad, ii. 851—857).
In the time of the Hittites, Paphlagonia was inhabited by the Kashka people, whose exact ethnic relation to the Paphlagonians is uncertain. It seems perhaps that they were related to the people of the adjoining country, Cappadocia,clarify who were speakers of one of the Anatolian branch of the Indo-European languages. Their language would appear, from Strabo's testimony, to have been distinctive.
Paphlagonians were mentioned by Herodotus among the peoples conquered by Croesus, and they sent an important contingent to the army of Xerxes in 480 BC. Xenophon speaks of them as being governed by a prince of their own, without any reference to the neighboring satraps, a freedom perhaps due to the nature of their country, with its lofty mountain ranges and difficult passes. All these rulers appear to have borne the name Pylaimenes as a sign that they claimed descent from the chieftain of that name who figures in the Iliad as leader of the Paphlagonians. 
62794 
311 Ambach, Bayern, Deutschland  11.106838703417452  48.650244674040856  Münsing ist eine Gemeinde, die im oberbayerischen Landkreis Bad Tölz-Wolfratshausen am Starnberger See liegt.
Ortsteile
* Münsing
* Holzhausen
* Reichenkam
* Degerndorf
* Ammerland
* Wimpasing
* Ambach
* St. Heinrich: mit großem Campingplatz und zwei sehr ausgedehnten Badearealen
* Weipertshausen
Geschichte
Münsing wurde um 550 durch einen Sippenältesten Namens "Munigis" gegründet. Im Laufe der Zeit änderte sich der Name über Munigisingen bis zum heutigen Namen. Münsing war später ein Teil der geschlossenen Hofmark Ammerland der Grafen von Baumgarten. Die Gemeinde wurde 1818 im Zuge der Verwaltungsreformen in Bayern eine selbstständige politische Gemeinde. 
64219 
312 Ambalangoda, Sri Lanka  80.0553560256958  6.2321574578222325  Ambalangoda is a big town. It's located in Galle District, Southern Province, Sri Lanka, governed by an Urban Council. The town is famous for its anicent devil masks and devil dancers
Ceylon (VOC-gebied)
Ambalangoda was een kleine VOC buitenpost aan de zuidwestkust in de omgeving van Galle. Hier richtte de VOC rond 1750 een school en een kerkgebouw op. Er waren kalkovens waar koraal verwerkt werd tot kalk. Deze grondstof diende tot de vervaardiging van bakstenen voor de VOC.
Historisenaam: Amblangodde, Amblagedde, Amblagodde, Amblangoda, Amblangode, Amblangodoe
http://www.atlasofmutualheritage.nl/detail.aspx?page=dpost&lang=nl&id=144 
132432 
313 Ambarawa, Jawa Tengah, Indonesia  110.40900993451942  -7.251392992092218  Kecamatan Ambarawa terletak di Kabupaten Semarang, Jawa Tengah. Kecamatan ini luasnya sekitar 5.611 hektare. Penduduknya sebesar 80.801 jiwa dan kepadatannya adalah 14 jiwa per ha.
Pada era kerajaan kerajaan Mataram (Amangkurat II) kawasan ini bernama Limbarawa. Dulu Ambarawa pernah menjadi ibu kota Kabupaten Semarang. Sekarang ibu kotanya adalah Ungaran. Ambarawa juga disebut sebagai kota Palagan Ambarawa, dan terdapat Musium Palagan Ambarawa, Musium Kereta Api Ambarawa dan Benteng Williem II.
Lodoyong
Lodoyong terletak di tengah kota Ambarawa, terdiri dari beberapa kampung (RW), yaitu Pandean, Sanggrahan, Lodoyong, Warung Lanang dan Bugisan. Kampung Pandean merupakan sentra pandai besi yang memproduksi alat-alat pertanian secara tradisional. Sampai sekarang industri kecil ini masih bertahan, meskipun jumlahnya semakin menyusut dari tahun ke tahun.Di Pandean dulu juga ada pabrik payung kertas terbesar di Jawa Tengah, tetapi sekarang sudah tutup. Kelurahan Lodoyong berbatasan dengan desa Panjang di sebelah barat, desa Kranggan di sebelah utara, desa Kupang di sebelah Timur dan desa Pojoksari di sebelah selatan. Di Kelurahan Lodoyong ada toko dan pabrik roti yang cukup terkenal yaitu toko Pauline di Jl Sudirman, jalan raya Semarang-Yogya. Kantor Kelurahan Lodoyong terletak di Pandean,depan Kantor Yayasan Gotong Royong Ambarawa.Beberapa sekolah yang ada di Lodoyong antara lain: SDN Lodoyong I, SDN Lodoyong II,SD Kanisius Lodoyong, SDN Lodoyong III, SMPN 2 Ambarawa, SMP Mater Alma, SMP Pangudi Luhur, dan STM Dr. Cipto. SDN Lodoyong II dulunya adalah sekolah untuk anak-anak etnis Tionghoa yang disebut Tjong Hwa Tjong Hwe (THTH) (deket omah e mas Iyus, om Dedi alias Mr TB). Dulu di situ sering diadakan perayaan tradisional Tionghoa yang melibatkan Barongsai. Di wilayah kelurahan Lodoyong juga berdiri Rumah Sakit Umum (RSU)Ambarawa dan Markas Batalyon Kavaleri dengan lapangannya yang sekarang ada patung Jendral Sudirman. Di lapangan itu setiap tahun diadakan upacara untuk memperingati Hari Infanteri, yang merujuk pada peristiwa perang besar antara TNI dengan sekutu di bulan Desember 1945. 
64442 
314 Amberg, Bayern, Deutschland  11.848333  49.444444  Amberg ist eine kreisfreie Stadt im Regierungsbezirk Oberpfalz in Ostbayern. Die historische Stadt Amberg, die zu den besterhaltenen mittelalterlichen Stadtanlagen Europas zählt, liegt rund 60 Kilometer östlich von Nürnberg an der Vils und ist gemeinsam mit Weiden Sitz einer Fachhochschule.
Amberg ist auch der Sitz des Landratsamtes für den Landkreis Amberg-Sulzbach.
Geschichte
Amberg wurde 1034 als Ammenberg zum ersten Mal urkundlich erwähnt.
Im Mittelalter war es ein bedeutender Umschlagplatz für Eisen und Eisenerz. Die Oberpfalz gilt als das Ruhrgebiet des Mittelalters. Im Amberger Land wurde Eisen abgebaut und über die Vils nach Regensburg verschifft. Auf der Rückfahrt – die Schiffe wurden von Pferden flussaufwärts getreidelt – war Salz geladen. Relikte des Salzhandels sind heutige Straßennamen wie Salzstadelplatz.
Ab 1269 kam es unter die Herrschaft der Wittelsbacher und wurde später Hauptstadt der oberen Pfalz, die zusammen mit der unteren Pfalz (Hauptstadt Heidelberg) von einer Nebenlinie der Wittelsbacher regiert wurde. Von 1294 ist das erste Stadtrecht bekannt. Nach Einführung der Reformation stand Amberg unter kurpfälzischer Hoheit. Von 1595 bis 1620 wurde die Oberpfalz durch den pfälzischen Statthalter Fürst Christian I. von Anhalt-Bernburg regiert, der seinen Amtssitz in Amberg hatte.
Während des Dreißigjährigen Kriegs fiel Amberg 1620 an Bayern und wurde mit der Oberpfalz wieder katholisch, nachdem der pfälzische Kurfürst und böhmische König Friedrich V. von der Pfalz 1620 in der Schlacht am Weißen Berg den mit Maximilian von Bayern verbündeten Habsburgern unterlegen war. In der Folge flohen viele Protestanten in die freien Reichsstädte Nürnberg und Regensburg.
Amberg, durch Eiserzbergbau reich geworden, leistete sich eine gigantische Stadtbefestigung. Sie muss in der damaligen Zeit so furchteinflößend gewesen sein, dass sie bis 1703 (im spanischen Erbfolgekrieg wird Amberg nach mehrwöchiger Belagerung durch kaiserliche Truppen besetzt) nie ernsthaft belagert wurde. Über 100 Türme und mehrere Kilometer zweireihige Stadtmauern beschützten die Amberger. Die ganze Stadt wurde durch den stets gefüllten und aufgestauten Stadtgraben zu einer Wasserfestung. Der Chronist Michael Schwaiger schrieb in seiner Chronica Amberg 1564: „München seyn die schönst, Leipzig die reichist, Amberg die festeste Fürstenstatt“.
1796 wurde die Stadt einer der Mittelpunkte der Koalitionskriege, ging als Schlacht bei Amberg in die Geschichtsbücher ein. Erzherzog Karl von Österreich besiegt das französische Heer unter General Jourdan.
Im Jahre 1810 wurde der Regierungssitz der Oberpfalz von Amberg nach Regensburg verlegt. Der Anschluss an das bayerische Eisenbahnnetz erfolgte im Jahre 1859.
In der Zeit des Nationalsozialismus stellte sich die Stadt Amberg gegenüber der Situation im gesamten Land nicht als Ausnahme dar. Da die Mehrheit der Bevölkerung aus praktizierenden Katholiken bestand, und die katholische Kirche den nationalsozialistischen Machthabern teilweise mit Misstrauen begegnete, erzielte die NSDAP bis 1933 in Amberg zugunsten der kirchennahen BVP geringere Wahlerfolge als im Landesdurchschnitt; nach der Machtergreifung 1933 erzielten die Nationalsozialisten bei Abstimmungen allerdings jeweils vorhersehbare Zustimmungsquoten in Höhe von 90%. Gegen kirchenfeindliche Aktionen der Nazis regte sich denn auch der Widerstand der Amberger Bürger, etwa 1941 bei einer Protestdemonstration von ca. 500 Personen gegen den „Kruzifixerlass“ des Kultusministers, durch den die Kruzifixe aus den Schulen entfernt werden sollten. Andererseits wurden die Maßnahmen des Regimes gegen die Bevölkerungsgruppe, die am meisten unter Verfolgung zu leiden hatte, nämlich die Juden, vom Großteil der christlichen Einwohnerschaft ohne jeglichen Protest hingenommen. 1933 lebten in Amberg noch 64 Juden. Diese kleine jüdische Gemeinde, nur 0,2 % der Bevölkerung, war bis zum Mai 1943 vollständig zerschlagen worden: siebzehn Amberger Juden wanderten aus, dreiundzwanzig verzogen in andere deutsche Städte, elf starben in Amberg. Von den übrigen dreizehn wurden viele in die Ghettos Theresienstadt und Piaski bei Lublin deportiert.
Die Stadt beherbergte in der Zeit von 1932 bis 1945 eine große Garnison. Vor allem Artillerie-Truppenteile lagen in der Stadt, aber auch das Wehrbezirkskommando.
Nach dem Ende des Zweiten Weltkrieges 1945 gehörte Amberg zur Amerikanischen Besatzungszone. Am 1. Juli 1972 wurden im Zuge der Gebietsreform die Orte Ammersricht, Gailoh, Karmensölden und Raigering eingemeindet. 1995 wurden in der ehemaligen Kaiser-Wilhelm Kaserne der Amberger Teil der FH Amberg-Weiden eröffnet. 
32362 
315 Amberloup, Luxembourg, België  5.524964332580566  50.02851957051814  Amberloup (Waals: Amberlou) is een dorp in de Belgische provincie Luxemburg en een deelgemeente van Sainte-Ode. Amberloup heeft een oppervlakte van 20,80 km².
Amberloup is gelegen in de Ardennen aan de Westelijke Ourthe op 8 kilometer ten oosten van Saint-Hubert (België). Het grondgebied bestaat voor ongeveer een derde uit bos. In de deelgemeente liggen verder nog de gehuchten Tonny, Sprimont, Herbaimont, Fosset en Menil. De N4, de weg van Namen naar Luxemburg passeert ten oosten van de dorpskern in het gehucht Barrière Hinck.
Amberloup is een landbouwdorp en er is wat toerisme. Het dorp is bekend door de vakantiekampen van de Christelijke Mutualiteit.
Geschiedenis
Amberloup was reeds vroeg bewoond. Er werden resten ontdekt van een Romeins oppidum. De oprichting van de parochie stamt uit de Merovingische tijd en zij omvatte een uitgestrekt gebied.
Bij de vorming van de heerlijkheden kwam Amberloup in het bezit van het graafschap Salm. Amberloup werd de hoofdplaats van een meierij en viel onder de proosdij Bastenaken. De meierij werd verscheidene malen verder verkocht en was eigendom van verscheidene opeenvolgende families.
Bij de oprichting van de gemeenten in 1795 werd Amberloup een zelfstandige gemeente. In 1823 werd de opgeheven gemeente Tonny aangehecht. In 1977 werd de nieuwe fusiegemeente Saint-Ode opgericht na het samenvoegen van Amberloup, Lavacherie en Tillet.
Bezienswaardigheden
* De Sint-Martinuskerk waarvan de fundamenten teruggaan tot de 3e eeuw toen op die plaats een heidense tempel stond. De huidige kerk dateert van 1734 en in 1828 werd de kerk vergroot. 
66993 
316 Ambon, Indonesia  128.166667  -3.7  Ambon is een eiland in de Indonesische eilandengroep de Molukken, vlakbij het eiland Ceram en behoort bestuurlijk tot de provincie Molukken of Zuid-Molukken. Het heeft een oppervlakte van 761 km² en het hoogste punt is 1038 meter. Er wonen ruim 300.000 mensen op het eiland. De belangrijkste stad op het eiland heet eveneens Ambon.
Geschiedenis
* 25 maart 1576 - 23 februari 1605: De Portugezen vestigen zich op Ambon.
* In 1600 ontstaat in Kaitetu vlakbij Hila de eerste Nederlandse nederzetting op Ambon.
* 22 februari 1605: Tweede Nederlandse expeditie naar Ambon. Het Portugese fort bij Hila baai wordt hernoemd naar Fort Victoria.
* Tussen 1611 en 1619 is Ambon is de plaats waar de Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië is gevestigd. (Vanaf 1619 wordt dit Batavia.)
* In 1637 wordt Fort Amsterdam gebouwd aan de Hila Baai.
* Tussen 1796 en 27 maart 1802 is Ambon bezet door de Britten.
* Tussen 9 februari 1810 en 30 mei 1814 is Ambon opnieuw bezet door de Britten.
Talen
Op Ambon worden er volgens taalkundigen acht talen gesproken. De meest gesproken taal is het Ambonees of Ambonees Maleis, een op het Maleis gebaseerde creoolse taal. Het Bahasa Indonesia (Indonesisch) wordt niet als moedertaal door de oorspronkelijke bevolking zelf gesproken, maar als lingua franca en door immigranten uit vooral Java. De andere zes talen behoren allemaal tot de Centraal-Molukse talen:
* Asilulu
* Hitu
* Laha
* Larike-Wakasihu
* Seit-Kaitetu
* Tulehu
Ambon Island is part of the Maluku Islands of Indonesia. The island has an area of 775 km² (300 sq mi.), and is mountainous, well watered, and fertile.
Ambon City
The main city and seaport is Ambon City (1990 pop. 275,888), which is also the capital of Maluku province. Ambon City has an airport, and is home to the Pattimura University, a state university, and few private universities.
Geography
Ambon Island lies off the south-west coast of the much larger Seram island. It is on the north side of the Banda Sea, part of a chain of volcanic isles that form a circle around the sea. It is 51 km (32 miles) in length, and is of very irregular shape, being almost divided into two. The south-eastern and smaller portion, a peninsula (called Leitimor) is united to the northern (Hitoe) by a narrow neck of land. Ambon City lies on the north-west of Leitimor, facing Hitoe, and has a safe harbor on Amboyna Bay.
The highest mountains, Wawani (1100 m/3609 ft) and Salahutu (1225 m/4020 ft.), have hot springs and solfataras. They are volcanoes, and the mountains of the neighboring Uliasser islands, extinct volcanoes. Granite and serpentine rocks predominate, but the shores of Amboyna Bay are of chalk, and contain stalactite caves.
Wild areas of Ambon Island are covered by tropical rainforest, part of the Seram rain forests ecoregion, together with neighboring Seram. Seram, Ambon, and most of Maluku are part of Wallacea, the group of Indonesian islands that are separated by deep water from both the Asian and Australian continents, and have never been linked to the continents by land.
As a result of this isolation, Ambon has few indigenous mammals; birds are more abundant. The insect diversity of the island, however, is rich, particularly in butterflies. Seashells are obtained in great numbers and variety. Tortoise-shell is also exported.
Climate
The average temperature is 80 F., rarely sinking below 72. Rainfall can be heavy, especially after the eastern monsoons, and the island is vulnerable to violent typhoons. The dry season (October to April) is coincident with the period of the west monsoon.
Economy
Maize and sago are the chief crops, which also include breadfruit, sugarcane, coffee, cocoa, pepper and cotton. and hunting and fishing supplement the diet. Nutmeg and cloves, were once the dominant export crops, and are now produced in limited quantities. Copra is also exported. Amboina wood, obtained from a local tree (Pterocarpus indicus), is highly valued for ornamental woodwork, is now mostly grown on Seram.
Demographics
The Ambonese are of mixed Malay-Papuan origin. They are mostly Christians or Muslims. The predominant language of the island is Ambonese Malay, also called Ambonese. It developed as the trade language of central Maluku, and is spoken elsewhere in Maluku as a second language. Bilingualism in Indonesian is high around Ambon City. There are strong ethnic tensions on the island between Muslims and Christians.
History
In 1513, the Portuguese were the first Europeans to land in Ambon, and it became the new centre for Portuguese activities in Maluku following their expulsion from Ternate. The Portuguese, however, were regularly attacked from native Muslims on the island's northern coast, in particular Hitu, which had trading and religious links with major port cities on Java's north coast. They established a factory in 1521, but did not obtain peaceable possession of it until 1580. Indeed, the Portuguese never managed to control the local trade in spices, and failed in attempts to establish their authority over the Banda Islands, the nearby centre of nutmeg production.
The Portuguese were dispossessed by the Dutch in 1609. Ambon was the headquarters of the Dutch East Indies Company (VOC) from 1610 to 1619 until the founding of Batavia (now Jakarta) by the Dutch. About 1615 the British formed a settlement on the island at Cambello, which they retained until 1623, when it was destroyed by the Dutch. Frightful tortures inflicted on its unfortunate inhabitants were connected with its destruction. In 1654, after many fruitless negotiations, Oliver Cromwell compelled the United Provinces to give the sum of 300,000 gulden, as compensation to the descendants of those who suffered in the "Ambon Massacre", together with Manhattan. In 1673 the poet John Dryden produced his tragedy Amboyna; or the Cruelties of the Dutch to the English Merchants. In 1796 the British, under Admiral Rainier, captured Ambon, but restored it to the Dutch at the peace of Amiens, in 1802. It was retaken by the British in 1810, but once more restored to the Dutch in 1814. Ambon used to be the world center of clove production; until the nineteenth century, the Dutch prohibited the rearing of the clove-tree in all the other islands subject to their rule, in order to secure the monopoly to Ambon.
During the Dutch period, Ambon City was the seat of the Dutch resident and military commander of the Moluccas. The town was protected by Fort Victoria, and a 1911 encyclopedia characterized it as "a clean little town with wide streets, well planted". The population was divided into two classes orang burger or citizens, and orang negri or villagers, the former being a class of native origin enjoying certain privileges conferred on their ancestors by the old Dutch East India Company. There were also, besides the Dutch, some Arabs, Chinese and a few Portuguese settlers.
Ambon City was the site of a major Dutch military base, which was captured from Allied forces by the Japanese in the Battle of Ambon (1942), during World War II. The battle was followed by the summary execution of more than 300 Allied POWs, in the Laha massacre.
Indonesia declared its independence in 1945. As a result of ethnic and religious tensions, as well as President Sukarno's making of Indonesia a centralised state, Ambon was the scene of a revolt against the Indonesian government, which resulted in the rebellion of Republic of the South Moluccas in 1950.
Ambon City (1990 pop. 275,888) is the main city and seaport of Ambon Island, and is the capital of Maluku province of Indonesia. It is one of the largest cities in eastern Indonesia. The city was the site of some of the worst violence between Christian and Muslim groups that gripped the Maluku archipelago between 1999 and 2002.
Ambon City has an airport, and was home to the Pattimura University, a state university, and the Indonesian Christian University of Maluku (UKIM), a private Protestant university, though both were seriously damaged during the violence in 2000-2002.
History
Ambon was colonized by Portugal in 1526. The Portuguese were driven out by the Dutch in 1609. Except for brief periods of British rule, the island remained under Dutch control until Indonesia's independence in 1945.
During the Dutch period, Ambon City was the seat of the Dutch resident and military commander of the Moluccas. The town was protected by Fort Victoria, and a 1911 encyclopedia characterized it as "a clean little town with wide streets, well planted". The population was divided into two classes: orang burger or citizens, and orang negri or villagers, the former being a class of native origin enjoying certain privileges conferred on their ancestors by the old Dutch East India Company. There were also, besides the Dutch, some Arabs, Chinese and a few Portuguese settlers.
Ambon City was the site of a major Dutch naval base, captured by the Japanese in 1942. Ambon was a center of Christian missionary activity, and Ambon and the surrounding islands have many Christians as well as the Muslims that predominate in most of Indonesia.
In 1950, Ambon City was the center of an uprising against Indonesian rule, caused by the rebellion of Republic of the South Moluccas. Indonesia reasserted control just in few weeks.
Religious riots
Inter-communal violence between Christians and Muslims ignited in January 1999 after a fight between a Christian bus driver and a Muslim youth broke out on January 19th. Parts of Ambon City were destroyed, including parts of Pattimura University. Violence escalated as the army brought in bombs and weapons. Although there had been no serious incidents prior to 1999, tensions had been simmering and relations between Christians and Muslims were very poor.
The problems were exacerbated by the inability of police and army to keep control. With endemic corruption, sectarian splits and mistrust of people of the other religion, police were joining in the violence, taking sides according to religion and, implicitly, the area they came from as well.
Each side claimed bias in the police and armed forces. The local, mainly Christian, police, were seen as anti-Muslim by Muslims, while the Indonesian army, many of whom were from Jawa and Ujung Pandang (in Sulawesi, home of the Buginese, the ethnicity of most Muslims in Ambon) were seen by Christians as favouring Muslims.
Fighting has increased sporadically since 1999, and many Ambonese were been displaced by the violence. The violence decreased in late 2002, and, aside from a spate of bombings in April 2004, as of January 2005, the city is relatively peaceful. The Islamic group Laskar Jihad, which drew members from Java was involved in some of the violence, but disbanded itself in October 2002.
Sectarian divides mean that outsiders are discouraged from visiting the area, and the city of Ambon is still partially segregated along religious lines. However, since the peace accord, people from both faiths have seen increasing interaction through trade. Multi-faith schools are re-appearing. 
32259 
317 Ambt Almelo, Overijssel  6.66666666666667  52.3666666666667  Ambt Almelo is een voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Overijssel.
Tot 1795 maakten de stad Almelo en het bijbehorende richterambt deel uit van de heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Op 21 oktober 1811, tijdens de Napoleontische tijd, werden stad en ambt van de voormalige heerlijkheid Almelo samengevoegd tot een gemeente. Op 24 november 1815 werd echter alweer besloten, mede onder invloed van de heer van Almelo, graaf van Rechteren Limpurg, en koning Willem I, om stad en ambt opnieuw te scheiden. Zo werd op 29 september 1818 de gemeente Almelo gesplitst in Ambt en Stad Almelo. Op 1 januari 1914 werden deze beide gemeentes weer bij elkaar gevoegd tot de gemeente Almelo.
De gemeente Ambt Almelo omvatte het grondgebied van het voormalige richtambt Almelo. Vanaf 1 oktober 1829 werd het grondgebied iets kleiner, toen een klein gebied bij Stad Almelo werd gevoegd. Het ambt telde rond 1870 een kleine 4000 inwoners.
Het gemeentewapen van Ambt Almelo bestond uit drie azuurblauwe balken op een gouden achtergrond, waarbij deze balken waren beladen met twaalf ruiten van zilver: vijf op de bovenste, vier op de middelste en drie op de onderste balk.
Door het tijdelijke samenvoegen van stad en ambt, ontstonden vlak na de scheiding diverse conflicten over het te voeren beleid. Zo was de Stad Almelo van mening dat het Ambt Almelo de wegen naar de stad moest onderhouden, omdat deze op het gemeentelijk grondgebied van het ambt lagen. De Gedeputeerde Staten besloten echter dat de Stad zelf onderhoudsplichtig was voor de wegen naar Wierden, Borne en Delden, terwijl het ambt de wegen naar Geesteren, Ootmarsum en Vriezenveen moest onderhouden. 
36176 
318 Ambt Delden, Overijssel  6.681060791015625  52.22586467908276  Ambt Delden (Nedersakisch: Ambt Dealdn) is een voormalige gemeente in Twente, in de Nederlandse provincie Overijssel. De hoofdplaats van de gemeente was Bentelo. Tot de gemeente behoorden verder het dorp Hengevelde en de buurtschappen Azelo, Deldenerbroek, Deldeneresch, Wiene en Zeldam.
De gemeente had een sterk landelijk karakter. Het in 1818 door de overheid ingezette beleid om Ambt en Stad Delden te splitsen was er oorspronkelijk op gericht om de stad Delden te scheiden van het omringende platteland.
In 2001 werd de gemeente heringedeeld bij de nieuwgevormde gemeente Hof van Twente. Daarmee kwam een einde aan bijna 200 jaar zelfbestuur van het Ambt Delden. 
76306 
319 Ambt Doetinchem, Gelderland  6.343826  51.929168  Ambt Doetinchem is een voormalige gemeente in de provincie Gelderland. De gemeente bestond uit het dorp Gaanderen en de vier buurtschappen: IJzevoorde, Oosseld, Langerak en Dichteren. In 1822 was het inwoneraantal 1980, in 1890 was dit 3996. Het gemeentehuis was gevestigd in Gaanderen.
Na de Franse tijd werd er op 1 januari 1818 een Schoutambt opgericht waaruit op 1 augustus 1825 de gemeente Ambt Doetinchem ontstond. Als burgemeester werd Steven Horsting aangesteld, hij was rentmeester van de Slangenburg. Na overleg werd er besloten de gemeente samen te voegen met de gemeente Stad Doetinchem. Hetgeen gebeurde op 1 januari 1920. 
71267 
320 Ambt Hardenberg, Overijssel  6.6  52.5666666666667  Ambt Hardenberg was een gemeente in de provincie Overijssel. De gemeente werd in 1942 samengevoegd met de gemeente Stad Hardenberg tot de gemeente Hardenberg.  34087 
321 Ambt Ommen, Overijssel  6.41666666666667  52.5166666666667  Ommen is een gemeente en een gelijknamige kleine Hanzestad aan de Overijsselse Vecht gelegen in de streek Salland. Ommen heeft sinds 1248 stadsrechten en wordt al rond het jaar 1100 genoemd als doorwaadbare plaats langs de Vecht.
Op 1 augustus 2006 woonden 17.348 inwoners in de gemeente Ommen (bron: CBS), op een oppervlakte van 181,98 km². Dit komt neer op een dichtheid van 96 inwoners per vierkante kilometer.
De volgende dorpen en buurtschappen liggen ook in de gemeente Ommen: Archem, Arriën, Arriërveld, Beerze, Beerzerveld, Besthmen, Dalmsholte, Eerde, Giethmen, Hoogengraven, Junne, Lemele, Nieuwebrug, Ommerschans, Stegeren, Stegerveld, Varsen, Vilsteren, Vinkenbuurt, Witharen, Zeesse, Ommerkanaal
Geschiedenis
Ommen is ontstaan op de plek van een doorwaadbare plek in de rivier de Vecht.
In de jaren jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw was Ommen het wereldcentrum van de theosofie. Op het landgoed Eerde van Philipp baron van Pallandt had Krishnamurti zijn Orde van de Ster in het Oosten gevestigd. Jaarlijks werden op het landgoed de Sterkampen gehouden. Begin jaren dertig hief Krishnamurtu zijn orde op, omdat hij tegen persoonsverheerlijking was. De baron verkocht het terrein aan de gemeente Ommen. De Sterkampen gingen tot 1938 door, en Krishnamurti was er jaarlijks gastspreker.
In 1941 werd op deze plek het strafkamp Erika gevestigd. 
32973 
322 Ambt Vollenhove, Overijssel  5.998524  52.691115  Ambt Vollenhove was een gemeente in de provincie Overijssel. De gemeente werd in 1942 samengevoegd met de gemeente Stad Vollenhove tot de gemeente Vollenhove, delen kwamen ook bij IJsselham en Blokzijl. Nu behoort het gehele gebied tot de gemeente Steenwijkerland.  87411 
323 Ambulu, Jawa Timur, Indonesia  113.61871719360352  -8.331082833500302  Ambulu adalah sebuah kecamatan di Kabupaten Jember, Provinsi Jawa Timur, Indonesia. Wilayah selatan kecamatan ini berbatasan dengan Samudra Hindia. Salah satu pantai yang terkenal adalah Pantai Watu Ulo. Kecamatan Ambulu mempunyai luas wilayah 104,56 Km2 dengan ketinggian rata-rata 18 m dari atas permukaan laut.
Jumlah Penduduk : +100.000 Pendidikan: Terdiri dari 52 SD, 13 SMP, dan 11 SMA (sederajat)dan 3 PT. terdiri dari 15 Bank termasuk Bank MAndiri (KCP),BCA (KCP),BRI (KCP) (2 Unit),Danamon (2KCP),Muamalat Bank (K.Kas),UOB Buana (KCP), Bank JATIM (K.Kas), Bank BTPN (KCP)(Mitra), Bank Mega Syariah (KCP), 58 Koperasi, 1 KUD, 8 pasar, dan 9 PT/CV
Ambulu, merupakan kota kecil sebagai penyangga dari kota jember. Akan tetapi merupakan kota kecamatan teramai di kabupaten jember. Ambulu juga menjadi barometer musik. Artinya, di kota kecil ini pertunjukan musik sekelas nasional sering digelar, artis2 ibukota juga sering manggung dikota ini, contoh : God Bless, Base Jam, Kapten, Wali, Hijau Daun, dan masih banyak artis2 papan atas lainnya. Ambulu juga merupakan kota kesenian. Di bandingkan dengan kecamatan lain di kabupaten Jember, Ambulu memiliki banyak bermacam-macam kesenian. Reog Ponorogo, jaranan, Jaran Kencak, Wayang kulit, topeng madura, sandur,janger, ludruk dan lain-lain.Hal ini bisa dimaklumi karena masyarakat Ambulu berasal dari berbagai sub kultur di Jawa Timur, mulai suku Osing-Banyuwangi, Madura, Ponorogo, dan Blitar. Karena itu di sana tersedia terminal bus umum) ke berbagai jurusan.
Di kota Ambulu ada gunung kecil (bukit) yang dinamakan "Gunung Watu Pecah". Dinamakan watu pecah dalam Bahasa Jawa (Bahasa Indonesia: batu pecah) karena di salah satu puncaknya terdapat batu besar yang terbelah dua. Bukit ini banyak dikunjungi oleh masyarakat sekitarnya untuk kegiatan olahraga dan rekreasi. Selain hawanya sejuk, dapat pula memandang indahnya Kota Ambulu dan sekitarnya dengan terlebih dahulu memanjat gunung batu ini.Ditimur Lereng Bukit ini saat ini telah dibangun Proyek Kolam Renang(Water Boom)yaitu Niagara Water Park& Water boom, dan ada juga DIRA I (Swimming Pool, Swalayan, Fashion Store, Convention Hall), DIRA II (Boutique & Book Store), Larisso Plasa (Swalayan & Dept. Store) dan telah dibangun juga Futsal & Fitnes Centre di ambulu (opening soon 4 September 2011).
Ambulu juga memiliki tempat wisata yang indah, yaitu Pantai Watu Ulo (Bahasa Indonesia: "batu ular"). Berjarak sekitar 12 km dari kota Ambulu, atau 40km dari pusat kota Jember. Pada hari minggu dan libur panjnag tempat ini luar biasa ramainya.Sayangnya di Ambulu belum terdapat tempat penginapan atau hotel. Konon sekitar tahun 1990-an, hotel satu-satunya yang ada diPantai Watu Ulo ini sudah tidak beroperasi lagi,Adapun Hotel terdekat yaitu diPapuma yang merupakan Teritorial Kecamatan Wuluhan. 
132330 
324 Amby, Limburg  5.733073  50.863747  Amby (Limburgs: Amie) is een wijk in Maastricht in de Nederlandse provincie Limburg. Tot 1 juli 1970 was Amby een zelfstandige gemeente, een klein deel van het grondgebied van de voormalige gemeente Amby ging bij die gemeentelijke herindeling naar de gemeente Meerssen. De eerste schriftelijke vermelding van de plaats, als Ambeia, dateert uit 1157.
In Amby ligt een aantal kasteeltjes en herenhoeven, waaronder Kasteel Geusselt (daterend uit de 17e eeuw, gerestaureerd in 1997), Huis Severen en de Withuishof. De R.K.-kerk van Amby werd gebouwd in 1866 naar een ontwerp in neogotische stijl van Carl Weber. Ze is gewijd aan de heilige Walburga. In Amby zijn de studio's van de radio- en televisieomroep L1 gevestigd.
De wijk heeft een eigen winkelcentrum en rijk vereningingsleven, met onder andere een harmonie die eveneens vernoemd is naar de H. Walburga. Er zijn meerdere horecavoorzieningen. Per openbaar vervoer is de wijk goed bereikbaar. 
32768 
325 Amdorf, Niedersachsen, Deutschland  7.534167  53.213611  Amdorf ist ein Ortsteil der Gemeinde Detern im Südwesten Ostfrieslands und gehört der Samtgemeinde Jümme im Landkreis Leer an.
Lage
Das Dorf setzt sich aus einem Ortskern mit Dorfkirche und mehreren umliegenden landwirtschaftlichen Betrieben zusammen. Im Uhrzeigersinn von Norden beginnend grenzen Neuburg, Stickhausen, Backemoor und Wiltshausen an das Dorf, das teilweise durch die beiden Flüsse Leda und Jümme umgeben ist.
Amdorf ist über eine weite Fläche verteilt, die meisten Flächen bestehen aus Weideland, so auch aus dem Jümmiger Hammrich. Die landwirtschaftlichen Betriebe, die das Bild prägen, gehen ausschließlich der Viehzucht nach. Die erhaltenen natürlichen Gegebenheiten, die Lage im "Zweistromland", im Leda-Jümme-Gebiet, mit seinen vielfältigen Angelmöglichkeiten, Wassersportmöglichkeiten und dem ausgedehnten Radwegenetz sorgen für steigenden Tourismus in und um Amdorf.
Historisches
Der Ortsname Amdorf hat sich aus der früh-mittelalterischen Bezeichnung "Hamdorf" = Weidedorf abgeleitet. Auch wenn es keine historische Bestätigung gibt, ist davon auszugehen, dass in Amdorf schon vor 2000 Jahren eine Besiedlung stattgefunden hat. Während umliegende Siedlungen und Dörfer nach der Anhebung des Meeresspiegels im Mittelalter verlagert wurden, blieb Amdorf an seinem angestammtem Platz.
In der Karte 'Typus Frisiae Orientalis' aus dem 14. Jahrhundert ist Amdorf als Amdorp kartografiert.
Die Dorfbewohner und die Hammrichbauern hatten von jeher mit dem Element Wasser zu kämpfen. Um die Einwirkungen der Gezeiten durch die nahe Nordsee einzuschränken, wurden die Flüsse Leda und Jümme seit dem Mittelalter eingedeicht. Sturmfluten, die Anhebung des Meeresspiegels und die Erhöhung des Grundwasserspiegels sorgten dafür, dass das Gebiet immer wieder überflutet wurde. Insbesondere in den Wintermonaten stand das Leda-Jümme-Gebiet und der Jümmiger Hammrich unter Wasser. Durch das Ziehen von Gräben um und durch die Weideflächen und durch das Anlegen von Kanälen und Sielen wurde versucht, das Wasser aus dem Gebiet abfließen zu lassen. Dieses gelang jedoch erst Mitte des 20. Jahrhunderts endgültig. Die Errichtung von Schöpfwerken in den 1950er Jahren, sorgte dafür, dass das nicht abfließende Grund- und Niederschlagswasser aus den Kanälen und Sielen in die Flüsse gepumpt wurde.
In den Jahren 1950 bis 1954 wurde vor Leer das Ledasperrwerk errichtet, das eine Überflutung des Leda-Jümmer-Gebietes bei Sturmfluten verhindern sollte. Im Jahr seiner Fertigstellung bewährte sich das Bauwerk bei einer schweren Sturmflut im Dezember 1954.
Seit der ersten urkundlichen Erwähnung im Mittelalter gehörte Amdorf zum Amt Stickhausen. Im Rahmen der Gebietsreform Anfang der 1970er Jahre wurde Amdorf zum Teil der Gemeinde Detern. 
1479 
326 Ameide, Zuid-Holland  4.9625  51.9538888888889  Ameide is een dorp in de gemeente Zederik, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het dorp heeft 3040 inwoners (2004). Ameide ligt aan de rivier de Lek.  34379 
327 Ameland, Friesland  5.73  53.448  Ameland is een gemeente in de provincie Friesland, bestaande uit het Nederlandse waddeneiland Ameland. Op 1 januari 2007 telde de gemeente 3.452 inwoners (bron: CBS).
Kernen
In de gemeente Ameland bevinden zich vier dorpen, waarvan alleen de Nederlandse namen worden gebruikt. Op Ameland wordt geen Fries, maar Amelands gesproken, een mengdialect dat verwant is aan het Stadsfries.
Aantal inwoners per woonkern op 1 januari 2004
Ameland is uit het westen gerekend het vierde Nederlandse waddeneiland (streek) en behoort tot de provincie Friesland. Het eiland is onderdeel van de gelijknamige gemeente Ameland.
Ten noorden grenst het aan de Noordzee, en ten zuiden aan de Waddenzee. Ten westen ligt het eiland Terschelling en ten oosten Schiermonnikoog. Rederij Wagenborg onderhoudt een veerdienst tussen Holwerd en Nes.
Ameland bestaat voornamelijk uit zandduinen. Ten oosten van Buren ligt het Oerd, een drassig gebied, waar veel vogels leven, en waar zeewater via een aantal geulen vrijelijk in- en uitstroomt. De totale strandlengte is 27 km en de totale lengte van de fietspaden is 100 km. Hollum is het dorp met het oudste huis van Ameland, gebouwd in 1516.
Het eiland beschikt over een klein vliegveld bij Ballum; Ameland Airport Ballum.
Op Ameland wordt geen Fries, maar Amelands gesproken, een mengdialect dat verwant is aan het Stadsfries.
De vuurtoren is gemaakt in Deventer, in de ijzergieterij van Nering Bögel, zie ook onder ijzeroer.
Geschiedenis
De eerste vermelding van Ameland is van in de 8e eeuw. Het was toen onderhorig aan het graafschap Holland. Dit tot in 1424. Toen verklaarde de Heer van Ameland zich een 'Vrije Heer' (vrijheerschap). Ameland is een eiland geworden door de Watersnood van 1287, toen de waddenzee werd gevormd.
Hoewel Holland, Friesland en de keizer van het Heilige Roomse Rijk deze quasi-onafhankelijke status betwistten, bleef het een vrijheerschap tot de familie, Cammingha, uitstierf in 1708. Daarna werd de Friese stadhouder Johan Willem Friso van Oranje-Nassau Heer van Ameland en na hem, zijn zoon stadhouder van heel Nederland, Stadhouder Willem IV en zijn kleinzoon Stadhouder Willem V.
Pas in de grondwet van 1814 werd het eiland definitief geïntegreerd in Nederland (in de toenmalige provincie Friesland). De koningen en de koninginnen van Nederland handhaven vandaag nog steeds de titel 'Vrijheer van Ameland'.
Van 1871 tot 1872 werd bij het wantij een dam gebouwd tussen Ameland en het vasteland door een maatschappij voor landaanwinning van de Friese eilanden. Door aanslibbing wilde men landbouwgrond creëren. De provincie Friesland en het Nederlandse Rijk betaalden ieder 200.000 gulden. Het was geen succes: de dam bleek niet stormbestendig en in 1882 na zware stormen in de winter 1881/1882 werd besloten de reparatiewerkzaamheden te stoppen. De dam is met eb nog steeds deels te zien. De veerdam bij Holwerd is de damaanzet van deze dam. 
37579 
328 Amelsbüren, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  7.607517242431641  51.88216301297435  Amelsbüren ist der südlichste Stadtteil von Münster in Westfalen und noch stark landwirtschaftlich geprägt. Er hat zirka 5000 Einwohner. Bis 1974 gehörte das Dorf zum Amt Sankt Mauritz, wurde aber nach der Auflösung des Landkreises Münster im Rahmen der Gebietsreform in Nordrhein-Westfalen am 1. Januar 1975 eingemeindet und gehört seitdem zum Stadtbezirk Hiltrup.
Amelsbüren ist flächenmäßig der größte Stadtteil von Münster, da unter anderem auch die Bauernschaften Sudhoff, Loevelingloh und Wilbrenning zum Ort zählen. Damit gehören auch umfangreiche Waldgebiete wie die Davert und die Hohe Ward zu Amelsbüren.
Geschichte
Urkundlich erstmals erwähnt im Jahre 1137 (Amelsbüren wurde Pfarrei), leitet sich der Name wahrscheinlich ab vom Bach Emmerbach, der durch den Ort fließt.
Nach 1559 wurde der Ort mehrmals von Niederländern und Spaniern geplündert, 1587 kam es in Amelsbüren zu einer Schlacht zwischen einfallenden Spaniern und Bauern aus dem Münsterland. Nach dem Sieg zerstreuten sich die Bauern wieder, die Spanier brandschatzten Amelsbüren daraufhin.
Auch unter dem Dreißigjährigen Krieg dürfte Amelsbüren gelitten haben, da es direkt an einem alten Heerweg lag.
Nach zwei verheerenden Bränden 1716 und 1816 wurde das Dorf 1825 komplett neu errichtet, im Wesentlichen in seiner heutigen Form. 
87224 
329 Amen, Rolde, Drenthe  6.608855724334717  52.94188976242298  Amen is een esdorp in het zuid-westen van de gemeente Aa en Hunze in de provincie Drenthe (Nederland). Het dorp ligt aan de weg van Rolde via Nijlande en Ekehaar naar Hooghalen in de gemeente Midden-Drenthe. Langs het dorp stroomt het Amerdiep, een van de namen van de bovenloop van de Drentsche Aa. In Amen wonen 91 mensen (1 januari 2008). Behalve een café heeft het verder nauwelijks voorzieningen.
Geschiedenis
De oudste vermelding van van Amen is in 944 toen het twee erven groot was. In de dertiende eeuw werd de buurtschap een boermarke, samen met Ekehaar had Amen omstreeks 1300 vijf waardelen. Tot de dag van vandaag is Amen een kleine buurtschap gebleven. De school die in 1819 werd geopend werd wegens gebrek aan leerlingen in 1853 weer afgebroken. Ook de coöperatieve zuivelfabriek was slechts een kort leven beschoren, van 1903 tot 1913. Het grootste aantal inwoners had Amen net na de Tweede Wereldoorlog, toen het dorp 147 inwoners had. 
65099 
330 America, Horst, Limburg  5.97888888888889  51.4377777777778  America is een dorp in de gemeente Horst aan de Maas in de Nederlandse provincie Limburg. Het dorp is gelegen in de streek De Peel, aan de spoorlijn Venlo - Eindhoven (station America), maar heeft sinds 1970 geen treinstation meer. America heeft 2170 inwoners (2004).  36306 
331 American Fork, Utah County, Utah, USA  -111.795867  40.376761  American Fork is a city in Utah County, Utah, United States, at the foot of Mount Timpanogos in the Wasatch Range, north of Utah Lake. It is part of the Provo–Orem, Utah Metropolitan Statistical Area. As of the 2000 census, the city population was 21,941 and was estimated at 22,387 in 2004. It has been rapidly growing since the 1970s.
History
The area around Utah Lake was used as a seasonal hunting and fishing ground by the Ute Indians. American Fork was settled in 1850 by Mormon pioneers, and incorporated as Lake City in 1852. Settlers changed the name to American Fork, after the river that runs through it, in 1860. Most residents were farmers and merchants during its early history. In the 1870s, American Fork served as a rail access point for mining activities in American Fork Canyon. For several decades in the 1900s, raising chickens (and eggs) was an important industry in the city. During World War II the town population expanded when the Columbia Steel plant was built in a nearby community. An annual summer celebration in the city is still called "Steel Days" in honor of the importance of the plant, which no longer exists. 
48221 
332 Amerns, Viersen, Nordrhein-Westfalen, Deutschland  6.249847412109375  51.23228719457252  Der Ortsteil Amern liegt am Niederrhein im Westen des Bundeslandes Nordrhein-Westfalen und gehört mit etwa 8.000 Einwohnern verwaltungstechnisch zur Gemeinde Schwalmtal im Kreis Viersen, Regierungsbezirk Düsseldorf.
Geschichte
Ausgrabungen zufolge fand die erste Besiedlung Amerns bereits in der Jungsteinzeit vor etwa 2000 Jahren statt.
Ab 966 n. Chr. stand das Gebiet, das damals unter dem Namen Mühlgau bekannt war, unter der Herrschaft des Gaugrafen Eremfried. Die Grafen von Kessel lösten diese Herrschaft gegen 1082 bis zum Ende des 13. Jahrhunderts ab. In dieser Zeit waren sie verantwortlich für den Grundbesitz des kölner Domkapitels in Amern - St. Anton und des Xantener Stiftes in Amern - St. Georg. 1305 bis 1801 waren die beiden Teile Amern neben Dilkrath, Waldniel, Kirspelwaldniel und Lüttelforst dem jülicher Amt Brüggen unterstellt.
Aufgrund hoher Kriegsausgaben wurde das Amt Brüggen aber bis 1494 an die Grafschaft Moers verpfändet. Diese Zeit der Besetzungen bedeutete für die Gemeinden einen hohen Verlust an Gut und Finanzen. Beim Kampf um die Schwalmlinie konnten sich 1793 zunächst die Preußen und die Österreicher durchsetzen. Nach dem französischen Gegenschlag wurde im Frieden von Campo Formio 1797 beschlossen, dass das linke Rheinufer französisch wurde. Amern - St. Anton und St. Georg wurden dem Kanton Bracht zugeordnet.
Nach Napoleons I. Sturz und dem Wiener Kongress gingen die Gebiete in preußische Herrschaft über. 1816 wurde im Zeichen einer verwaltungstechnischen Neuregelung das Kanton Bracht dem Kreis Kempen zugeordnet.
Unter der nationalsozialistischen Herrschaft wurden 1936 Oberamern (St. Georg) und Unteramern (St. Anton) zusammengelegt und mussten 1956 die beiden Honschaften Geneschen II und Ungerath an Waldniel abtreten.
Am 18. August 2009 erlangte Amern durch einen Amoklauf größere Bekanntheit. In den Abendstunden schoss ein pensionierter Handwerker wahllos um sich. Hierbei tötete er drei Menschen und verletzte einen schwer. Nach drei Stunden ergab er sich und konnte festgenommen werden. 
87914 
333 Amerongen, Utrecht  5.46083333333333  52.0025  Amerongen is een dorp in de Nederlandse provincie Utrecht, gemeente Utrechtse Heuvelrug, gelegen op de gelijknamige Heuvelrug in het zuidoosten van de provincie. De Utrechtse Heuvelrug is tegenwoordig een nationaal park. Het dorp heeft 5170 inwoners (2005). Amerongen is vooral bekend dankzij Kasteel Amerongen.
Nabij Amerongen is een sluis- en stuwcomplex in de Nederrijn gebouwd.
Tot 1 januari 2006 was Amerongen een zelfstandige gemeente, waaronder ook de kernen Elst (gedeeltelijk) en Overberg vielen. Sindsdien is het dorp onderdeel van de nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug. Bij deze gemeentelijke herindeling is het Amerongse deel van Elst (U) bij de gemeente Rhenen gevoegd. 
35815 
334 Amersfoort, Utrecht  5.388450622558594  52.161296998266366  Amersfoort is een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Utrecht. De gemeente telt 139.017 inwoners (1 januari 2007, bron: CBS) en alleen de stad 119.785 inwoners (2005). Het is in bevolkingsaantal de tweede stad van de provincie Utrecht en de zeventiende (veertiende als men het buitengebied meetelt) van Nederland.
Geschiedenis
De stad dankt zijn ontstaan en naam aan een doorwaadbare plaats of voorde in de rivier de Eem (vroeger: Amer). Verschillende beken die water afvoerden uit de Gelderse Vallei kwamen bij elkaar in een laagte tussen de Amersfoortse Berg en het hoger gelegen gebied ten noorden van Amersfoort (Hoogland). Bij die doorwaadbare plaats werd de Eem gekruist door handelsroutes die van Utrecht naar het oosten en noorden liepen. De eerste vermelding van de plaats dateert uit 1028. Er moet toen sprake geweest zijn van een boerennederzetting. De strategische ligging was voor de bisschop van Utrecht aanleiding om er één van zijn hoven te bouwen, om van hieruit de Gelderse Vallei te ontginnen. Waarschijnlijk werd dit bisschoppelijk hof in de eerste helft van de twaalfde eeuw gesticht op de plaats waar thans de Sint-Joriskerk staat. Handel en nijverheid leefden op en de nederzetting kreeg in 1259 stadsrechten van de Utrechtse bisschop Hendrik van Vianden.
In de acte, waarin aan Amersfoort stadsrechten werd verleend werd het stadje omschreven als een oppidum, dat wil zeggen dat de stad versterkt was, waarschijnlijk door een aarden wal, wellicht met poorten. Tegen het einde van de dertiende eeuw werd de eerste stenen muur gebouwd, met een lengte van 1550 meter, en omgeven door een gracht. Op de plattegrond van het centrum van Amersfoort is deze eerste stadsmuur nog goed terug te vinden.
Omstreeks 1380 werd al begonnen met de bouw van een nieuwe muur (gereed rond 1450). Daarvan was de totale lengte 2850 meter. En het oppervlak van de ommuurde stad verdrievoudigde. In deze muur werd een aantal poorten gebouwd die tot op de dag van vandaag te bewonderen zijn, zoals de Koppelpoort en Monnikendam. Van de eerste muur is weinig bewaard gebleven, slechts de sterk gerestaureerde Kamperbinnenpoort resteert. Niettemin is het verloop van de eerste muur nog intact; de Muurhuizen volgen het tracé van de muur en maken gebruik van diens fundering.
Amersfoort kreeg in de Middeleeuwen na wonderen rond een Mariabeeld grote betekenis als bedevaartsoord, waardoor vanaf 1444 de Onze Lieve Vrouwetoren kon worden gebouwd.
Amersfoort had in de Middeleeuwen een bijzonder groot aantal brouwerijen en een belangrijke textielnijverheid De stad beleefde in de 18e eeuw een bloeiperiode dankzij de tabaksteelt.
De komst van de spoorwegen deed de stad uit haar 19e eeuwse slaap ontwaken. Amersfoort werd een belangrijk knooppunt en is dat tot op heden gebleven. Aan het eind van de 20e eeuw kreeg de stad een grote groei-impuls door de Groeistad-status, die inmiddels heeft geleid tot de bouw van grote nieuwe wijken, waarvan Kattenbroek door zijn bijzondere architectuur landelijke bekendheid heeft verworven.
Amersfoort komt ook voor in de geschiedenis van New York. De Nederlanders stichtten bij Nieuw Amsterdam op Long Island het dorpje 'Nieuw Amersfoort' vlakbij Breukelen (Brooklyn), Heemstede (Hempstead), Haarlem (Harlem) en Vlissingen (Flushing). Deze naam Amersfoort is later veranderd in 'Flatlands'. Het 'Amersfort Park' in Flatlands heeft zijn naam behouden. 
1164 
335 Amersham, England, United Kingdom  -0.6062650680541992  51.67753438413832  Amersham is a market town and civil parish within Chiltern district in Buckinghamshire, England, 27 miles north west of London, in the Chiltern Hills. It is part of the London commuter belt.
Amersham is split into two distinct areas: Old Amersham, set in the valley of the River Misbourne, which contains the 13th century parish church of St. Mary's and several old pubs and coaching inns; and Amersham-on-the-Hill (locally known as Top Amersham), which grew rapidly around the railway station in the early part of the 20th century.
History
Records of Amersham date back to pre-Anglo-Saxon times, when it was known as Egmondesham, and by the time that the Domesday book was written at around 1086 it had become known as Elmodesham. The Domesday entry is as follows:
Geoffrey de Mandeville holds Amersham. It answers for 7 1/2 hides. Land for 16 ploughs; in lordship 2 hides; 3 ploughs there. 14 villagers with 4 smallholders have 9 ploughs; a further 4 possible. 7 slaves; meadow for 16 ploughs; woodland 400 pigs. The total value is and was £9; before 1066 £16. Queen Edith held this manor.
Queen Edith was the wife of Edward the Confessor and sister of king Harold, and after her death in 1075 the land passed to William the Conqueror who granted it to Geoffrey de Mandeville.
In 1200 Geoffrey, Earl of Essex obtained a charter for Amersham allowing him to hold a Friday market and a fair on 7 and 8 September. In 1613 a new charter was granted to Edward, Earl of Bedford, changing the market day to Tuesday and establishing a statute fair on 19 September.
In 1521 seven Lollard dissenters (William Tylsworth, John Scrivener, Thomas Barnard, James Morden, Robert Rave, Thomas Holmes and Joan Norman) were burned at the stake in Amersham A memorial to them was built in 1931 and is inscribed as follows: "In the shallow of depression at a spot 100 yards left of this monument seven Protestants, six men and one woman were burned to death at the stake. They died for the principles of religious liberty,for the right to read and interpret the Holy Scriptures and to worship God according to their consciences as revealed through God's Holy Word". The Universal Magazine of September 1749 (p139) quotes that 'William Tylesworth' was in fact burnt in 1506, and that Thomas Bernard and James Morden, a labourer, were burnt about two years later
The area of the town now known as Amersham on the Hill was referred to as Amersham Common until after the arrival of the Metropolitan Line in 1892. After this date growth of the new area of the town gradually accelerated, with much work being done by the architect John Kennard.
Governance
Amersham sent two MPs to the unreformed House of Commons from 1625, and was considered a rotten borough until the Reform Act 1832 stripped it of its representation. The town was then part of the county constituency of Buckinghamshire. From 1885 it was in the Aylesbury constituency, in 1950 it formed part of the South Buckinghamshire seat and in 1974 the current Chesham and Amersham constituency was created. Since then Ian Gilmour (1974–1992) and then Cheryl Gillan have represented the constituency on behalf of the Conservative party. In the 2005 General Election Ms Gillan was returned with 54.4% of the vote. Amersham is represented by its own town council. It is a civil parish within Chiltern district and represented as such on the Buckinghamshire County Council. 
76592 
336 Ames, Story County, Iowa, USA  -93.631667  42.027222  Ames is a city located in the central part of the U.S. state of Iowa, about 30 miles north of Des Moines in Story County. It is the principal city of the 'Ames, Iowa Metropolitan Statistical Area' which encompasses all of Story County, Iowa and which, when combined with the 'Boone, Iowa Micropolitan Statistical Area', comprises the larger 'Ames-Boone, Iowa Combined Statistical Area'. As of the 2000 Census, the city population was 50,731. Ames is the home of Iowa State University, with leading Engineering, Science and Agriculture college. Every four years, it is also the site of an important straw poll in the Republican party presidential nomination process (see Politics, below).
History
The city was founded in 1864 as a station stop on the Cedar Rapids and Missouri Railroad and was named after 19th century U.S. congressman Oakes Ames of Massachusetts, who was influential in the building of the transcontinental railroad. Ames was founded near a location that was deemed favorable for a railroad crossing of the Skunk River.
Demographics
As of the 2000 Census, there were 50,731 people, 18,085 households, and 8,970 families residing in the city. The population density was 908.1/km² (2,352.3/mi²). There were 18,757 housing units at an average density of 335.7/km² (869.7/mi²). The racial makeup of the city was 87.34% White, 7.70% Asian, 2.65% African American, 1.98% Hispanic American or Latino of any race, 0.15% Native American, 0.04% Pacific Islander, 0.76% from other races, and 1.36% from two or more races.
There were 18,085 households out of which 22.3% had children under the age of 18 living with them, 42.0% were married couples living together, 5.3% had a female householder with no husband present, and 50.4% were non-families. 28.5% of all households were made up of individuals and 5.9% had someone living alone who was 65 years of age or older. The average household size was 2.30 and the average family size was 2.85.
In the city the population was spread out with 14.6% under the age of 18, 40.0% from 18 to 24, 23.7% from 25 to 44, 13.9% from 45 to 64, and 7.7% who were 65 years of age or older. The median age was 24 years. For every 100 females there were 109.3 males. For every 100 females age 18 and over, there were 109.9 males.
A large number of Ames residents are university students. In 2004, for example, there were 26,390 students enrolled at Iowa State University in Ames.
The median income for a household in the city was $36,042, and the median income for a family was $56,439. Males had a median income of $37,877 versus $28,198 for females. The per capita income for the city was $18,881. About 7.6% of families and 20.4% of the population were below the poverty line, including 9.2% of those under age 18 and 4.1% of those age 65 or over. 
36904 
337 Amherstburg, Essex County, Ontario, Canada  -83.0994701385498  42.10510650339409  Amherstburg (2006 population 21,748; UA population 13,410) is a Canadian town near the mouth of the Detroit River in Essex County, Ontario. It is approximately 25 kilometres (16 mi) south of the U.S. city of Detroit, Michigan.
History
Location
The town, across the river from the United States, was permanently established as a British military fort in 1796. During the days of the Underground Railroad, the town was often the point at which freed slaves entered Canada. The local public high school in Amherstburg is General Amherst High School, named after Jeffrey Amherst, 1st Baron Amherst. Although General Amherst High School is located within the town, many teenage residents choose to go to the Catholic high school, St. Thomas of Villanova, located in the neighbouring town of LaSalle, Ontario. Villanova offers a French Immersion program for those who've attended a French grade school; French students in Amherstburg may also attend Ecole Secondaire E.J. Lajeunesse, located in Windsor, Ontario.
Tourist attractions
Amherstburg is home to several tourist attractions, including Fort Malden and the North American Black Historical Museum. An Ontario Historical Plaque was erected in Amherstburg by the province to commemorate Bellevue House's role in Ontario's heritage. Bellevue House (c. 1816-19) was the home of Catherine Reynold, a landscape painter and her brother Robert Reynolds. Additional tourist activists include the Park House Museum and the charming Navy Yard Park, both of which are located in the heart of old Amherstburg.
An art and history fan would appreciate the charming Gibson Gallery. The Gallery building is a former Michigan Central Railroad Station (circa 1896) which has been fully restored to its original beauty. The gallery operates year-round, featuring exhibits by local artists, the permanent collection of the Art Gallery of Windsor, traveling exhibits from Ontario museums and galleries and student art/photography exhibits. A restored Essex Terminal railway caboose is now a railway museum that represents the nostalgia of Amherstburg's railroad history.
The Gordon House 1798/Project H.M.S. Detroit is another appreciated attraction of Amherstburg. The Gordon House was built in 1798, and overlooks the Detroit River. The Gordon House is fully restored, and is the current location for the Project H.M.S. Detroit. This project has undertaken to build and maintain a full-size sailing replica of the ship. It houses a Marine exhibit.
For the outdoors enthusiast, Holiday Beach Conservation Area is one of the best fall birding sites in North America. The 546 acre nature reserve contains over 2,000 feet of beaches, picnic areas, a 2 km trail along the edge of Big Creek Marsh. Holiday Beach is considered North America's premiere spot to view the fall migration of raptors (birds of prey). A 'Festival of Hawks' event takes place in September.
Festivals
Amherstburg is a town which takes pride in its history and on the first weekend of every August they hold a heritage festival comprised of activities at several locations around town. At Fort Malden, for example, they hold a military time-line event where re-enactors depicting eras ranging from the Roman Empire to the Second World War establish camp and perform battle demonstrations.
Since 2006, Amherstburg has attracted much attention with its annual Shores of Erie Wine Festival. Each September, the Wine Festival attracts many tourists, and features food, dancing, live entertainment, and wine tasting.
Amherstburg also celebrates Canada Day with a yearly fireworks display and day of family activities.
Art by the River, is an annual arts and craft festival that takes place the weekend before Labour Day weekend on the grounds of beautiful Fort Malden National Historic Site. This two day feastival which began in 1967 attracts artists and artisans from all over Ontario.
Other festivities include:
* Firefighters "J Wimpy" Volleyball Tournament (June)
* Annual Verdi Club Festival (July)
* Boblo International Jazz Festival (July)
* Annual Carnival (May)
* Cancer Walk-a-thon (October)
* Beef In the Burg Barbecue (May - June)
* River Lights (November - December)
Across the Detroit River from the United States, the town was permanently established as a British military fort in 1796. The town was developed by Loyalists, who were granted land in Ontario after the British lost the American Revolutionary War.
During the days of the Underground Railroad before the American Civil War, fugitive African-American slaves often crossed the river to escape to freedom. They entered Canada at the town. Amherstburg was incorporated as a town in 1878. 
86468 
338 Amiens, Picardie, France  2.3  49.9  Amiens is een stad in Noord-Frankrijk, de hoofdstad van de regio Picardië en van het departement Somme. De stad ligt circa 115 km noordelijk van Parijs en telt ongeveer 137.000 inwoners, die Amiénois worden genoemd.
De naam herinnert aan de Belgische volksstam der Ambiani.
Amiens heeft een universteit en is een belangrijke industriestad (textiel).
De schrijver Jules Verne bracht een groot deel van zijn leven door in Amiens, stierf er en ligt er begraven.
Zijn naam werd ook gegeven aan het stenen circus Cirque Jules Verne van Amiens. Het is één van de zeven stenen circussen die Frankrijk bezit.
Op 25 maart 1802 werd hier de Vrede van Amiens getekend tussen Frankrijk en Groot-Brittannië. De vrede hield echter geen stand. 
37718 
339 Ammendorf, Sachsen-Anhalt, Deutschland  11.987371444702148  51.42635761530518  Ammendorf/Beesen ist ein Stadtteil im Süden der Stadt Halle (Saale). Er besteht aus den ehemals selbstständigen Dörfern Ammendorf und Beesen.
Ammendorf
Ammendorf erstreckt sich über die östlichen Bereiche des Stadtteils und war früher ein eigenständiger Ort mit ca. 21.000 Einwohnern und einer Fläche von ca 1935 ha. Das Ortszentrum markiert die Dorfkirche St. Katharinen, die auf einem Hügel oberhalb des nördlichen Randes der Saale-Elster-Aue steht.
Geschichte
Die ersten Nachweise einer Besiedlung des Gebietes stammen aus der Jungsteinzeit. Die erste urkundliche Erwähnung 1214 im Urkundenbuch der Stadt Halle. Ein gleichnamiges Adelsgeschlecht „von Ammendorf“ entstammte dem Ort.
Ammendorf hatte eine große Bedeutung bei der Industrialisierung der Stadt Halle. Frühzeitig begann die Nutzung der Braunkohle, welche in Ammendorf abgebaut wurde. Es entstand u.a. 1858 die erste Brikett-Fabrik (System Ing. Carl Exter) der Welt. Später erfolgten Industrieansiedlungen der Chemischen Industrie und des Maschinenbaus. Am bekanntesten war der Waggonbau Ammendorf (LOWA), gegründet als Waggonfabrik Gottfried Lindner AG.
Ammendorf war eine eigenständige Stadt, Stadtrecht seit 15. Dezember 1937, bis zur Eingemeindung am 1. Juli 1950.
In Ammendorf stand auch eine der größten Giftgas-Fabriken Deutschlands, die Orgacid GmbH. Bis 1945 wurde hier ca. 26.000 t des Kampfstoffes S-Lost (Senfgas) hergestellt, kam aber im Zweiten Weltkrieg nicht mehr zum Einsatz. Unter dem ehemaligen Ammendorfer Firmengelände an der heutigen Camillo-Irmscher-Straße liegen acht weitverzweigte grüngeflieste Zisternen, die auf Grund fehlender Baupläne nur schwer zu entgiften waren und nach der Wende hermetisch versiegelt wurden. Dennoch gelangten noch 1990 30 Tonnen Giftstoffe durch das Grundwasser an die Oberfläche.
In Ammendorf war von 1933 an ein sehr beliebtes und stets gut besuchtes Sommerfreibad (Entwidmung als öffentliche Einrichtung: 2010, Abriss: 2013) in Betrieb, welches bis zur Schließung aus Kostengründen nach Ende der Sommersaison 2003 Freizeit, - und Erholungsraum für den Süden Halles bot 
142650 
340 Ammerstol, Bergambacht, Zuid-Holland  4.80861111111111  51.9275  Ammerstol is een dorp in de gemeente Bergambacht, in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. Het dorp heeft 1590 inwoners (2004) en ligt aan de noordkant van de rivier de Lek in de Krimpenerwaard.
Geschiedenis
De naam Ammerstol (Ammers-tol) komt van Theloneum de Ambers en van de tol, dat was de plaats waar tolbelasting werd geheven. Ammerstol kreeg in 1322 stadsrechten maar omdat dit te duur werd bevonden bleef Ammerstol toch een dorp. De economie dreef in die tijd op de zalmhandel. In Ammerstol was een visafslag die in het begin van de 15e eeuw naar het naburige dorp Schoonhoven werd verplaatst; in de 18e eeuw kwam de visafslag weer terug. Tevens waren er veel mandenmakers actief.
Later bloeide Schoonhoven uit tot een stad omdat Ammerstol zijn stadsrechten niet benutte; daarvoor was er in Ammerstol niet genoeg geld beschikbaar.
Toen er op de Lek geen zalm meer was (jaren 1920) werden de activiteiten verplaatst en kwamen er veel grondwerkers in het dorp.
In 1985 ging Ammerstol op in de gemeente Bergambacht. 
37293 
341 Ammerzoden, Gelderland  5.22  51.75  Ammerzoden is een dorp, gelegen aan de noordzijde van de Maas in het westen van Gelderland. Het dorp telt 3655 (1 januari 2006) inwoners. Sinds 1 januari 1999 behoort het tot de gemeente Maasdriel. Het dorp wordt in de volksmond Ammerooie(n) genoemd.
Geschiedenis
De oudste vermelding van Ammerzoden dateert uit de 11e eeuw, als Ambersoi. Latere vermeldingen spreken van Amersoyen of Amelroije. Het element 'Ammer' verwijst waarschijnlijk naar een oude rivierbedding ('mer' is te herleiden tot oude rivierloop en 'a' betekent water). 'Ooi' heeft de betekenis van een weidegebied langs een rivier.
Ammerzoden lag waarschijnlijk tot halverwege de 14e eeuw in een soort langs de Maas gelegen niemandsland tussen Gelre en Brabant. Pas in 1381 werd Ammerzoden een leen van de hertog van Gelre en is sindsdien, ondanks de nog steeds bestaande oriëntatie op Brabant, altijd Gelders gebleven.
In Ammerzoden bevindt zich het Kasteel Ammersoyen, gebouwd in het midden van de veertiende eeuw. Dit kasteel is zwaar beschadigd geraakt tijdens een brand in 1590 en heeft in de Tweede Wereldoorlog ook flinke schade opgelopen. In 1975 is het kasteel heropend.
Daarnaast heeft Ammerzoden een tweetal kerken. De protestantse kerk is tussen 1500 en 1547 gebouwd als een rooms-katholieke kerk. In het rampjaar 1672 werd deze kerk door de Fransen gedeeltelijk met de grond gelijk gemaakt, enkele jaren nadat de kerk in het bezit was gekomen van de protestanten. Tot op de dag van vandaag is het voormalige schip een ruïne. De toren en het koor zijn gerestaureerd. Het koor wordt gebruikt als kerk door de Nederlands Hervormde gemeenschap die in het buurdorp Well waar het overgrote deel van deze Hervormde Gemeente woont.
De katholieken bouwden in de negentiende eeuw een eigen kerk in Ammerzoden, genoemd naar Sint-Willibrord. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kerk door de Duitsers vernietigd, omdat deze voor de geallieerden als mikpunt kon dienen. Sinds 1953 bestaat er een nieuwe kerk onder dezelfde naam en op dezelfde locatie.
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft ook de rest van Ammerzoden veel schade geleden; weinig gebouwen zijn gespaard gebleven. 
34597 
342 Amorbach, Bayern, Deutschland  9.216667  49.633333  Amorbach ist eine Stadt im unterfränkischen Landkreis Miltenberg. Sie liegt am Rande des bayerischen Odenwaldes und feierte im Jahre 2003 ihr 750-jähriges Bestehen.
Ursprünglich entstand der Ort aus einem Benediktinerkloster (Kloster Amorbach), welches sich nach und nach zu einem Ort entwickelte und 1253 zur Stadt ernannt wurde.
Der Name Amorbach ist nicht wie naheliegend vom römischen Gott Amor abgeleitet, sondern von dem die Stadt durchfließenden Bach, dessen Name bereits während der römischen Besiedlungszeit amara hieß, gleichbedeutend mit die Wasserreiche oder die Sumpfige.
In späteren Jahren wechselte die im Grenzgebiet von Hessen, Bayern und Baden gelegene und heute etwa 4500 Einwohner zählende Stadt mehrfach den Landesherrn. Erst 1816 wurde sie endgültig bayerisch.
Heute umwirbt Amorbach erholungsuchende Touristen mit seiner staatlichen Anerkennung als Luftkurort und seinen zahlreichen barocken Bauwerken. Auch Theodor W. Adorno, der regelmäßig als Stammgast in Amorbach weilte, trägt zum Bekanntheitsgrad bei. Nach seinem Tode wurde in einem ansässigen Hotel ein Adornozimmer errichtet.
Die noch um 1960 herum zahlreich vorhandene Perlmutt-Industrie ist heute nur noch vereinzelt in Künstlerhand anzutreffen.
Amorbach ist der Stammsitz des Fürstenhauses zu Leiningen.
1992 wurde der Stadt die Europa-Nostra-Medaille verliehen.
Schloss und Abteikirche
Die im Eigentum des Fürstenhauses zu Leiningen befindliche ehemalige Benediktinerabtei mit seiner beachtenswerten Bibliothek und die fürstliche Abteikirche mit ihrer weltberühmten Stumm-Orgel ziehen jährlich Tausende von Besuchern an. 1782 wurde die Orgel nach achtjähriger Bauzeit von den Brüdern Johann Philipp Stumm (1705-1776) und Johann Heinrich Stumm (1715-1788) vollendet. Im Amorbacher Werk, dem größten und bedeutendsten im 200-jährigen Wirken der schon damals hochgeschätzten Orgelbau-Dynastie Stumm, konnten diese Stil und Klangideal, eine Synthese des süddeutschen und des französischen Orgelbaues, uneingeschränkt verwirklichen. Die originale Klangsubstanz des imposanten Werkes überdauerte fast unbeschadet mehr als zwei Jahrhunderte. Im ausgehenden 19. und zu Beginn des 20. Jahrhunderts wurden - entsprechend dem jeweiligen Zeitgeschmack - weitere Register hinzugefügt.
Hinter dem beeindruckenden 16-feldrigen Prospekt, mit seinen 124 sämtlich klingenden und bis zu sieben Meter hohen hochprozentigen Zinnpfeifen, befinden sich Hauptwerk, Positiv und Echo mit originaler Disposition und Pfeifenwerk auf den 1982 rekonstruierten Schleifladen. Alle 14 Pedalregister stehen frei dahinter. Wiederum dahinter steht in drei Etagen das 1982 hinzugefügte neue Schwellwerk. Es enthält eine sinnvolle Zusammenstellung von nach 1868 hinzugefügten Registern mit einem der französischen Orgelromantik verpflichteten Klangcharakter. Mit ihren 5116 Pfeifen und 30 Schalenglocken, die sich auf 66 Register verteilen und von vier Manual- und einer Pedalklaviatur gespielt werden, verfügt die Orgel über einen unerschöpflichen Klangreichtum. Nicht nur die hohen solistischen Qualitäten eines jeden Registers sondern auch die hervorragende Akustik der ehemaligen Abteikirche lassen ein Orgelspiel zu einem ganz besonderen Erlebnis werden. So genießt die Amorbacher Stumm-Orgel internationale Bedeutung. 
33725 
343 Ampenan, Indonesia  116.06999969  -8.52999973  Mataram is a city on the west side of the island of Lombok, Indonesia. It is the capital and largest city of West Nusa Tenggara province.
Three subdistricts constitute the Mataram area; from west to east, these are Ampenan, Mataram, and Cakranegara. They are distinct cities, but run together. Broadly, Ampenan is an aging port city, Mataram is the governmental and office center for the province, and Cakranegara is the major commercial center on the island. The city is served by the Selaparang Airport.
Ampenan
Once was the main port of Lombok. Old buildings with mix population of Chinese, Arabs, and Melayu. You can find many local restaurants with great Chinese and Sasak foods.

Although officially 3 separate towns, Ampenan, Mataram and Cakranegara actually run together, so it's difficult to tell where one stop and the next starts. There are banks, travel agents, mall, interesting shops, traditional markets and few things to see, but the town is not a major attraction. 
327 
344 Amphipolis, Makedonía, Ellás  23.854923248291016  40.786910386579194  Amphipolis (Ancient Greek: Ἀμφίπολις – Amphípolis) was an ancient Greek city in the region once inhabited by the Edoni people in the present-day periphery of East Macedonia and Thrace. It was built on a raised plateau overlooking the east bank of the river Strymon where it emerged from Lake Cercinitis, about 3 m. from the Aegean Sea. Founded in 437 BC, th